id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.710 Rolnummer: A. 245673/IX-10843 Zaak: Arrest 266710 - Tucht (openbaar ambt) - 19/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-28 Raadplegingen: 11 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Fiche Arrest nr 266.710 van 19 mei 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.710 van 19 mei 2026 in de zaak A. 245.673/IX-10.843 In zake : G.R. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken Tussenkomende partij: de BRANDWEER ZONE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Sofie De Dobbeleer kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 augustus 2025, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Nederlandstalige afdeling van de beroepskamer voor het operationeel personeel van de hulpverleningszones van 30 juli 2025 waarbij de door het zonecollege van de hulpverleningszone Brandweer Zone Antwerpen aan verzoeker opgelegde tuchtsanctie van de terugzetting in graad van sergeant naar korporaal wordt bevestigd, “met dien verstande dat de sanctie enkel wordt opgelegd voor de feiten bestraft bij het vonnis van de correctionele rechtbank in Antwerpen 16 oktober 2024”. IX-10.843-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De Brandweer Zone Antwerpen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april
- Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekende partij, Peter Ide, jurist, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sofie De Dobbeleer, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is als personeelslid met de graad van sergeant werkzaam bij de hulpverleningszone Brandweer Zone Antwerpen. IX-10.843-2/16 3.
- In het kader van een strafrechtelijk onderzoek worden aan verzoeker in de periode van 25 november 2023 tot en met 8 juni 2024 voorwaarden opgelegd, waaronder een contactverbod met zijn gewezen partner S.D., die brandweervrouw is bij de hulpverleningszone Brandweer Zone Antwerpen. Op 16 oktober 2024 wordt verzoeker door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen wegens belaging veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden en tot een geldboete van 800 euro. De feiten waarvoor verzoeker wordt veroordeeld zijn te situeren tussen 23 september 2023 en 24 november
- Het vonnis verleent probatieuitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de gevangenisstraf voor een termijn van vijf jaar en wat betreft de geldboete voor een termijn van drie jaar, mits de probatievoorwaarden waaronder een contactverbod met S.D. worden nageleefd. 3.
- Op 3 december 2024 bezorgt kapitein T.G. aan de zonecommandant een verslag met een overzicht van gebeurtenissen op de werkvloer die leidden tot een gevoel van onveiligheid bij S.D. en waarbij verzoeker contact met S.D. zou hebben gezocht. De feiten die hierin ter sprake worden gebracht, zijn te situeren tussen 22 maart 2024 en 6 november
- Op 5 december 2024 deelt de procureur des Konings aan de burgemeester van de stad Antwerpen het vonnis mee van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 16 oktober
- Er wordt op gewezen dat verzoeker werkzaam is bij de brandweer en er een contactverbod met S.D. gedurende vijf jaar is opgelegd. 3.
- Op 23 januari 2025 wordt verzoeker door het zonecollege uitgenodigd voor een hoorzitting op 10 februari 2025 waar, in het licht van een mogelijk ontslag van ambtswege, zal worden nagegaan in welke mate het gedrag van verzoeker, gelet op zijn strafrechtelijke veroordeling, in overeenstemming is met de aanwervingsvoorwaarden die zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 19 april 2014 ‘tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones’ (“het administratief statuut”). IX-10.843-3/16 Het zonecollege beslist op 10 februari 2025 dat verzoeker nog steeds voldoet aan de aanwervingsvoorwaarden zodat het ontslag van ambtswege niet wordt uitgesproken. 3.
- Eveneens op 10 februari 2025 wordt aan verzoeker een inleidend tuchtverslag betekend en wordt hij uitgenodigd om te worden gehoord op 20 februari
- Bij de omschrijving van de feiten wordt vermeld: “Datum van de feiten: van 22 maart 2024 tot 6 november 2024 Datum van kennisname van de feiten door de zonecommandant of zijn afgevaardigde: 3 december 2024 en 13 december 2024 […] Omschrijving van de feiten: Kapitein [T.G.] bezorgde op 3 december 2024 een verslag van gebeurtenissen op de werkvloer die leidden tot een gevoel van onveiligheid bij brandweervrouw [S.D.]. Op 13 december werd de zonecommandant op de hoogte gebracht van het vonnis van de rechtbank van Eerste Aanleg van Antwerpen.” De ten laste gelegde tuchtinbreuken worden als volgt omschreven: “[Verzoeker] heeft zich niet integer gedragen. Dit is een inbreuk op artikel 8 van het KB administratief statuut. Hij heeft gedragsregels overeenkomstig de geldende wetten en reglementen niet gerespecteerd (art. 9 § 1).” 3.
- Van de hoorzitting, die plaatsvindt op 20 februari 2025, wordt een proces-verbaal opgesteld. 3.
- Op 26 maart 2025 wordt het tuchtdossier bezorgd aan het zonecollege. 3.
- Op 3 april 2025 wordt verzoeker door het zonecollege uitgenodigd voor een hoorzitting van 16 mei
- IX-10.843-4/16 Verzoeker gehoord, beslist het zonecollege diezelfde dag om verzoeker de tuchtstraf van terugzetting in graad van sergeant naar korporaal op te leggen. 3.
- Op 4 juni 2025 tekent verzoeker tegen die tuchtsanctie beroep aan bij de Nederlandstalige afdeling van de beroepskamer voor het operationeel personeel van de hulpverleningszones (“beroepskamer”). Bij het toezenden aan de beroepskamer van het tuchtdossier op 12 juni 2025 vraagt verzoekster in tussenkomst dat S.D. als getuige zou worden gehoord. 3.
- Met een schrijven van 13 juni 2025 wordt verzoeker ervan op de hoogte gebracht dat de zitting van de beroepskamer wordt vastgesteld op 10 juli
- Op 20 juni 2025 legt verzoekster in tussenkomst een memorie neer. Ook daarin komt het getuigenverhoor van S.D. ter sprake. Verzoeker legt op 4 juli 2025 een verweerschrift neer. Op 4 juli 2025 wordt S.D. door de beroepskamer opgeroepen als getuige. Op 9 juli 2025 legt de hulpverleningszone een aanvullende memorie neer. 3.
- De hoorzitting vindt plaats op 10 juli
- Verzoeker en S.D. worden gehoord; van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld. 3.
- Op 30 juli 2025 verklaart de beroepskamer het beroep “ontvankelijk doch gegrond” (sic) en bevestigt zij de tuchtsanctie van het zonecollege van 16 mei 2025, zijnde de terugzetting in graad van sergeant naar korporaal, “met dien verstande dat de sanctie enkel wordt opgelegd voor de feiten IX-10.843-5/16 bestraft bij het vonnis van de correctionele rechtbank in Antwerpen 16 oktober 2024”. Dit is de bestreden beslissing, die met een aangetekend schrijven van 4 augustus 2025 aan verzoeker ter kennis wordt gebracht. IV. Tussenkomst
- De Brandweer Zone Antwerpen heeft belang bij de uitkomst van het beroep. Bijgevolg moet het verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van de rechten van verdediging, artikel 6 EVRM en in het bijzonder een schending van het verbod op willekeur, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en artikel 173/5 van het administratief statuut. Verzoeker voert aan dat de beroepskamer ten onrechte geen beslissing heeft genomen met betrekking tot het afnemen van een getuigenverhoor, of dat een dergelijke beslissing hem alleszins nooit is meegedeeld. Dat getuigenverhoor, zo stelt verzoeker, lag te dezen erg gevoelig gelet op het op hem rustende contactverbod; de gerechtelijke instantie die dat verbod moest opvolgen, was ook niet verwittigd. Voorts betoogt verzoeker dat het proces-verbaal van het verhoor van S.D. op 10 juli 2025 hem nooit is meegedeeld en hij het ook niet ter kennisname heeft ondertekend. Verzoeker besluit uit dit alles dat met het getuigenverhoor van S.D. geen rekening kon worden gehouden en dat de bestreden beslissing om die reden onwettig is. IX-10.843-6/16 Beoordeling
- Hoe of waarom de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel of het redelijkheidsbeginsel schendt, valt in de uiteenzetting van het middel niet te vernemen. In dat opzicht is het middel niet ontvankelijk. 7.
- Artikel 173/5 van het administratief statuut luidt als volgt: “De beroepskamer kan een aanvullend onderzoek bevelen en getuigen of deskundigen horen. Dit verhoor moet gebeuren in aanwezigheid van alle partijen die werden opgeroepen.” Noch deze bepaling, noch enige andere bepaling die verzoeker aanwijst, schrijft voor dat het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid vooraf in kennis dient te worden gesteld van de getuigen die de beroepskamer wenst te horen. Evenmin is voorgeschreven dat de beroepskamer haar beslissing om een getuige te horen voorafgaand aan de hoorzitting in een procedurestuk dient te formaliseren. In die omstandigheden kan wat verzoeker aanvoert niet tot een schending van artikel 173/5 van het administratief statuut of van de rechten van verdediging doen besluiten. 7.
- Voorts blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat verzoeker niet onwetend was over het feit dat S.D. als getuige zou (kunnen) worden gehoord, dat hij zich tegen haar getuigenis niet heeft verzet en dat het getuigenverhoor ook tegensprekelijk is verlopen. Met een e-mail van 20 juni 2025 is de memorie van de initiële tuchtoverheid aan verzoeker bezorgd. In die memorie wordt de beroepskamer onder het kopje ‘betreffende het getuigenverhoor’ uitdrukkelijk verzocht om S.D. te horen. In de memorie die verzoeker in repliek heeft neergelegd, neemt hij wat het getuigenverhoor van S.D. betreft het volgende standpunt in (een voetnoot is weggelaten): IX-10.843-7/16 “Reactie op memorie Brandweer Zone Antwerpen In memorie Brandweer Zone Antwerpen: BZA wenst dat bwm. [S.D.] door de beroepskamer wordt gehoord. Verweer: tuchtonderzoek is afgerond en besluit onderzoek is opgemaakt. Tuchtonderzoek gaat over handelen van [verzoeker]. Verweer: [S.D.] is gehoord in de rechtbank, waar zij ook erkenning heeft gekregen voor het leed dat haar is aangedaan en een schadevergoeding. Verweer: getuigenis van [S.D.] na 10 juli 2025, zoals in ondergeschikte orde gevraagd door BZA, is in strijd met artikel 8 van het huishoudelijk reglement dat stelt dat het personeelslid in elk geval het laatste woord krijgt. Verweer: getuigenis van [S.D.] kan volgens artikel 173/5 van het administratief statuut enkel in aanwezigheid van [verzoeker], dit is in strijd met het contactverbod dat [verzoeker] wenst te respecteren.” Uit het proces-verbaal van de zitting van de beroepskamer van 10 juli 2025, waarvan verzoeker de waarachtigheid niet in vraag stelt, laat staan betwist, blijkt dat verzoeker zich niet ertegen heeft verzet dat S.D. onder eed zou getuigen en dat hij op het einde van de hoorzitting als laatste het woord heeft gekregen. Uit het afzonderlijke proces-verbaal van het getuigenverhoor van S.D. van dezelfde datum, waarover verzoeker evenmin opmerkingen formuleert, blijkt dat zij haar akkoord heeft gegeven om, niettegenstaande het geldende contactverbod, te getuigen in aanwezigheid van verzoeker. Uit wat voorafgaat, blijkt dat rekening is gehouden met alle opmerkingen die verzoeker in zijn memorie heeft geformuleerd en dat verzoeker ten onrechte aanvoert dat zijn rechten van verdediging in het algemeen of artikel 6 EVRM in het bijzonder zijn geschonden. Het is niet vereist dat verzoeker het proces-verbaal van de verklaring van een getuige zou ondertekenen opdat de tuchtoverheid haar beslissing daarop zou mogen steunen.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. IX-10.843-8/16 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker steunt een tweede middel op een schending van de rechten van verdediging, artikel 6 EVRM en in het bijzonder een schending van het verbod op willekeur, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en “de materiële motiveringsplicht, zoals verankerd in de artikelen 2 en 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswet van 29 juli 1991”. Verzoeker acht het redelijkheidsbeginsel geschonden omdat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot eenzelfde beslissing zou komen. Hij betoogt dat de tuchtoverheid uitsluitend heeft gesteund op het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 16 oktober 2024, terwijl daarin geen uitspraak wordt gedaan over tuchtfeiten. Bovendien, zo stelt verzoeker, heeft het zonecollege naar aanleiding van dat vonnis op 10 februari 2025 reeds een standpunt ingenomen, namelijk door te oordelen dat verzoeker nog steeds aan de aanwervingsvoorwaarden voldoet en het ambtshalve ontslag derhalve niet moest worden uitgesproken. De artikelen 8 en 9 van het administratief statuut werden bijgevolg, nog steeds volgens verzoeker, reeds “afgetoetst” en het zonecollege heeft geoordeeld dat de in het vonnis vermelde feiten geen verband hielden met verzoekers beroepsactiviteiten. De materiële- en de formelemotiveringsplicht zijn naar het oordeel van verzoeker geschonden omdat de bestreden beslissing niet motiveert wat de gevolgen zijn van de strafrechtelijke veroordeling op zijn beroepsuitoefening bij de tussenkomende partij en er evenmin draagkrachtige motieven worden vermeld die aantonen dat de tuchtsanctie steunt op feiten die wél een dergelijke impact hebben. Bovendien ziet verzoeker een tegenstrijdigheid in enerzijds de overweging dat zijn beroep “ontvankelijk en gegrond” wordt bevonden en anderzijds de bevestiging van de initieel opgelegde tuchtsanctie. Tot slot acht verzoeker de bestreden beslissing willekeurig. IX-10.843-9/16 Beoordeling
- Verzoeker zet in het middel niet uiteen waarom de bestreden beslissing het verbod op willekeur miskent. In dat opzicht is het middel niet ontvankelijk.
- Gelet op de uiteenzetting van het middel, neemt de Raad van State aan dat verzoeker, spijts wat hij in de aanhef van het tweede middel uiteenzet, doelt op zowel de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur als op de formelemotiveringsplicht, zoals ze door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ is ingesteld. 12.
- Voor zover verzoeker aanvoert dat de tuchtoverheid de mogelijke inbreuk op de plichtenleer reeds heeft beoordeeld op 10 februari 2025 en daarover in de bestreden beslissing niet (meer) anders kon oordelen, overweegt de Raad van State wat volgt. 12.
- Artikel 302 van het administratief statuut schrijft voor in welke omstandigheden het ontslag van ambtswege van een personeelslid wordt uitgesproken. Dat is, naar luid van het eerste lid, 1°, van dat artikel, onder meer het geval wanneer het personeelslid niet langer aan een aanwervingsvoorwaarde voldoet die inzonderheid is vastgelegd in de artikelen 37 en 37/1 van het administratief statuut. Die bepalingen omvatten voorwaarden waaraan elk personeelslid (artikel 37), dan wel de sergeant (artikel 37/1) moet (blijven) voldoen die onder meer betrekking hebben op een “gedrag […] dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking” in het licht waarvan een uittreksel uit het strafregister moet worden voorgelegd en op het genieten van de burgerlijke en politieke rechten. IX-10.843-10/16 Het is dan ook in het kader van de controle op die blijvend geldende voorwaarden dat het zonecollege, na kennisname van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 16 oktober 2024, is nagegaan of verzoeker al dan niet van rechtswege moest worden ontslagen. Het zonecollege meende, zoals gezien, van niet. 12.
- De procedure bedoeld in artikel 302 van het administratief statuut valt onder boek 14 ‘De beëindiging van een ambt’ en staat los van een eventuele tuchtprocedure die is uitgewerkt in boek 10 ‘Tuchtregeling’ van dat statuut. Het feit dat het zonecollege besluit dat het meervermelde vonnis niet noopt tot een ontslag van ambtswege, verhindert niet dat lastens verzoeker een tuchtprocedure wordt gevoerd. Een tuchtprocedure heeft immers een andere finaliteit, namelijk het aan een personeelslid opleggen van een sanctie omwille van laakbaar gedrag. Het loutere feit dat in de beoordeling door het zonecollege met toepassing van artikel 302 van het administratief statuut elementen van de plichtenleer ter sprake komen, doet niet anders besluiten. 12.
- In dat opzicht kan het middel niet slagen. 13.
- Verzoeker voert aan dat het vonnis van 16 oktober 2024 geen betichting is in de tuchtprocedure, dat de tuchtoverheid dat vonnis niet als tuchtfeit kan beschouwen en het evenmin “in overweging” kan nemen. Het inleidend verslag vermeldt als tuchtinbreuken immers enkel de artikelen 8 en 9 van het administratief statuut. 13.
- Het inleidend verslag van majoor J.V.R. vermeldt, zoals sub 3.5 reeds is aangestipt, het volgende: “Datum van de feiten: van 22 maart 2024 tot 6 november 2024 Datum van kennisname van de feiten door de zonecommandant of zijn afgevaardigde: 3 december 2024 en 13 december 2024 […] Omschrijving van de feiten: IX-10.843-11/16 Kapitein [T.G.] bezorgde op 3 december 2024 een verslag van gebeurtenissen op de werkvloer die leidden tot een gevoel van onveiligheid bij brandweervrouw [S.D.]. Op 13 december werd de zonecommandant op de hoogte gebracht van het vonnis van de rechtbank van Eerste Aanleg van Antwerpen. Ten laste gelegde tuchtinbreuken: [Verzoeker] heeft zich niet integer gedragen. Dit is een inbreuk op artikel 8 van het KB administratief statuut. Hij heeft gedragsregels overeenkomstig de geldende wetten en reglementen niet gerespecteerd (art. 9 § 1).” Het vonnis – dat wil zeggen: zowel het feit dat verzoeker strafrechtelijk is veroordeeld als de feiten waarop die veroordeling steunt – maakt derhalve deel uit van de tuchtrechtelijke tenlastelegging. De beroepskamer vermocht dan ook te oordelen: “Dit strafrechtelijk vonnis maakt wel degelijk deel uit van het tuchtdossier en er moet worden aangenomen dat [verzoeker] als eerste betrokkene op de hoogte was van de inhoud ervan.” 13.
- Ook in dat opzicht is het middel niet gegrond. 14.
- Nog wat betreft de feiten die aan het vonnis van 16 oktober 2024 ten grondslag liggen, voert verzoeker aan dat die feiten uitsluitend betrekking hebben op de privésfeer en geen enkel verband houden met zijn beroepsactiviteiten. Minstens, zo stelt verzoeker, toont de tuchtoverheid dat nochtans noodzakelijke verband niet aan. 14.
- Artikel 8, § 1, van het administratief statuut luidt als volgt: “Het personeelslid oefent zijn functie uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen, vermeld in artikel
- Het doet dit met loyaliteit, plichtsgevoel en integriteit. De professionele relaties tussen personeelsleden, ongeacht hun graad of functie, alsook de relaties met derden, zijn gebaseerd op wederzijds respect, solidariteit, ploeggeest, zelfdiscipline, loyauteit en billijkheid, en dit onafhankelijk van de functie, de taak of de graad.” In artikel 9 van datzelfde statuut is bepaald: IX-10.843-12/16 “§
- Het personeelslid respecteert gedragsregels goedgekeurd overeenkomstig de geldende wetten en regelgevingen, alsook de richtlijnen die hem gegeven worden in het kader van deze wetten en reglementen. §
- Elk personeelslid onthoudt zich van iedere daad van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag, zoals bepaald in artikel 32ter van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van zijn werk.” 14.
- Het is niet uitgesloten dat feiten die zich in de privésfeer voordoen, toch als tuchtfeit in aanmerking mogen worden genomen. Artikel 11, § 1, tweede lid, van het administratief statuut schrijft te dezen immers voor dat “[h]et personeelslid […], ook buiten het uitoefenen van zijn functies, ieder gedrag [vermijdt] dat het vertrouwen van het publiek in zijn diensten zou kunnen ondermijnen”. Elke handeling of gedraging, zelfs “buiten het uitoefenen van zijn functies” kan bijgevolg als een tuchtvergrijp worden gekwalificeerd op voorwaarde dat die handeling of gedraging het vertrouwen van het publiek kan ondermijnen. Hoewel een potentiële weerslag op het functioneren van de dienst niet is vereist, geeft de bestreden beslissing niet alleen aan dat de “strafrechtelijk beteugelde feiten negatief afstralen op het imago en de werking van het korps van de brandweer in Antwerpen”, maar ook dat “ze een reorganisatie van de dienstroosters en de taakverdeling binnen de organisatie noodzakelijk maakten”. 14.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat de beroepskamer de feiten die het voorwerp van de strafrechtelijke veroordeling hebben uitgemaakt als tuchtfeit in aanmerking mocht nemen en dat zij ook uitdrukkelijk heeft gemotiveerd waarom zij dat doet. Die motieven worden door verzoeker inhoudelijk niet bekritiseerd, laat staan aan het wankelen gebracht. 14.
- Verzoeker overtuigt niet ervan dat de bestreden beslissing de materiële- of de formelemotiveringsplicht schendt. IX-10.843-13/16 15.
- Voorts voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing tegenstrijdig is gemotiveerd door enerzijds het beroep gegrond te verklaren en anderzijds de tuchtsanctie, zoals opgelegd door het zonecollege, te bevestigen. Ook die argumentatie overtuigt niet. 15.
- Uit artikel 173/6 van het administratief statuut volgt dat de beslissing van de beroepskamer de beslissing vervangt waartegen beroep wordt aangetekend. Dit laat toe dat de beroepskamer, na een eigen onderzoek, het beroep ontvankelijk en gegrond kan verklaren doch de sanctie opgelegd door het zonecollege kan bevestigen om andere redenen dan deze aangenomen in de initiële procedure. 15.
- Zo de conclusie “ontvankelijk doch gegrond” letterlijk moet worden genomen zoals ze is neergeschreven, kan verzoekers grief niet overtuigen. De beroepskamer heeft, zoals gezien, de bevoegdheid om na een eigen beoordeling eenzelfde tuchtsanctie op te leggen, zij het op andere gronden dan die welke de initiële tuchtoverheid heeft aangenomen. Dit is ook wat de bestreden beslissing in casu doet; ze acht de terugzetting in graad van sergeant naar korporaal een passende tuchtsanctie, met dien verstande dat die sanctie enkel steunt op de feiten die werden bestraft in het vonnis van 16 oktober
- Verzoekers beroep wordt aldus ten dele gegrond verklaard, namelijk in de mate dat de beroepskamer, anders dan het zonecollege heeft geoordeeld, de feiten die door kapitein T.G. aan de zonecommandant zijn gemeld en die te situeren zijn tussen 22 maart 2024 en 6 november 2024, niet als tuchtfeiten in aanmerking neemt. 15.
- Ook een andere lezing van de conclusie van de bestreden beslissing doet niet tot de onregelmatigheid ervan besluiten. Indien de beroepskamer de gebruikelijke zinsnede “ontvankelijk doch ongegrond” wenste te hanteren – omdat de door het zonecollege opgelegde tuchtsanctie wordt bevestigd – dan is de taalkundig ondoeltreffende tegenstelling “ontvankelijk doch gegrond” slechts een materiële misslag en mist verzoekers grief feitelijke grondslag. IX-10.843-14/16 15.
- De bestreden beslissing is hoe dan ook niet intern tegenstrijdig. 16.
- Wat tot slot het door verzoeker ingeroepen redelijkheidsbeginsel betreft, moet erop worden gewezen dat het aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toekomt om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de hogere tuchtoverheid bij haar beoordeling binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aangezien. Een schending van het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel veronderstelt derhalve dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat voorts bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond. Op verzoeker rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door hem aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de hogere tuchtoverheid. 16.
- Te dezen moet worden opgemerkt dat verzoeker niet verder komt dan te beweren dat geen ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden geplaatst de bestreden beslissing zou nemen, zonder enige verdere toelichting. Die blote bewering volstaat geenszins om de Raad van State ervan te overtuigen dat de tuchtoverheid onredelijk heeft gehandeld.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. IX-10.843-15/16 BESLISSING
- Het verzoek van de Brandweer Zone Antwerpen tot tussenkomst in het beroep wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.843-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.710 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div