id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.708 Rolnummer: A. 245300/IX-10700 Zaak: Arrest 266708 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 19/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-28 Raadplegingen: 11 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Fiche Arrest nr 266.708 van 19 mei 2026 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.708 van 19 mei 2026 in de zaak A. 245.300/IX-10.700 In zake: XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julie Peeters kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 209 A/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristof Caluwaert en Mauro Gisgand kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 juli 2025, strekt tot de nie- tigverklaring van arrest nr. RSTVB-2425-0796 van de Raad voor betwistingen in- zake studievoortgangsbeslissingen van 4 juni
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 16.416 van 4 september 2025 is het cassatie- beroep toelaatbaar verklaard, met uitzondering van het eerste, het vierde, het vijfde, het zevende, het achtste en het negende middel. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.700-1/16 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. De verzoekende partij en advocaat Kamille Kiebert, die loco ad- vocaten Kristof Caluwaert en Mauro Gisgand verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft in het bestreden arrest de volgende samenvatting van de feiten gegeven: “De verzoekende partij is tijdens het academiejaar 2023-2024 ingeschreven in de opleidingen ‘Educatieve master of Science in de talen’ en ‘Bachelor of Linguistics and Literary Studies’. In november 2023 krijgt de verzoekende partij toestemming om het keuze- opleidingsonderdeel ‘Tekstrevisie’ te volgen. Tijdens het academiejaar wordt dit opleidingsonderdeel evenwel geschrapt als keuzeopleidingson- derdeel binnen de opleiding ‘Educatieve master of Science in de talen’. IX-10.700-2/16 Op 20 februari 2024 dient de verzoekende partij een aanvraag in om het opleidingsonderdeel ‘Théorie et pratique de la rhétorique’ te mogen volgen aan een andere hogeronderwijsinstelling en dit te laten opnemen in het con- tract van haar geïndividualiseerd traject bij de verwerende partij. Op 14 maart 2024 laat de studietrajectbegeleider weten dat de verzoekende partij geen toelating krijgt om dit opleidingsonderdeel op te nemen. Met een e-mail van 21 maart 2024 bevestigt de voorzitter van de opleiding aan de verzoekende partij dat er geen toestemming is om het opleidingsonder- deel op te nemen als onderdeel van het diplomacontract […]. De verzoekende partij schrijft zich toch in voor het opleidingsonderdeel aan de andere hogeronderwijsinstelling, volgde de lessen en behaalde uiteinde- lijk een examenresultaat van 16 op
- De verzoekende partij stelt op 11 juli 2024 beroep in bij de interne beroeps- instantie van de onderwijsinstelling. Op 30 juli 2024 verklaart de beroeps- instantie het intern beroep ongegrond. Tegen deze beslissing stelt de verzoekende partij op 7 augustus 2024 een beroep in bij de Raad. Met een arrest van 30 oktober 2024 met nummer RSTVB-2425-0250 vernietigt de Raad de beslissing van 30 juli 2024 en legt hij aan de interne beroepsinstantie op een nieuwe beslissing te nemen. De interne beroepsinstantie neemt vervolgens op 28 november 2024 een nieuwe beslissing en verwerpt opnieuw het intern beroep van de verzoe- kende partij. Ze motiveert haar beslissing als volgt: ‘… De student omschrijft zijn belang bij het beroep als volgt: ‘Ik vraag een uitzonderlijke laattijdige inschrijving van het behaalde ULB-vak in mijn masterprogramma opdat ik de nodige studiedagen kan opvragen aan mijn werkge- ver teneinde mijn herexamens te kunnen bijwonen en zo mijn jaar te kunnen redden in tweede zit’. De student heeft zijn belang omschreven in zijn beroepschrift. De betrachting van het beroep bij de interne beroepscommissie bestaat erin om zijn ‘herexamens te kunnen bijwonen en zo (zijn) jaar te kunnen redden in tweede zit’. Met deze omschrijving heeft de stu- dent zelf de grenzen van de rechtsstrijd, en dus van zijn belang, ge- trokken. Er is voor een student geen stelplicht om zijn belang bij het beroep in het beroepschrift te omschrijven of toe te lichten. Echter, doet een student zulks wel, dan heeft hij daarmee zelf de contouren geschetst waarom het hem te doen is en moet – minstens mag – de interne beroepscommissie met die door de student vastgelegde grenzen van het debat in de administratieve beroepsprocedure reke- ning houden. Er is geen enkele mogelijkheid meer dat de student nog de nodige studiedagen kan opvragen aan zijn werkgever om zijn examens in de tweede zittijd te kunnen bijwonen. Bovendien blijkt dat de stu- dent in de tweede zittijd van 2023-24 aan alle examens van de tweede zittijd van zowel zijn bacheloropleiding als educatieve masteropleiding hééft deelgenomen, met uitzondering van het op- leidingsonderdeel ‘Professioneel leraarschap’. De student was IX-10.700-3/16 namelijk, in toepassing van artikel 119 van het OER, uitgesloten van de stage. De R.Stvb heeft bij arrest van 25 september 2024 met nr. RSTVB-2425-0097 geoordeeld dat de stopzetting van de stage, waartoe bij toepassing van artikel 119 van het OER was besloten en die volgens de student verklaart waarom hij niet heeft voldaan aan zijn bindende voorwaarden, terecht was omwille van ‘een onge- paste communicatie’ die de student hanteert. De R.Stvb. spreekt over ‘een ongepaste, defensieve, aanvallende of respectloze com- municatiestijl’. Die ongepaste communicatiestijl werd volgens de R Stvb gebezigd zowel ten aanzien van de leidinggevenden van de student als ten aanzien van de collega’s en de scholieren. In het arrest wordt uitdrukkelijk gemotiveerd dat de student omwille van de voornoemde omstandigheid blijk heeft gegeven van een on- geschiktheid voor de uitoefening van het beroep waartoe de oplei- ding die hij volgt, hem opleidt. Een gebeurlijke hervorming van de bestreden beslissing kan de stu- dent bijgevolg het door hem nagestreefde voordeel niet meer ople- veren. Hij kan geen studiedagen voor de tweede zittijd van 2023-24 meer aanvragen bij zijn werkgever én hij heeft deelgenomen aan alle examens van die zittijd, met uitsluiting van het opleidingson- derdeel waarvoor hij was uitgesloten. Ten overvloede geeft de interne beroepscommissie nog mee dat de student in academiejaar 2024-25 niet is ingeschreven aan de VUB, gelet op de studievoortgangsbeslissing ‘inschrijving niet toegela- ten’, die werd opgelegd en waartegen het beroep werd verworpen door de interne beroepscommissie bij beslissing van 21 oktober
- Tegen die beslissing heeft de student wel extern beroep inge- steld bij de R.Stvb. IV. Besluit Het beroep wordt verworpen. De bestreden beslissing wordt beves- tigd, op grond van de hierboven vermelde motivering …’ Dat is de bestreden beslissing die met een e-mail van 28 november 2024 is meegedeeld aan de verzoekende partij.” Met het thans bestreden arrest verwerpt de Raad voor betwistin- gen inzake studievoortgangsbeslissingen verzoekers beroep. IV. Niet-toelaatbaarheid van sommige middelen
- Bij beschikking nr. 16.416 van 4 september 2025 is het cassatie- beroep toelaatbaar verklaard, met uitzondering van het eerste, het vierde, het vijfde, het zevende, het achtste en het negende middel. Die middelen worden bijgevolg niet onderzocht. IX-10.700-4/16 V. Onderzoek van de overige middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is afgeleid uit een schending van het gezag van gewijsde en wordt als volgt door verzoeker samengevat: “De herstelbeslissing van verwerende partij berust op een nieuw motief en miskent zodoende het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest dat gebaseerd is op een geheel ander motief, waardoor die herstelbeslissing in wezen een nieuwe beslissing vormt.” Voorts luidt het in het inleidend verzoekschrift: “Het bestreden arrest van de Raad voor Betwistingen inzake Studievoort- gangsbeslissingen bevestigt een inhoudelijk gewijzigde beslissing die door de verwerende partij als een herstelbeslissing wordt voorgesteld, hoewel het motief in de herstelbeslissing van de verwerende partij fundamenteel verschilt van het motief uit haar eigen eerste beslissing: van extra studielast naar gebrek aan persoonlijk belang. Aldus wordt het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest van de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen, dat hele- maal rust op het motief van de eerste beslissing van de verwerende partij, miskend nu het motief in de herstelbeslissing losstaat van het motief in het vernietigingsarrest. In casu is er dan ook geen sprake van een herstelhan- deling, maar van een nieuwe beslissing op basis van een ander motief dat een andere rechtsgrond inhoudt wat niet strookt met het rechtskader van een herstelbeslissing. Derhalve mag een herstelprocedure niet worden in- gezet ter dienste van een nieuwe weigering op een geheel gewijzigde grond- slag zonder rekening te houden met de rechterlijke uitspraak en de motie- ven van het betrokken vernietigingsarrest dat strekt tot herstel van de vast- gestelde onwettigheid.”
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen met zijn nieuwe rechtsbeoordeling uit hoofde van gewijzigde omstandigheden een grondmotief her- opende dat door zijn eerste arrest van 30 oktober 2024 reeds juridisch definitief was afgesloten, namelijk het argument in verband met de studieverlofdagen IX-10.700-5/16 uiteengezet in de beslissing van 21 maart 2024 van “de voorzitter van MILO”. In het arrest van 30 oktober 2024 wordt overwogen dat laatstgenoemde beslissing uit het rechtsverkeer is verdwenen en vervangen door de beslissing van de beroepsin- stantie van 30 juli
- Op deze wijze bevestigt het arrest van 30 oktober 2024 dat het argument omtrent de studieverlofdagen juridisch ongeldig is verklaard. Het bestreden arrest heeft een rechtspunt, dat ingevolge het dispositief van het arrest van 30 oktober 2024 definitief was beoordeeld en ipso facto uit de rechtsorde was verdwenen, alsnog opnieuw ter discussie gesteld en zelfs als dragend motief be- vestigd, hoewel het geen rechtskracht meer had als weigeringsgrond. Voorts betoogt verzoeker dat bepaalde feitelijke informatie niet consequent en adequaat werd overgenomen uit het arrest van 30 oktober 2024 en dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in zijn feite- lijke uiteenzetting van zijn herstelarrest afwijkt van de vaststellingen die in zijn vorige arrest onherroepelijk werden bepaald. Tot slot stelt verzoeker dat hij zijn actueel en concreet belang ex nunc ondubbelzinnig heeft herbevestigd en nader afgebakend in de herstelproce- dure voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Beoordeling
- Het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen strekt zich enkel uit tot het dictum en de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven. Wat de gevolgen zijn van een vernietigingsarrest moet niet alleen in het licht van het dictum ervan worden uitgemaakt, maar mede in het licht van de vernietigingsmotieven. Die ver- nietigingsmotieven zijn de onwettigheden die in de aangevoerde en gegrond be- vonden middelen werden vastgesteld. Deze onwettigheden mogen bij het overdoen van dezelfde be- slissing niet opnieuw worden begaan, op straffe van schending van het gezag van IX-10.700-6/16 gewijsde van het vernietigingsarrest. Op die manier beperken ze de handelsruimte waarover de overheid bij dit overdoen nog beschikt. Een vernietigingsarrest zoals is gewezen op 30 oktober 2024 tus- sen de huidige partijen, plaatst die partijen niet vroeger terug in de procedure dan op het punt waarop de in het arrest vastgestelde onwettigheid werd begaan. Wel dient de interne beroepsinstantie bij het nemen van een nieuwe beslissing rekening te houden met de feitelijke omstandigheden zoals ze zich voordoen op het ogenblik van het nemen van de herstelbeslissing.
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen vernietigt in zijn arrest van 30 oktober 2024 een beslissing van de beroepsinstantie van de verwerende partij van 30 juli
- Hij overweegt daartoe dat de beroeps- instantie “het zorgvuldigheidsbeginsel en het materieel motiveringsbeginsel [heeft] geschonden omdat ze er ten onrechte van uitging dat de opname van het extern opleidingsonderdeel in het curriculum van de verzoekende partij haar verdere slaagkansen in de Educatieve Master zou hypothekeren”. Dit arrest verplicht de beroepsinstantie ertoe om zich opnieuw uit te spreken over het administratief beroep van verzoeker.
- De beroepsinstantie beslist ditmaal op 28 november 2024 dat een inwilliging van het beroep verzoeker geen voordeel meer kan opleveren, eensdeels, omdat hij geen studiedagen voor de tweede examenperiode van 2023-2024 meer kan aanvragen bij zijn werkgever en, anderdeels, omdat hij heeft deelgenomen aan alle examens van die examenperiode, met uitsluiting van het opleidingsonderdeel waarvoor hij was uitgesloten. De beroepsinstantie ontzegt aldus, met andere woor- den, verzoeker een actueel belang bij het beroep. De beroepsinstantie beslist op 28 november 2024 om het beroep van verzoeker opnieuw te verwerpen, maar nu wegens een ánder motief dan IX-10.700-7/16 wanneer zij dit deed met haar beslissing van 30 juli
- De beroepsinstantie steunt daarbij bovendien op feitelijke omstandigheden die zich na het vernieti- gingsarrest hebben voorgedaan. De beroepsinstantie neemt daarbij geen beslissing over een in het vroegere arrest al definitief beslecht geschilpunt dat zij in haar navolgende herstel- beslissing zou moeten respecteren, op gevaar anders de gevolgen van het eerste arrest ongedaan te maken. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft dan ook terecht besloten dat de beroepsinstantie het gezag van gewijsde van het arrest van 30 oktober 2024 niet heeft miskend.
- De – overigens nieuwe – opmerkingen van verzoeker in de me- morie van wederantwoord over het zogenaamde “verlofdagenmotief”, de over- name van feitelijke gegevens in het arrest en het voortdurend belang van verzoeker zijn vreemd aan het in het middel aangevoerde gezag van gewijsde. Ten overvloede merkt de Raad van State op dat de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen in zijn arrest van 30 oktober 2024 over de beslissing van 21 maart 2024 enkel heeft vastgesteld dat die is vervangen door de beslissing van de beroepsinstantie en er niet inhoudelijk de conclusies aan heeft gehecht die ver- zoeker erin lijkt te lezen.
- Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. B. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is geput uit de schending van “het gelijkheids- beginsel” en luidt samengevat: IX-10.700-8/16 “verwerende partij handelde ongelijk in twee parallelle herstelprocedures na vernietigingsarresten van de Raad voor Betwistingen inzake Studie- voortgangsbeslissingen. In het andere arrest RSTVB-2425-0800 werd het motief van het vernietigingsarrest gehonoreerd zoals wettelijk voorgeschre- ven, terwijl in het bestreden arrest RSTVB-2425-0796 het motief werd ge- wijzigd. Beide zaken verschenen bovendien op dezelfde zittingsdag en wer- den behandeld door dezelfde samenstelling van de Kamer.” Verzoeker licht als volgt het middel nog nader toe in het inlei- dend verzoekschrift: “In een ander arrest RSTVB-2425-0800 uitgesproken en gepubliceerd op dezelfde datum als het voorliggende bestreden arrest RSTVB-2425-0796 – met betrekking tot een medestudent uit dezelfde onderwijsinstelling als de verzoekende partij – dat tevens op dezelfde zittingsdag d.d. 28 mei 2025 evenals door dezelfde samenstelling van de Kamer van de Raad voor Be- twistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen werd behandeld, blijkt dat de verwerende partij in die betreffende herstelbeslissing zelf expliciet aan- geeft dat het behoud van de motieven uit een vernietigingsarrest een strikte voorwaarde vormt bij een herstelprocedure: ‘In overeenstemming met het gezag van gewijsde (…) De interne beroepscommissie gaat nu over tot het onderzoek dat haar door de R.Stvb. is opgedragen, daarbij rekening houdende met de motieven van het (vernietigings)arrest’ (stuk 9, pp. 3-4) Deze formele erkenning van het recht in een parallel lopend dossier, maar de miskenning ervan in het bestreden arrest getuigt van een ongelijke rechtsbedeling. Dit is strijdig met art. 14 EVRM; artt. 10, 11 en 24, § 4 Grondwet evenals art. II.276, § 1 Codex Hoger Onderwijs.”
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat uit ar- tikel II.292, § 2, CHO volgt: “dat, na een vernietigingsarrest geen nieuwe interne beroepsprocedure meer kan worden ingesteld, aangezien enkel de reeds beoordeelde rechts- punten, voortvloeiend uit die uitspraak, dienen te worden geëerbiedigd. Een herstelprocedure leent zich naar haar aard bovendien niet tot een gediffe- rentieerde rechtsinterpretatie: haar decretale grondslag vereist immers een uniforme toepassing van dezelfde procedurele rechtsvraag in alle herstel- dossiers, te weten de correcte implementatie van artikel II.292, § 2 CHO in samenhang gelezen met het gezag van gewijsde.” De gesignaleerde ongelijkheid in twee gelijktijdig behandelde dossiers betreft volgens verzoeker geen feitelijk onderscheid in dossiers, maar een IX-10.700-9/16 inconsistentie in rechtsopvatting bij de toepassing van een identieke decretale rechtsnorm, “met imminente rechtsgevolgen in het bestreden arrest”. Beoordeling
- Artikel 14 EVRM waarborgt het genot van de in dat verdrag ver- melde rechten “zonder enig onderscheid op welke grond ook”. Verzoeker licht niet specifiek toe hoe deze bepaling door het be- streden arrest wordt geschonden. Hij brengt deze bepaling zelfs geheel niet meer ter sprake in de memorie van wederantwoord, die nochtans de vorm moet hebben van een samenvattende memorie op grond waarvan de Raad van State uitspraak moet doen luidens artikel 14 van het cassatieprocedurereglement. In zoverre is het middel onontvankelijk. 15.
- Verzoeker verwijt de eerste rechter niet dat hij een verkeerde toepassing heeft gemaakt van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet bij de beoordeling van de voor hem bestreden bestuurshandeling, maar wel dat hij in het hier bestreden arrest anders heeft geoordeeld dan in een ander, dezelfde dag uitgesproken arrest en om die reden “het gelijkheidsbeginsel” schendt. 15.
- De aangevoerde grondwetsbepalingen zijn gericht tot de wetge- vende en de uitvoerende macht en betreffen niet de rechterlijke beslissingen als zodanig. De rechter moet de hem voorgelegde geschillen beslechten aan de hand van de bestaande rechtsregels en algemene rechtsbeginselen. De rechter die ge- dingvoerende partijen niet gelijk behandelt of identieke rechtsvragen niet op ge- lijke wijze beoordeelt, miskent mogelijk bepaalde procedurele of inhoudelijke re- gels en beginselen, doch niet de artikelen 10 en 11 of 24, § 4, van de Grondwet. Het middel kan in zoverre dan ook niet tot cassatie leiden. IX-10.700-10/16
- Artikel II.276 CHO, dat de gelijke behandeling van de studenten waarborgt, staat gerangschikt onder de “Algemene rechtsbeginselen” in de Codex Hoger Onderwijs. Het artikel is niet gericht aan de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen die oordeelt als rechtscollege. Verzoeker brengt deze bepaling daarenboven geheel niet meer ter sprake in de memorie van wederant- woord, die nochtans de vorm moet hebben van een samenvattende memorie op grond waarvan de Raad van State uitspraak moet doen luidens artikel 14 van het cassatieprocedurereglement. In zoverre is het middel onontvankelijk.
- Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord voor het eerst artikel II.292, § 2, CHO in zijn betoog betrekt, is het middel nieuw en bijgevolg onontvankelijk.
- Het middel wordt verworpen. C. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- Het zesde middel, “Schending van het wettigheidsbeginsel door ultra vires handelen” wordt in het inleidend verzoekschrift zo samengevat: “De Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen over- schrijdt zijn discretionaire bevoegdheid door in het bestreden arrest inhou- delijke kritiek van de verzoekende partij te eisen op een nieuw motief, ter- wijl de onderwijsinstantie – die daar wel toe bevoegd is – geen enkele mo- gelijkheid tot verweer heeft geboden op de motiefwijziging.” En als volgt nader toegelicht: “De Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen heeft zijn discretionaire bevoegdheid inzake wettigheidstoetsing overschreden door in het bestreden arrest te oordelen over het gebrek aan inhoudelijke IX-10.700-11/16 reactie van de verzoekende partij op het gewijzigde motief in de herstelbe- slissing, terwijl die beoordeling exclusief voorbehouden is aan de interne beroepsinstantie van de onderwijsinstelling. Het bestuursrechtscollege mag dienaangaande onder geen beding eisen dat de verzoekende partij in haar externe beroep een inhoudelijk standpunt in- neemt over een nieuw motief waarvoor haar zelfs nooit een gelegenheid tot weerwoord werd geboden. Door desalniettemin te oordelen dat verzoekende partij het onrechtmatig gewijzigde motief van de verwerende partij niet inhoudelijk heeft weerlegd, legt de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen im- pliciet een inhoudelijke beoordelingsplicht op die [hem] wettelijk niet toe- komt. Wat de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen wél binnen zijn discretionaire bevoegdheden – hetzij ambtshalve – had moeten onderzoeken, maar ten onrechte heeft nagelaten, is of de verzoekende partij procedureel in de mogelijkheid werd gesteld zich te verdedigen tegen het gewijzigde motief, conform het beginsel van hoor en wederhoor.”
- In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat ar- tikel 44/1, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ “bepaalt dat de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen ten enenmale geen enkele rol mag uitoefenen in de inhoudelijke beoordeling van een studievoort- gangsbeslissing”. Deze decretale bepaling beperkt de bevoegdheid van een be- stuursrechtscollege tot uitsluitend de toetsing van de wettigheid van een studie- voortgangsbeslissing, zonder zelf in de plaats te treden van de beoordelende on- derwijsinstantie. Inhoudelijke kritiek op een (nieuw) motief mag bijgevolg niet worden verwacht in hoofde van verzoeker aangezien de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de beoordeling niet ten gronde mag overdoen zoals een beroepsinstantie binnen een georganiseerd administratief beroep. Ook strekt artikel II.292, § 2, CHO louter tot het herstel van de door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen vastgestelde onwettigheid “weshalve een nieuwe inhoudelijke beroepsfase geen deel meer uit- maakt van een herstelprocedure”. Uit deze bepaling volgt dat een herstelprocedure niet voorziet in een nieuwe mogelijkheid tot verdediging ten behoeve van verzoe- ker waardoor een inhoudelijk verweer ex lege uitgesloten is. Reeds om die reden kan de terechtwijzing in het bestreden arrest, omtrent het ontbreken van IX-10.700-12/16 inhoudelijke kritiek op het nieuwe motief van de herstelbeslissing, geen stand hou- den. Vervolgens vormt dit geen nieuw middel, maar een processuele handeling in cassatie als legitiem verweer op het bestreden arrest waarin verzoeker ten onrechte een beweerd verzuim wordt tegengeworpen. Het uitblijven van inhoudelijke kritiek is in deze context geen nalatigheid; a contrario strookt dit optreden ten volle met artikel II.292, § 2, CHO. Ten derde, zo stelt verzoeker, was het motief betreffende de stu- dieverlofdagen reeds formeel uit het rechtsverkeer verdwenen krachtens het arrest van 30 oktober
- Door verzoeker alsnog te beoordelen op het ontbreken van inhoudelijke kritiek op een motief dat van rechtswege opgeheven was, overschrijdt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen zijn beoordelings- bevoegdheid en miskent hij het gezag van gewijsde van het arrest van 30 oktober 2024 door kritiek te verwachten op een motief dat zelfs geen onderdeel meer mocht uitmaken van de rechtsverhouding. Met zijn kritiek heeft de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen zich “gevolglijk” niet beperkt tot een wettigheidstoets, maar “heeft hij zich vergrepen aan een inhoudelijke herbeoordeling – of op zijn minst, al dan niet impliciet, verondersteld dat [verzoeker] gehouden was daaraan deel te nemen waarbij de procesrechtelijke verantwoordelijkheid onterecht naar [verzoeker] is verschoven”. Ter conclusie, zo stelt verzoeker: “is er sprake van een overschrijding van bevoegdheid (ultra vires), in strijd met: 1) Artikel 44/1 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges dat een inhoudelijke beoordeling door de Raad voor Betwistingen inzake Studie- voortgangsbeslissingen van rechtswege uitsluit; 2) Artikel II.292, § 2 van de Codex Hoger Onderwijs dat niet voorziet in een mogelijkheid tot inhoudelijke kritiek (verdediging) aan de kant van de verzoekende partij in het kader van een herstelprocedure; en is tevens in strijd met: IX-10.700-13/16 3) Het gezag van gewijsde door inhoudelijke kritiek te verwachten ten aan- zien van een motief dat reeds uit het rechtsverkeer is verdwenen ingevolge het betrokken vernietigingsarrest nr. RSTVB-2425-
- (cf. tweede mid- del).” Beoordeling
- In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van “het wettigheidsbeginsel” zonder aan te wijzen welke wet hiermee wordt overtreden, mist het middel de door artikel 14, § 2, RvS-wet vereiste nauwkeurigheid en is het niet ontvankelijk.
- Artikel 44/1 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de or- ganisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ en ar- tikel II.292, § 2, CHO worden slechts voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- De schending van het gezag van gewijsde is slechts voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Ten overvloede mag ook de Raad van State verwijzen, zoals ook verzoeker het doet, naar het tweede middel.
- Dat verzoeker in zijn beroep bij de Raad voor betwistingen in- zake studievoortgangsbeslissingen geen inhoudelijke kritiek levert op de motieven van de beroepen beslissing is een feitelijke vaststelling, die verzoeker overigens niet tegenspreekt. In de mate dat verzoeker hieruit afleidt dat de eerste rechter hem verplicht inhoudelijk te reageren, geeft hij een verkeerde lezing aan het arrest. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. IX-10.700-14/16
- Nu verzoeker geen inhoudelijke kritiek heeft geleverd op de mo- tieven van de beroepen beslissing, overschrijdt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen niet zijn bevoegdheid – nog daargelaten dat verzoe- ker nalaat een wettelijke bepaling aan te voeren die de opdrachten van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen bepaalt – door hieruit af te leiden dat verzoeker die motieven niet heeft weerlegd. In zoverre is het middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
- Zoals reeds is vastgesteld in de beschikking over de toelaatbaar- heid, heeft verzoeker in zijn beroepschrift bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen niet de schending van het hoorrecht aangevoerd. Hij mag de rechter dan ook niet verwijten dat hij zich daarover niet heeft uitgesproken. In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden.
- Het middel, voor zoveel als ontvankelijk, is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.700-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.700-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.708 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.