← België

Arrest 266716 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 19/05/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.716 Rolnummer: A. 247620/XII-10071 Zaak: Arrest 266716 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 19/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-29 Raadplegingen: 12 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Fiche Arrest nr 266.716 van 19 mei 2026 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.716 no lien 289376 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.716 van 19 mei 2026 in de zaak A. 247.620/XII-10.071 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Quinten De Keersmaecker kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5340 BRUSSEL-WEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Van de Gejuchte kantoor houdend te 1030 Brussel Luzernestraat 40 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 10 maart 2026, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 7 januari 2026 waarbij verzoeker de zware tuchtsanctie van de schorsing gedurende drie maanden met een inhouding van wedde van 25 procent is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 16 maart 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 mei
  3. XII-10.071-1/12 De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Quinten De Keersmaecker, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Lorane De Maeyer, die loco advocaat Frédéric Van de Gejuchte verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is eerste hoofdinspecteur van politie bij de lokalepolitiezone. 3.
  6. Uiterlijk op 22 augustus 2024 krijgt de gewone tuchtoverheid kennis van een aantal feiten, gemeld door een inspecteur van de politiezone bij brief van 12 augustus
  7. 3.
  8. Op een niet nader te preciseren datum gelast de gewone tuchtoverheid een administratief onderzoek door de directie Intern Toezicht. XII-10.071-2/12 3.
  9. Op 6 januari 2025 legt de directie Intern Toezicht haar “onderzoeksverslag” neer. 3.
  10. Op 31 januari 2025 beslist de gewone tuchtoverheid om de zaak aanhangig te maken bij de hogere tuchtoverheid. 3.
  11. Op 5 februari 2025 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Dit inleidend verslag wordt op 10 februari 2025 bij aangetekende zending aan verzoeker aangeboden. Verzoeker dient op 3 maart 2025 een schriftelijk verweer in. 3.
  12. Op 19 maart 2025 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de schorsing gedurende drie maanden met inhouding van wedde van 25 procent op te leggen. Tegen dat voorstel dient verzoeker op 24 maart 2025 een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  13. Bij brief van 22 april 2025 meldt de secretaris van de Tuchtraad aan verzoeker : “Bij gebrek aan een praktische mogelijkheid tot rechtsgeldige samenstelling van de Tuchtraad kan heden uw verzoek tot heroverweging niet worden behandeld. Een oproepingsbrief zal u worden toegestuurd van zodra de Tuchtraad opnieuw in de praktijk rechtsgeldig kan worden samengesteld.” 3.
  14. Op 9 september 2025 worden de partijen opgeroepen om op 3 november 2025 te verschijnen voor de Tuchtraad. 3.
  15. Op 26 november 2025 adviseert de Tuchtraad: “in hoofdorde, dat het recht van [verzoeker] op een eerlijke tuchtprocedure en zijn recht van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.716 XII-10.071-3/12 verdediging zijn geschonden, dat de aan [verzoeker] ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn, dat aan [verzoeker] geen tuchtstraf kan worden opgelegd, in ondergeschikte orde, dat in de hypothese dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.1, bewezen zouden zijn, deze aan [verzoeker] kunnen worden toegerekend, dat de feiten, uitgaand van dezelfde hypothese, een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 TWP, dat ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van een schorsing van drie maanden met een inhouding van 25% op de wedde dient herleid te worden tot een inhouding van wedde van 10% gedurende twee maanden.” 3.
  16. Op 10 december 2025 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. Op 19 december 2025 dient verzoeker een aanvullend verweer in. 3.
  17. Op 7 januari 2026 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing gedurende drie maanden met een inhouding van wedde van 25 procent op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. De bestreden beslissing werd uitgevoerd vanaf 1 februari tot 1 mei
  18. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  19. Verzoeker legt daags voor de terechtzitting om 23.11 uur een brief en negen aanvullende stukken neer als antwoord op de vraag van de griffier, of de bestreden tuchtbeslissing inmiddels was uitgevoerd, én op het auditoraatsverslag.
  20. De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid tot de neerlegging van aanvullende stukken in repliek op het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.716 XII-10.071-4/12 auditoraatsverslag. In zoverre de voormelde stukken de neerslag vormen van de uiteenzetting ter terechtzitting worden ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. In zoverre verzoeker in zijn mondelinge opmerkingen ter terechtzitting of in de voormelde brief, die er derhalve de schriftelijke neerslag van vormt, nieuwe argumenten ter adstructie van de vordering tot schorsing ontwikkelt waarvan hij niet aantoont dat hij die niet in zijn verzoekschrift kon ontwikkelen, zijn zij niet ontvankelijk en worden ze uit het debat geweerd. V. Schorsingsvoorwaarden
  21. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid
  22. Verzoeker voert in het verzoekschrift aan dat er sprake is van spoedeisendheid omdat de bestreden beslissing onherroepelijke schadelijke gevolgen met zich brengt zowel op medisch of psychologisch vlak als op financieel vlak. Verzoeker zet uiteen dat, toen hij op 16 januari 2025 in kennis werd gesteld van het voorstel tot herplaatsing bij ordemaatregel, hij radeloos was. Nadat verzoeker met ingang van 3 februari 2025 is herplaatst bij ordemaatregel en hij op 31 januari 2025 kennis kreeg van het ontwerp van inleidend verslag, ging XII-10.071-5/12 het van kwaad naar erger. Dit alles leidde tot een gevoel van machteloosheid. Verzoeker voert aan moeite te hebben met de wijze waarop hij is behandeld door de korpschef, tevens de gewone tuchtoverheid. Volgens verzoeker wordt zijn mentaal welzijn ernstig en langdurig aangetast door de bestreden beslissing. Hij verwijst in dat verband naar het gegeven dat hij sinds 14 mei 2025 tot op heden volledig arbeidsongeschikt is verklaard door zijn huisarts wegens een burn-out en een depressie. Volgens de huisarts staat deze werkonbekwaamheid in direct causaal verband met zijn werksituatie. Voorts wijst verzoeker erop dat hij een loopbaanbegeleiding volgde bij een psychotherapeut en loopbaancoach en dat hij sinds 3 september 2025, na doorverwijzing door zijn loopbaancoach, in behandeling is bij een erkend klinisch psycholoog en psychotherapeut. Verzoeker verwijst naar het bij zijn stukken gevoegde verslag van de klinisch psycholoog, waaruit blijkt dat verzoekers klachten “in belangrijke mate samenhangen met het juridisch conflict (tuchtprocedure) waarin hij verwikkeld is en dat nog steeds lopende is”, alsook dat “[d]eze procedure […] voor [verzoeker] een haast voortdurende bron van spanning [vormt]. De combinatie van aantijgingen, het aanslepende karakter van het proces, de onzekerheid en de vertrouwensbreuk zorgen voor een aanhoudende emotionele belasting. Daarnaast weegt de onzekerheid rond zijn verdere professionele positie en financiële situatie zwaar door. Door deze combinatie van stressoren wordt he(t) herstel erg bemoeilijkt.” Nog volgens dit attest is “een voorzichtig gunstige evolutie waarneembaar in het klachtenbeeld” die “zich langzaam kan verderzetten, mits aanhouden van de therapeutische begeleiding en een goede afstemming van de psychische belasting, in combinatie met een gunstig verder verloop van de lopende juridische procedure”. Volgens verzoeker blijkt uit dit verslag dat er – gelet op de geschetste aanhoudende emotionele belasting – bijzondere omstandigheden voorhanden zijn die ervan overtuigen dat de morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen, zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Verzoeker vreest dat de psychologische schade onherroepelijk zou worden, indien hij zou moeten wachten op een uitspraak over zijn beroep tot nietigverklaring. De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou een nieuwe terugval in zijn XII-10.071-6/12 moeizame hersteltraject veroorzaken. De schorsing van de bestreden beslissing is volgens verzoeker van cruciaal belang om zijn mentale schade te herstellen en zou een enorme opsteker zijn, zelfs indien een schorsingsarrest pas zou tussenkomen nadat de bestreden beslissing volledig werd uitgevoerd. Voorts zet verzoeker uiteen dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing ook op financieel vlak ernstige nadelige gevolgen heeft, gelet op het aanzienlijk inkomensverlies. Verzoeker wijst erop dat hij sinds januari 2025 volledig arbeidsongeschikt is en derhalve terugvalt op een vaste wedde, terwijl hij in normale omstandigheden over een aanzienlijk hoger inkomen beschikt ingevolge de variabele vergoedingen die inherent zijn aan de uitoefening van zijn functie, zoals een maandelijkse uitbetaling van gepresteerde overuren, de gepresteerde uren aan nacht- en weekendtarief, een maaltijdvergoeding, alsook een bijkomende opleiderspremie. De inhouding van 25 % van zijn wedde gedurende drie maanden, zou zijn levenstandaard op een wezenlijke wijze aantasten en hem in een onhoudbare financiële situatie plaatsen. Verzoeker besluit dat hij, gelet op de verregaande gevolgen van de opgelegde tuchtstraf op medisch en financieel vlak, het resultaat van het annulatieberoep niet kan afwachten. De schadelijke gevolgen kunnen volgens verzoeker enkel worden hersteld, indien de bestreden beslissing wordt geschorst, zodat de buitenwereld en zijn (voormalige) collega’s niet langer de onterechte indruk hebben dat de hogere tuchtoverheid rechtmatig heeft besloten dat verzoeker een tuchtvergrijp heeft gepleegd dat noopte tot de opgelegde zware tuchtstraf. De schorsing van de bestreden beslissing zou ook het verdere herstel van verzoeker faciliteren. Beoordeling
  23. Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid XII-10.071-7/12 verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022- 2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling XII-10.071-8/12 bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enig nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  24. De schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing moet een nuttig effect hebben en moet de verzoeker behoeden voor de gevreesde schade. Wanneer de schorsing van de bestreden beslissing het aangevoerde nadeel niet (meer) kan verhinderen of ongedaan maken, wordt de spoedeisendheid van de vordering tot schorsing niet aangetoond.
  25. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de opgelegde tuchtstraf integraal werd uitgevoerd en ondergaan. Daar een schorsingsarrest – in tegenstelling tot een vernietigingsarrest – enkel uitwerking heeft voor de toekomst, maakt de schorsing van de tenuitvoerlegging noch het bestaan van de opgelegde tuchtsanctie noch de tenuitvoerlegging daarvan, ongedaan. Er valt dan ook niet in te zien welk nut de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing nog kan hebben.
  26. Dat de schorsing van de bestreden beslissing volgens verzoeker van cruciaal belang is om zijn mentale schade te herstellen en een “enorme opsteker” zou zijn, zelfs indien een schorsingsarrest pas zou tussenkomen nadat de bestreden beslissing volledig werd uitgevoerd, doet niet anders oordelen. Opdat er sprake zou zijn van spoedeisendheid, moet verzoeker immers aantonen dat hij zich zonder de schorsing van de bestreden beslissing zal bevinden in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen. De schorsingsprocedure heeft tot doel dergelijke onherroepelijke schadelijke gevolgen, die dermate ernstig zijn dat verzoeker ze niet kan verdragen in afwachting van een uitspraak over het beroep XII-10.071-9/12 tot nietigverklaring, te verhelpen. Ze heeft niet tot doel om bij wijze van “opsteker” een vorm van morele overwinning op te leveren, die voorts geen enkel praktisch nut heeft. Verzoeker overtuigt niet dat de aangevoerde psychologische schade onherroepelijk zou worden, indien hij zou moeten wachten op een uitspraak over zijn beroep tot nietigverklaring. Verzoeker maakt weliswaar aannemelijk dat hij kampt met aanhoudende psychische klachten, die grotendeels aan de start en het lang aanslepen van de tuchtprocedure kunnen worden toegedicht, doch zet niet uiteen hoe een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dat te dezen zou verhelpen. Zoals hiervoor is vastgesteld, werd de opgelegde tuchtsanctie volledig ondergaan, wat door een schorsingsarrest niet ongedaan kan worden gemaakt. De Raad van State begrijpt – zoals blijkt uit de door verzoeker voorgelegde stukken – dat het juridisch conflict rond de tuchtprocedure een voortdurende bron van spanning is, voor onzekerheid zorgt en derhalve een aanhoudende emotionele belasting vormt. Dit is echter het lot dat elke ambtenaar die een tuchtsanctie aanvecht in afwachting van een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, moet ondergaan. Om te verantwoorden dat er sprake is van spoedeisendheid, moet verzoeker bovendien aantonen dat hij die aangevoerde nadelen niet kan verdragen tot de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring. Dat doet verzoeker niet. Uit het attest van de behandelende psycholoog blijkt daarentegen dat ingevolge de behandeling een “voorzichtig gunstige evolutie” waarneembaar is, die zich naar haar inschatting langzaam kan verderzetten. Zij acht een herstel mogelijk, mits de nodige tijd en stabiliteit en een professionele context die als voldoende veilig en ondersteunend wordt ervaren. Hoewel de behandelende psycholoog oordeelt dat dit best gepaard gaat “met een gunstig verloop van de lopende juridische procedure”, kan een schorsingsarrest geen einde stellen aan de juridische procedure en de bijhorende onzekerheid en emotionele belasting. Zelfs indien de Raad van State de bestreden beslissing zou schorsen, dan nog beperkt hij zich tot een prima-faciebeoordeling in afwachting van de behandeling van het beroep tot nietigverklaring. In combinatie met de eerder gedane vaststelling dat de bestreden beslissing volledig is uitgevoerd en ondergaan, moet worden vastgesteld XII-10.071-10/12 dat verzoeker niet overtuigt dat de schorsing van de bestreden beslissing hem nog enig nut kan opleveren. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een nieuwe terugval in zijn moeizame hersteltraject zou veroorzaken, herhaalt de Raad van State dat de tuchtsanctie werd ondergaan, zodat dit nadeel niet meer kan worden verholpen met een schorsingsarrest. Dezelfde vaststelling geldt voor het argument dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing ook op financieel vlak ernstige nadelige gevolgen heeft, gelet op het aanzienlijk inkomensverlies. Ook dat nadeel werd inmiddels ondergaan. Daar een schorsingsarrest enkel uitwerking heeft voor de toekomst, kan het ook dat nadeel niet meer verhelpen. De Raad van State merkt voorts op dat ter beoordeling van de spoedeisendheid enkel rekening kan worden gehouden met de financiële gevolgen die uit de bestreden beslissing voortvloeien, doch niet met de gevolgen van andere maatregelen, zoals te dezen de aan verzoeker opgelegde ordemaatregel van 28 januari
  27. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. VII. Conclusie
  28. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt de vordering. XII-10.071-11/12
  30. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-10.071-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.716 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.