id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.715 Rolnummer: A. 247611/XII-10070 Zaak: Arrest 266715 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 19/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-29 Raadplegingen: 11 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Fiche Arrest nr 266.715 van 19 mei 2026 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.715 no lien 289375 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.715 van 19 mei 2026 in de zaak A. 247.611/XII-10.070 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Quinten De Keersmaecker kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5340 BRUSSEL-WEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Van de Gejuchte kantoor houdend te 1030 Brussel Luzernestraat 40 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 10 maart 2026, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 7 januari 2026 waarbij verzoeker de zware tuchtsanctie van de inhouding van wedde van 10 procent gedurende twee maanden is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 16 maart 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 mei
- De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. XII-10.070-1/11 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Quinten De Keersmaecker, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Lorane De Maeyer, die loco advocaat Frédéric Van de Gejuchte verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is eerste inspecteur van politie bij de lokalepolitiezone. 3.
- Uiterlijk op 22 augustus 2024 krijgt de gewone tuchtoverheid kennis van een aantal feiten, gemeld door een inspecteur van de politiezone bij brief van 12 augustus
- 3.
- Op een niet nader te preciseren datum gelast de gewone tuchtoverheid een administratief onderzoek door de directie Intern Toezicht. 3.
- Op 6 januari 2025 legt de directie Intern Toezicht haar “onderzoeksverslag” neer. 3.
- Op 31 januari 2025 beslist de gewone tuchtoverheid om de zaak aanhangig te maken bij de hogere tuchtoverheid. XII-10.070-2/11 3.
- Op 5 februari 2025 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van 10 procent gedurende twee maanden op te leggen. Uit het administratief dossier kan niet met zekerheid worden afgeleid wanneer dit inleidend verslag aan verzoeker ter kennis wordt gegeven. Verzoeker dient op 3 maart 2025 een schriftelijk verweer in. Hij wordt op 17 maart 2025 door de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid mondeling gehoord. 3.
- Op 19 maart 2025 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van 10 procent gedurende twee maanden op te leggen. Tegen dat voorstel dient verzoeker op 31 maart 2025 een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
- Bij brief van 22 april 2025 meldt de secretaris van de Tuchtraad aan verzoeker : “Bij gebrek aan een praktische mogelijkheid tot rechtsgeldige samenstelling van de Tuchtraad kan heden uw verzoek tot heroverweging niet worden behandeld. Een oproepingsbrief zal u worden toegestuurd van zodra de Tuchtraad opnieuw in de praktijk rechtsgeldig kan worden samengesteld.” 3.
- Op 9 september 2025 worden de partijen opgeroepen om op 3 november 2025 te verschijnen voor de Tuchtraad. 3.
- Op 26 november 2025 adviseert de Tuchtraad: “in hoofdorde, dat het recht van [verzoeker] op een eerlijke tuchtprocedure en zijn recht van verdediging zijn geschonden, dat de aan [verzoeker] ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn, dat aan [verzoeker] geen tuchtstraf kan worden opgelegd, in ondergeschikte orde, dat in de hypothese dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.1, bewezen zouden zijn, deze aan [verzoeker] kunnen worden toegerekend, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.715 XII-10.070-3/11 dat de feiten, uitgaand van dezelfde hypothese, een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 TWP, dat ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van 10% gedurende twee maanden dient herleid te worden tot een inhouding van wedde van 5% gedurende één maand.” 3.
- Op 10 december 2025 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. Op 19 december 2025 dient verzoeker een aanvullend verweer in. 3.
- Op 7 januari 2026 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van 10 procent gedurende twee maanden op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. De bestreden beslissing werd uitgevoerd vanaf 1 februari tot 1 april
- IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. XII-10.070-4/11 V. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid
- Verzoeker voert in het verzoekschrift aan dat er sprake is van spoedeisendheid omdat de bestreden beslissing onherroepelijke schadelijke gevol- gen met zich brengt zowel op medisch of psychologisch vlak als op financieel vlak. Verzoeker zet uiteen dat hij het slachtoffer is van een beschadigingsoperatie door een collega, waardoor hij gezondheidsproblemen kreeg en genoodzaakt was de opleiding ‘Dual Purpose’ met zijn patrouillehond stop te zetten, ondanks zijn grote motivatie en toewijding. Toen hij op 31 januari 2025 kennis kreeg van het ontwerp van inleidend verslag, waarmee de gewone tuchtoverheid de zaak aanhangig maakte bij de hogere tuchtoverheid, was hij radeloos. Verzoeker benadrukt dat zijn medische toestand het gevolg is van zowel de onterechte beschuldigingen van examenfraude als de daaruit voortvloeiende tuchtprocedure. Verzoeker voert aan te kampen met een gevoel van machteloosheid en benadrukt zijn onberispelijke staat van dienst en de overtuiging dat hij correct en in eer en geweten heeft gehandeld. Volgens verzoeker wordt zijn mentaal welzijn ernstig en langdurig aangetast door de bestreden beslissing. Hij verwijst in dat verband naar het gegeven dat hij sinds 3 maart 2025 tot minstens 15 maart 2026 volledig arbeidsongeschikt is verklaard door zijn huisarts wegens een burn-out die volgens de huisarts te wijten is aan problemen op het werk. Voorts wijst verzoeker erop dat hij sinds 17 september 2025 in behandeling is bij een erkend klinisch psycholoog en psychotherapeut. Verzoeker verwijst naar de bij zijn stukken gevoegde verslagen van de klinisch psycholoog, waaruit blijkt dat “er een rechtstreeks en onmiskenbaar verband bestaat tussen de door [verzoeker] beschreven gebeurtenissen in zijn werkomgeving en de psychische klachten” en dat het “juridisch geschil waarbij er verschillende onderzoeken naar zijn persoon werden opgestart, […] een significante psychologische impact [hebben]”. Uit het meest recente verslag blijkt dat verzoekers klachten “erg nauw verbonden zijn met de context van een langdurige, nog steeds lopende tuchtprocedure”, daar die “procedure en de aantijgingen tegen zijn persoon (met de emotionele kwetsuur die hieruit voortvloeit), […] immers een aanhoudende psychosociale stressor [vormen] XII-10.070-5/11 met een duidelijke impact op zijn psychisch functioneren en algemeen welbevinden”, alsook dat “de aanhoudende onzekerheid omtrent zijn professionele en financiële toekomst voor bijkomende belasting” zorgt. Volgens dat verslag wordt voorts de prognose “als voorzichtig gunstig, doch traag, ingeschat, op voorwaarde dat de therapeutische begeleiding wordt verdergezet en dat de psychische belasting proportioneel en geleidelijk wordt opgebouwd, mede afhankelijk van de verdere evolutie van de lopende procedure”. Volgens verzoeker blijkt uit dit verslag dat er bijzondere omstandigheden voorhanden zijn die ervan overtuigen dat de morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen, zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Verzoeker vreest dat de psychologische schade onherroepelijk zal worden, indien hij zou moeten wachten op een uitspraak over zijn beroep tot nietigverklaring. De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou een nieuwe terugval in zijn moeizame hersteltraject veroorzaken. De schorsing van de bestreden beslissing is volgens verzoeker van cruciaal belang om zijn mentale schade te herstellen en zou een “enorme opsteker” zijn, zelfs indien een schorsingsarrest pas zou tussenkomen nadat de bestreden beslissing volledig werd uitgevoerd. Voorts zet verzoeker uiteen dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing ook op financieel vlak ernstige nadelige gevolgen heeft, gelet op het aanzienlijk inkomensverlies. Verzoeker wijst erop dat hij sinds maart 2025 volledig arbeidsongeschikt is en derhalve terugvalt op een vaste wedde, terwijl hij in normale omstandigheden over een aanzienlijk hoger inkomen beschikt ingevolge de variabele vergoedingen die inherent zijn aan de uitoefening van zijn functie, zoals een maandelijkse uitbetaling van gepresteerde overuren, de gepresteerde uren aan nacht- en weekendtarief, maaltijdcheques, alsook een bijkomende opleiderspremie. Voorts wijst verzoeker erop dat hij sinds november 2025 in disponibiliteit wegens ziekte is geplaatst, waardoor zijn maandelijks netto- inkomen nog verder is gedaald, en voert hij aan dat hij in tegenstelling tot de voorgaande jaren geen aanzienlijk bedrag meer zal recupereren aan personenbelasting. Volgens verzoeker leidt dit tot een onredelijk financieel verlies, waardoor hij genoodzaakt was zijn wagen te verkopen. De inhouding van XII-10.070-6/11 tien procent van zijn wedde gedurende twee maanden, zou voor hem een onredelijk financieel verlies betekenen en hem in een onhoudbare financiële situatie plaatsen. Verzoeker besluit dat hij, gelet op de verregaande gevolgen van de opgelegde tuchtstraf op medisch en financieel vlak, het resultaat van het annulatieberoep niet kan afwachten. De schadelijke gevolgen kunnen volgens verzoeker enkel worden hersteld, indien de bestreden beslissing wordt geschorst, zodat de buitenwereld en zijn (voormalige) collega’s niet langer de onterechte indruk hebben dat de hogere tuchtoverheid rechtmatig heeft besloten dat verzoeker een tuchtvergrijp heeft gepleegd dat noopte tot de opgelegde zware tuchtstraf. De schorsing van de bestreden beslissing zou ook het verdere herstel van verzoeker faciliteren. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.715 XII-10.070-7/11 wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022- 2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enig nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- De schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing moet een nuttig effect hebben en moet de verzoeker behoeden voor de gevreesde schade. Wanneer de schorsing van de bestreden beslissing het aangevoerde nadeel niet (meer) kan verhinderen of ongedaan maken, wordt de spoedeisendheid van de vordering tot schorsing niet aangetoond.
- Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de opgelegde tuchtstraf integraal werd uitgevoerd en ondergaan. Daar een schorsingsarrest – in tegenstelling tot een vernietigingsarrest – enkel uitwerking heeft voor de toekomst, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.715 XII-10.070-8/11 maakt de schorsing van de tenuitvoerlegging noch het bestaan van de opgelegde tuchtsanctie noch de tenuitvoerlegging daarvan, ongedaan. Er valt dan ook niet in te zien welk nut de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing nog kan hebben.
- Dat de schorsing van de bestreden beslissing volgens verzoeker van cruciaal belang is om zijn mentale schade te herstellen en een “enorme opsteker” zou zijn, zelfs indien een schorsingsarrest pas zou tussenkomen nadat de bestreden beslissing volledig werd uitgevoerd, doet niet anders oordelen. Opdat er sprake zou zijn van spoedeisendheid, moet verzoeker immers aantonen dat hij zich zonder de schorsing van de bestreden beslissing zal bevinden in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen. De schorsingsprocedure heeft tot doel dergelijke onherroepelijke schadelijke gevolgen, die dermate ernstig zijn dat verzoeker ze niet kan verdragen in afwachting van een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, te verhelpen. Ze heeft niet tot doel om bij wijze van “opsteker” een vorm van morele overwinning op te leveren, die voorts geen enkel praktisch nut heeft. Verzoeker overtuigt niet dat de aangevoerde psychologische schade onherroepelijk zou worden, indien hij zou moeten wachten op een uitspraak over zijn beroep tot nietigverklaring. Verzoeker maakt weliswaar aannemelijk dat hij kampt met aanhoudende psychische klachten, die grotendeels aan de start en het lang aanslepen van de tuchtprocedure kunnen worden toegedicht, doch zet niet uiteen hoe een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dat te dezen zou verhelpen. Zoals hiervoor is vastgesteld, werd de opgelegde tuchtsanctie volledig ondergaan, wat door een schorsingsarrest niet ongedaan kan worden gemaakt. De Raad van State begrijpt – zoals blijkt uit de door verzoeker voorgelegde stukken – dat het juridisch conflict rond de tuchtprocedure een voortdurende bron van spanning is, voor aanhoudende stress zorgt met een impact op zijn psychisch functioneren en zijn algemeen welbevinden. Dit is echter het lot dat elke ambtenaar die een tuchtsanctie aanvecht in afwachting van een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, moet ondergaan. Om te verantwoorden dat er sprake is van spoedeisendheid, moet verzoeker bovendien aantonen dat hij die aangevoerde nadelen niet kan verdragen tot de uitspraak over het beroep tot ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.715 XII-10.070-9/11 nietigverklaring. Dat doet verzoeker niet. Uit het attest van de behandelende psycholoog blijkt daarentegen dat de prognose als “voorzichtig gunstig, doch traag” wordt ingeschat “op voorwaarde dat de therapeutische begeleiding wordt verdergezet en dat de psychische belasting proportioneel en geleidelijk wordt opgebouwd, mede afhankelijk van de verdere evolutie van de lopende procedure”. Volgens datzelfde attest zijn er “geen aanwijzingen voor een blijvende psychiatrische stoornis, noch voor definitieve medische ongeschiktheid” en kent “[d]e huidige arbeidsongeschiktheid […] op dit moment een langzaam maar aanwezig perspectief op herstel”. Hoewel de behandelende psycholoog oordeelt dat “de verdere evolutie van de lopende procedure” van belang is met het oog op het herstel van verzoeker, kan een schorsingsarrest geen einde stellen aan de juridische procedure en de bijhorende onzekerheid en emotionele belasting. Zelfs indien de Raad van State de bestreden beslissing zou schorsen, dan nog beperkt hij zich tot een prima-faciebeoordeling in afwachting van de behandeling van het beroep tot nietigverklaring. In combinatie met de eerder gedane vaststelling dat de bestreden beslissing volledig is uitgevoerd en ondergaan, moet worden vastgesteld dat verzoeker niet overtuigt dat de schorsing van de bestreden beslissing hem nog enig nut kan opleveren. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een nieuwe terugval in zijn moeizame hersteltraject zou veroorzaken, herhaalt de Raad van State dat de tuchtsanctie werd ondergaan, zodat dit nadeel niet meer kan worden verholpen met een schorsingsarrest. Dezelfde vaststelling geldt voor het argument dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing ook op financieel vlak ernstige nadelige gevolgen heeft, gelet op het aanzienlijk inkomensverlies. Ook dat nadeel werd inmiddels ondergaan. Daar een schorsingsarrest enkel uitwerking heeft voor de toekomst, kan het ook dat nadeel niet meer verhelpen.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. XII-10.070-10/11 VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-10.070-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.715 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.