id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.738 Rolnummer: A. 240605/XIV-39927 Zaak: Arrest 266738 - Kansspelen - 20/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-28 Raadplegingen: 12 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Fiche Arrest nr 266.738 van 20 mei 2026 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 266.738 van 20 mei 2026 in de zaak A. 240.605/XIV-39.927 In zake : de BV C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 november 2023, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de gemeenteraad van de stad Antwerpen van 25 september 2023, waarbij aan [de verzoekende partij] een convenant geweigerd wordt voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse IV, gelegen […] te 2060 Antwerpen”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.927-1/20 Eerste auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026 om 14:00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Hasse Mantels, die loco advocaat Thomas Beelen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 2 juni 2023 richt de verzoekende partij een aanvraag tot de stad Antwerpen om voor de exploitatie van een wedkantoor, gelegen te 2060 Antwerpen, een convenant te sluiten zoals wordt vereist door artikel 43/4, § 1, vierde lid, van de wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers’ (hierna: de wet van 7 mei 1999). 3.
- Over deze aanvraag brengt de burgemeester van de stad Antwerpen op 31 juli 2023 een ongunstig advies uit. In dit advies wordt gewezen XIV-39.927-2/20 op “risico’s gepaard gaande met de ligging van de inrichting”, “risico’s gepaard gaande met de uitbater” en een “negatieve brand- en bouwcontrole”. 3.
- Met een beslissing van 25 september 2023 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen het gevraagde convenant te sluiten. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Aanleiding en context Op 2 juni 2023 werd namens de [verzoekende partij], een aanvraag ingediend om een convenant af te sluiten voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse IV […], gelegen aan […] te 2060 Antwerpen. De [verzoekende partij] heeft een kansspelvergunning F2 voor de exploitatie van de kansspelinrichting klasse IV op dit adres, laatst toegekend door de Kansspelcommissie op 2 september 2020 ([…]). De [verzoekende partij] wenst deze kansspelvergunning F2 te hernieuwen op de eerstvolgende zitting van de Kansspelcommissie. De uitbating van een vaste kansspelinrichting klasse IV moet op grond van artikelen 43/4, §1 en 43/5, 6° van de Wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (verder: Kansspelwet) geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. Deze bepalingen werden ingevoerd door de Wet van 7 mei 2019 tot wijziging van de Kansspelwet van 7 mei
- Artikel 36 van de wijzigingswet bepaalde dat de houders van een kansspelvergunning F2, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet over een vergunning beschikten, hun activiteiten onder dezelfde voorwaarden konden voortzetten. Pas ten vroegste twee jaar na de inwerkingtreding van de wet moesten ze voldoen aan deze voorwaarde. De wetswijziging trad in werking op 25 mei
- Thans moet bij de aanvraag om hernieuwing dus rekening gehouden worden met voormelde voorwaarden. Dit betekent eveneens dat de aanvrager ervoor dient te zorgen dat de kansspelinrichting klasse IV niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren bezocht worden, zulks behoudens met redenen omklede afwijking die door de gemeente wordt toegestaan. Om de kansspelvergunning F2 te hernieuwen bij de Kansspelcommissie is een convenant nodig tussen de [verzoekende partij] en de stad Antwerpen. Juridische grond Kansspelinrichtingen klasse IV zijn, op basis van artikel 43/4, §1 van de Kansspelwet, plaatsen die uitsluitend bestemd zijn voor het aannemen van weddenschappen. Het aannemen van weddenschappen vereist een kansspelvergunning F
- Behoudens de uitzonderingen bepaald in §5 van voormeld artikel, is het verboden weddenschappen aan te nemen buiten een kansspelinrichting klasse IV. De uitbating van een vaste kansspelinrichting klasse IV moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden. In het convenant worden de openings- en sluitingsuren én de openings- en sluitingsdagen bepaald van de XIV-39.927-3/20 kansspelinrichtingen klasse IV en wordt vastgelegd wie het gemeentelijk toezicht waarneemt. Om een kansspelvergunning klasse F2 te kunnen verkrijgen moet de aanvrager volgens artikel 43/5 van de Kansspelwet:
- indien het gaat om een natuurlijk persoon, onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie; indien het gaat om een rechtspersoon, deze hoedanigheid naar Belgisch recht of naar het recht van een lidstaat van de Europese Unie bezitten;
- indien het gaat om een natuurlijk persoon, volledig zijn burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie; indien het gaat om een rechtspersoon, moeten de bestuurders en zaakvoerders volledig hun burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie;
- het reglement van de weddenschappen, evenals iedere wijziging hiervan aan de commissie meedelen en zich ertoe verbinden hiervan een exemplaar uit te hangen;
- een advies overleggen van de Federale Overheidsdienst Financiën en de gewestelijke belastingadministratie waaruit blijkt dat alle vaststaande en onbetwiste belastingschulden werden voldaan;
- ervoor zorgen dat de kansspelinrichting klasse IV niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, behoudens een met redenen omklede afwijking toegestaan door de gemeente; en
- het convenant kunnen voorleggen dat werd gesloten tussen de kansspelinrichting klasse IV en de gemeente waar die inrichting gevestigd is onder de voorwaarde dat de vergunning van klasse F2 wordt verkregen. Regelgeving: bevoegdheid Artikel 43/4 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (Belgisch Staatsblad 30 december 1999). De gemeenteraad heeft een algemene regelgevende bevoegdheid voor zaken van gemeentelijk belang tenzij de bevoegdheid is toegewezen aan een ander orgaan van de gemeente (artikel 40 Decreet Lokaal Bestuur). Argumentatie De [verzoekende partij] baat de kansspelinrichting klasse IV gelegen aan […] te 2060 Antwerpen uit. Hiervoor beschikt zij over een kansspelvergunning F2 die nu hernieuwd moet worden. De hernieuwing van de kansspelvergunning F2 gebeurt driejaarlijks. Voorafgaandelijk moet een convenant afgesloten worden met de gemeente zoals bepaald in de wijzigingswet van 7 mei
- De voorwaarden waar de aanvrager conform artikel 43/5 van de Kansspelwet aan moet voldoen om een kansspelvergunning F2 te kunnen verkrijgen, gelden eveneens voor het hernieuwen van dergelijke vergunning. Het gegeven dat er reeds een kansspelvergunning werd uitgereikt, doet geen afbreuk aan het feit dat er thans, na inwerkingtreding van de artikelen 43/4, §1 en 43/5, 6°, alsnog een convenant moet worden afgesloten. Aangezien deze wetswijziging pas in werking trad nadat de eerdere kansspelvergunning werd uitgereikt, behoudt de gemeente haar discretionaire bevoegdheid om te beslissen of, en onder welke voorwaarden, er thans een convenant wordt afgesloten. Het is immers pas na deze wetswijziging dat de gemeente door de convenantverplichting de bevoegdheid heeft gekregen daadwerkelijk een rol te spelen in de verkrijgingsprocedure voor een kansspelvergunning. Artikel 43/5, 5° van de Kansspelwet bepaalt ondubbelzinnig dat ‘De aanvrager van het convenant ervoor moet zorgen dat een kansspelinrichting klasse IV niet XIV-39.927-4/20 gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, zulks behoudens met redenen omklede afwijking die door de gemeente wordt toegestaan.’ De parlementaire voorbereiding stipuleert verder dat: ‘Dat convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd, inzonderheid rekening houdend met onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, plaatsen waar erediensten worden gehouden of gevangenissen." De concrete omstandigheden die een weigering om een convenant te kunnen sluiten, kunnen verantwoorden zijn derhalve niet beperkt tot de inrichtingen die uitdrukkelijk vermeld staan in hoger geciteerd artikel uit de Kansspelwet. Dit werd bevestigd door een arrest van het Grondwettelijk Hof van 9 december 2021 (arrest nr. 177/2021). Er moet bij de beoordeling om al dan niet over te gaan tot het afsluiten van een convenant nagegaan worden of de voorgestelde locatie al dan niet in de nabijheid van dergelijke inrichtingen gelegen is. De ingevoerde bepaling strekt ertoe om de risico’s in verband met de ligging van een vaste kansspelinrichting klasse IV te beperken en kwetsbare spelers te beschermen. Dergelijk nabijheidsonderzoek is een determinerend motief in de afweging van de gemeente om in een individueel dossier te beslissen om al dan niet het convenant af te sluiten. De stad Antwerpen investeert in een coherent en geïntegreerd drugbeleid. Naast middelenverslavingen wordt binnen dit beleid ook aandacht geschonken aan gedragsverslavingen, zoals gamen en gokken. Het is daarbij belangrijk om preventief en voor aanvang van de problematiek in te grijpen. Bijgevolg zijn uiterst belangrijke doelgroepen voor verslavingspreventie jongeren en kwetsbare personen. Onderzoek toont aan dat het in contact komen met middelen of verslavende gedragingen op jonge leeftijd, het risico op verslaving op latere leeftijd verhoogt. Dit heeft te maken met de ontwikkeling van de hersenen: ‘Hoe eerder iemand begint, hoe meer invloed dit heeft op de ontwikkeling van de hersenen, hoe impulsiever iemand wordt, wat dan weer de kans op verslaving verhoogt. Dit is voor gokken net zo: problematische gokkers bleken telkens vroeger te zijn gestart met gokken - vaak al rond de leeftijd van 10 jaar - dan leeftijdsgenoten die (niet problematisch) gokken.’ (Shead, Derevensky & Gupta, 2010, Geel en Fisher in Bowden-Jones & Georges, 2015). Antwerpen is een bruisende studentenstad en heeft ook heel wat (middelbare) scholen op het grondgebied. Geld inzetten op sportwedstrijden is de gokvorm die het meest frequent wordt beoefend door de Vlaamse studenten, zo blijkt uit onderzoek van de VAD. (Van Damme et al., 2022). Nog problematischer, hoewel gokken onder de 18 jaar verboden is, is de vaststelling dat 0,9% van de middelbare schooljongeren een regelmatige speler is bij sportweddenschappen en 7,7% aangeeft ooit te hebben gespeeld. (Rossiers, VAD Webinar, 2021, 19:38). Er kan bijgevolg niet aan voorbijgegaan worden dat hier zeer strikt op moet toegezien worden. De voorgenomen inrichting is gevestigd aan […] te 2060 Antwerpen en dus gelegen in een gedeelte van de stad waar de leefbaarheid reeds onder druk staat door verschillende soorten van overlast en criminaliteit. Er zijn verschillende organisaties die zich inzetten voor kwetsbare jongeren in de onmiddellijke omgeving gelegen. Vanwege de aanwezigheid van verschillende scholen en Park Spoor Noord is er eveneens veel passage van kinderen en jongeren hetgeen dagelijks duidelijk zichtbaar is. Het is belangrijk dat kwetsbare groepen zoals jongeren beschermd worden tegen de risico’s van het gokken. In de administratieve akte met het nummer 018386/23 van 24 juni 2023 maakt de politie melding van volgende locaties die in de nabijheid van het wedkantoor zijn gevestigd: XIV-39.927-5/20 • Novaplus stedelijk onderwijs – gelegen op 350 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor; • De Leerexpert – gelegen op 550 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor; • Wisper Antwerpen – gelegen op 600 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor; • Stedelijke basisschool De Toverboom – gelegen op 600 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor; • Artesis Plantijn Hogeschool campus spoor Noord – gelegen op 750 meter wandelstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor; • Buurtsport Antwerpen – gelegen op 57 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor; • Buurtwerking Elegast – gelegen op 300 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor; • Park Spoor Noord – gelegen op 500 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor; en • City Pirates Dam – gelegen op 750 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor. Met name de nabijheid van de secundaire onderwijsinstellingen en de campussen van de hogescholen doet zorgen baren. De school Novaplus stedelijk onderwijs ligt aan de rand van Park Spoor Noord en is gelegen op 350 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) en biedt onderwijs ASO, KSO, TSO en BSO aan voor de drie graden van de middelbare school. Wisper Antwerpen is een kunstacademie […] gelegen op 600 meter wandelafstand van het wedkantoor (geen vogelvlucht). Deze school biedt artistieke cursussen dans, theater, muziek, fotografie, beeldende kunsten en literatuur aan voor volwassenen vanaf 18 jaar. De Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen is gelegen op 750 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor. Deze hogeschool biedt diverse graduaten, postgraduaten en professionele en educatieve bachelors aan. De ligging van het wedkantoor nabij deze onderwijsinstelling volstaat op zich reeds om het convenant te weigeren op grond van artikel 43/5, 5° van de Kansspelwet. Dit wordt tevens bevestigd door rechtspraak van de Raad van State: ‘Te dezen vermeldt de bestreden beslissing de afstanden van de onderwijsinstellingen tot de kansspelinrichting en aldus doet zij blijken van een in concreto onderzoek. Het nabijheidsverbod voor onderwijsinstellingen wil de scholieren behoeden voor de verleiding om een speelautomatenhal op te zoeken omdat zij de inrichting niet ver verwijderd weten of omdat het slechts een minimale inspanning vergt om ze te bereiken. De concrete beoordeling van de nabijheid betreft ipso facto de aantrekkingskracht van de kansspelinrichting en van de inspanning om er te geraken. De gedetailleerde opgave van de afstand tot de kansspelinrichting voor wat onder meer een aantal onderwijsinstellingen betreft, volstaat om te gewagen van een aantrekkingskracht die van de kansspelinrichting op die scholieren uitgaat. (…) De verzoekende partij maakt ook niet aannemelijk dat de vermelde afstanden voldoende ruim zijn opdat de scholieren een zekere inspanning moeten doen om de kansspelinrichting te bereiken. Het motief betreffende de nabijheid van onderwijsinstellingen, dat de wettigheidstoetsing heeft doorstaan, volstaat op zich om de weigering van het gevraagde convenant te verantwoorden. (RvS, nr. 208.789 van 9 november 2010).” Bijkomend treft men tal van eetgelegenheden in deze omgeving ([…], …) hetgeen het frequenteren van de buurt bevordert en in de hand werkt dat men er langduriger verblijft. XIV-39.927-6/20 Daarenboven zijn er nog diverse ‘plaatsen waar jongeren gewoonlijk samenkomen’ in de onmiddellijke nabijheid gevestigd. Er zijn in de onmiddellijke omgeving verschillende organisaties gelegen die zich inzetten voor kwetsbare jongeren. Zo blijkt onder meer uit de administratieve akte dat het wedkantoor gelegen is op 57 meter wandelafstand van Buurtsport Antwerpen. Daarnaast is ook de buurtwerking Elegast gelegen op slechts 300 meter wandelafstand (geen vogelvlucht). Dit betreft een buurtwerking in Antwerpen- Noord die de solidariteit tussen mensen wenst te bevorderen: los van hun inkomen, sociale afkomst of nationaliteit. Ook Club De Grijze Kat, een vzw die zich middels buurtwerking inzet voor lokale kansarmen is om de hoek van het wedkantoor, met name op 52 meter wandelafstand gelegen. Daarnaast zijn ook verenigingen zoals scouts Amberes, chiro Dolfijn, een Afghaans jongerencentrum, Intensieve Kring regio Antwerpen binnen het bereik van 800 meter wandelafstand van het wedkantoor gelegen. Park Spoor Noord is eveneens in de onmiddellijke omgeving gelegen op 500 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor. Dit park is uitgegroeid tot een van de populairste plekken van Antwerpen. Het park wordt intensief gebruikt door buurtbewoners, sporters en verenigingen. Tot slot is ook City Pirates Dam gelegen op 750 meter wandelafstand (geen vogelvlucht) van het wedkantoor. Dit is een voetbalclub die zich eveneens sociaal engageert en via een laagdrempelige werking en interculturele dialoog voetbal toegankelijk wil maken voor iedereen. Met name de aanwezigheid in de onmiddellijke nabijheid, op slechts enkele minuten wandelen, van de kleuter, lagere maar vooral secundaire scholen, campussen van de hogeschool en plaatsen waar veel jongeren samenkomen is problematisch. Het gegeven dat het wedkantoor is gevestigd in een buurt met een zeer diverse en jonge bevolkingsgroep doet de aantrekkingskracht op jongeren die na schooltijd of voor of na hun vrijetijdsbesteding hier voorbijkomen, alleen maar vergroten. De nabijheid van elk van bovengenoemde plaatsen, waar tevens veel jongeren samenkomen, volstaat derhalve om het sluiten van het convenant te weigeren op grond van artikel 43/5, 5° van de Kansspelwet. Vanwege de nagestreefde sociale bescherming van jongeren betreft de vestigingsplaats van het wedkantoor aldus een ongeschikte locatie gezien de wet uitdrukkelijk verbiedt dat kansspelinrichtingen gelegen zijn in de buurt van plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht. Dit wordt ook uitdrukkelijk door de Raad van State bevestigd: ‘Tevergeefs brengt verzoekster tegen die beoordeling in dat er dan blijkbaar geen enkele locatie in het centrum van Kortrijk aan de voorwaarden voor het sluiten van een convenant kan voldoen. Daargelaten de feitelijke juistheid hiervan, gaat verzoekster er blijkbaar van uit dat een kansspelinrichting in het centrum mogelijk moet zijn. De Raad van State is geen dergelijk voorschrift bekend. Daarentegen bestaat er wel een wetsvoorschrift dat kansspelinrichtingen in de buurt van plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, verbiedt. (…) Wanneer dan ook de weigering op dat motief berust volstaat het ten aanzien van de formele-motiveringseis dat de prohibitieve nabijheid afdoende met redenen wordt omkleed. Te dezen is daaraan voldaan. Immers preciseert de bestreden beslissing welke door het voorschrift bedoelde inrichtingen of plaatsen te dicht bij de vestigingsplaats van verzoekster gelegen zijn en waarom, namelijk op welke afstand ze zich ten opzichte van de kansspelinrichting (slechts) bevinden.’ (RvS nr. 197.781 van 13 november 2009). Het is immers net deze groep van jongeren die de wetgever wil beschermen, en terecht. De fysieke nabijheid of makkelijke beschikbaarheid van gokgelegenheden XIV-39.927-7/20 – in casu in het hart van de Antwerpse binnenstad – verhoogt de participatie aan gokken bij de bewoners uit de buurt. Zij zullen ook meer geld uitgeven aan gokspelen. Alsook de prevalentie van problematisch gokgedrag neemt toe (Vasiliadis, Jackson, Christensen & Francis, 2013; St-Pierre, Walker, Derevensky & Gupta, 2014), zeker bij jongeren. Onderzoek toont immers aan dat het in contact komen met middelen of verslavende gedragingen op jonge leeftijd, het risico op verslaving op latere leeftijd verhoogt. Dit heeft te maken met de ontwikkeling van de hersenen: hoe eerder iemand begint, hoe meer invloed dit heeft op de ontwikkeling van de hersenen, hoe impulsiever iemand wordt, wat dan weer de kans op verslaving verhoogt. Het aantal uitsluitingen bij de Kansspelcommissie is al jaren in stijgende lijn aan het verlopen. (Kansspelcommissie, 2021). Dit duidt op een toenemend aantal mensen die aangeven (of door bewindvoerders, belanghebbenden, enzovoort) problemen te ervaren met hun gokgedrag. Als er bovendien geweten is dat het gros van de opbrengsten van sportweddenschappen offline wordt gegenereerd (Kansspelcommissie, 2021), is het noodzakelijk tegenwoordig extra alert te zijn voor de risico’s indien wedkantoren gesitueerd zijn in een buurt waarin veel kwetsbare personen, zoals jongeren, aanwezig zijn. Gelet op het geheel van deze omstandigheden is er geen enkele reden om af te wijken van de wettelijke nabijheidsregels. Door de aanvrager wordt thans op geen enkele wijze verduidelijkt hoe kan worden geremedieerd aan deze nabijheidsrisico’s. De aanwezigheid van tal van kwetsbare inrichtingen in de omgeving van het wedkantoor betreffen concrete lokale omstandigheden die de stad Antwerpen ertoe dwingen om het afsluiten van een convenant met de [verzoekende partij] voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse IV, […] gelegen aan […] te 2060 Antwerpen te weigeren.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Vooraf
- Het past om eerst het tweede middel te beoordelen dat hoofdzakelijk betrekking heeft op het eerste weigeringsmotief. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (de artikelen 10 en 11 van de Grondwet), de artikelen 43/4, §1, vierde lid, en 43/5, eerste lid, 5 en 6, van de wet XIV-39.927-8/20 van 7 mei 1999, de formele- en materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. In dit middel betoogt zij in essentie dat de verwerende partij “de toetsing aan de wettelijke voorziene criteria op kennelijk foutieve, minstens kennelijk onzorgvuldige en onredelijke wijze doorvoert” in zoverre in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de ligging nabij de aangehaalde “onderwijsinstellingen” reeds volstaat om het convenant te weigeren. Bovendien schendt de verwerende partij volgens haar het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel door op andere locaties wel convenanten goed te keuren terwijl er zich aantoonbaar onderwijsinstellingen (met name secundaire scholen) op dezelfde of kortere afstand bevinden dan in de voorliggende zaak. Het lid van het auditoraat vat de toelichting bij het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, als volgt samen in haar verslag: “In dat verband wijst verzoekster erop dat verweerster in de bestreden beslissing melding maakt van (1.) Novaplus stedelijk onderwijs op 350m; (2.) De Leerexpert op 550m; (3.) Wisper Antwerpen op 600m; (4.) Stedelijke Basisschool De Toverboom op 600m; en (5.) Artesis Plantijn Hogeschool op 750m. Al deze locaties zouden door verweerster gekwalificeerd worden als “onderwijsinstellingen” in de zin van de wet van 7 mei 1999, maar verweerster verliest hierbij uit het oog dat de wetgever met dit begrip “niet zomaar elke school” heeft bedoeld, “maar met name scholen waar een grote aanwezigheid van scholieren te vinden is, dus jongeren die zich situeren in de voor de gokproblemen “kwetsbare” leeftijdscategorie”. Volgens verzoekster dienen de locaties (2.) en (4.) om die reden alvast te worden uitgesloten. M.b.t. de locatie (3.) meent ze dat verweerster hiervan moet aantonen dat dit een plaats is die vooral door jongeren wordt bezocht maar dat ze dit niet doet. M.b.t. de locatie (5.) benadrukt ze dat dit een hogeschool is (en geen secundaire school en dat deze “op bijna een kilometer afstand [ligt]” en m.b.t. de enige overblijvende secundaire school (1.) meent ze dat verweerster moet aantonen waarom de ligging van deze school “die van het Damplein afgescheiden wordt door Park Spoor Noord, een onaanvaardbaar risico zou vormen, zodat scholieren “direct” bij het wedkantoor zouden uitkomen”. Terloops merkt verzoekster nog op dat wat de nabijheid van jeugdbewegingen betreft (voor zover dit al plaatsen zouden zijn die hoofdzakelijk door “jongeren” worden bezocht (en niet door kinderen)) verweerster in de bestreden beslissing niet motiveert waarom dit bv. niet zou kunnen worden ondervangen door aangepaste openingsuren op zondag. XIV-39.927-9/20 En er is meer. Ook hier zou verweerster in strijd met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel handelen. Zo zou uit recent afgesloten convenanten (d.z. dezelfde voorbeelden als de voorbeelden uit het eerste middel) blijken dat voor andere wedkantoren op het grondgebied van verweerster er secundaire scholen op gelijkaardige of zelfs op kortere afstand van het wedkantoor liggen. Ze verwijst hiervoor opnieuw naar de stukken met nrs. 6 t.e.m. 8 uit haar stukkenbundel.
- Het lid van het auditoraat vat de essentie van de argumentatie van de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord als volgt samen in haar verslag: “5.2.1.
- Verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord nog dat verweerster zelf aangeeft dat het begrip ‘nabijheid’ in de courante betekenis van het woord moet worden begrepen, waarbij een geringe afstand bedoeld wordt, rekening houdend met de concrete lokale omstandigheden. Het is evident dat de concrete lokale omstandigheden van een grootstad als Antwerpen in casu in aanmerking moeten worden genomen en dat maakt h.i. dat een afstand tussen 350 en 750m niet nabij is omdat de kans dat scholieren vanop deze afstand systematisch naar het wedkantoor zouden afzakken bijzonder minimaal is (gelet op de veelheid aan instellingen op een relatief kleine oppervlakte). Ze benadrukt daarbij ook nog dat verweerster uitgaat van een veel te brede invulling van het begrip ‘onderwijsinstelling’. Enkel ‘scholen waar een grote aanwezigheid van (middelbare) scholieren te vinden is’ kunnen volgens verzoekster onder dit begrip vallen.”
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat indien het standpunt zoals uiteengezet in het auditoraatsverslag zou worden gevolgd, dit ertoe zou leiden dat geen enkel convenant nog goedgekeurd zou worden in een stedelijke omgeving omdat in een stedelijke omgeving er zich zo goed als altijd een school op minstens 500-1000 m afstand bevinden. De aanwezigheid van een groot park als buffer tegenover de dichtstbij gelegen school is volgens haar wel degelijk pertinent. Bovendien toont de verwerende partij niet aan welk onaanvaardbaar risico aan de aanwezigheid van Novaplus verbonden zou zijn. Haar argument inzake “doorwaardbaarheid” van het park wordt bovendien pas voor de eerste keer opgeworpen in de memorie van antwoord en kan dus niet post factum gebruikt worden om de beslissing alsnog te onderbouwen. Zij herhaalt voorts dat uit de rechtspraak duidelijk blijkt dat niet elke school in rekening kan worden gebracht bij de beoordeling door de gemeentelijke overheid en dat de verwerende partij haar XIV-39.927-10/20 appreciatiebevoegdheid dient te beperken tot scholieren, zijnde een specifieke categorie jongeren die de wetgever in het bijzonder heeft willen beschermen tegen de verleiding om een speelautomatenhal op te zoeken omdat zij de inrichting niet ver verwijderd weten of omdat het slechts een minimale inspanning vergt om ze te bereiken. Beoordeling
- Artikel 43/4, § 1, vierde lid, van de wet van 7 mei 1999 kent aan de gemeente een discretionaire bevoegdheid toe die onder meer betrekking heeft op de beoordeling van de plaats waar een kansspelinrichting kan worden gevestigd. Op grond van voormelde bepaling moet de exploitatie van een vaste kansspelinrichting klasse IV immers geschieden krachtens een convenant dat “voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater” waarin wordt bepaald “waar de kansspelinrichting wordt gevestigd”, alsook waarbij “de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, de openings- en sluitingsdagen […] en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt” worden vastgesteld. De beoordelingsbevoegdheid van de gemeente houdt in wezen in dat op grond van een in concreto onderzoek van de eigen en particuliere omstandigheden van elke zaak, geval per geval wordt uitgemaakt of al dan niet een convenant kan worden gesloten. Naar luid van artikel 43/5, eerste lid, punt 5, van de wet van 7 mei 1999 moet de aanvrager om een vergunning klasse F2 te kunnen verkrijgen “ervoor zorgen dat de kansspelinrichting klasse IV niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, zulks behoudens met redenen omklede afwijking die door de gemeente wordt toegestaan”. Het nabijheidsverbod voor onderwijs- instellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, strekt ertoe bepaalde kwetsbare categorieën van personen te beschermen tegen de verleiding om een wedkantoor op te zoeken omdat zij de inrichting niet ver verwijderd weten of omdat het slechts een minimale inspanning vergt om ze te bereiken. XIV-39.927-11/20 De weigering om een convenant te sluiten wegens de nabijheid van plaatsen en inrichtingen overeenkomstig het aangehaalde artikel 43/5 van de wet van 7 mei 1999, komt aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991 tegemoet wanneer de over de aanvraag genomen beslissing uitdrukkelijk aangeeft op grond van welke gegevens het gemeentebestuur, na een in concreto onderzoek en afweging, tot de prohibitieve nabijheid heeft besloten.
- In dit geval wordt er in de bestreden beslissing op gewezen dat “de voorgenomen inrichting […] gevestigd [is] te 2060 Antwerpen en […] gelegen [is] in een gedeelte van de stad waar de leefbaarheid reeds onder druk staat door verschillende soorten van overlast en criminaliteit. Er zijn verschillende organisaties die zich inzetten voor kwetsbare jongeren in de onmiddellijke omgeving gelegen. Vanwege de aanwezigheid van verschillende scholen en Park Spoor Noord is er eveneens veel passage van kinderen en jongeren hetgeen dagelijks duidelijk zichtbaar is. Het is belangrijk dat kwetsbare groepen zoals jongeren beschermd worden tegen de risico’s van het gokken.” De weigeringsbeslissing is op decisieve wijze gestoeld op een in concreto onderzoek van de nabijheid van het wedkantoor waarbij wordt vastgesteld dat “met name de nabijheid van de secundaire onderwijsinstellingen en de campussen van de hogescholen zorgen [doet] baren”. In het bijzonder wordt verwezen naar “de school Novaplus stedelijk onderwijs” die “onderwijs ASO, KSO, TSO en BSO aan[biedt] voor de drie graden van de middelbare school, gelegen “aan de rand van Park Spoor Noord en […] op 350 meter wandelafstand”, naar “Wisper Antwerpen”, een kunstacademie, welke “school […] artistieke cursussen dans, theater, muziek, fotografie, beeldende kunsten en literatuur aan[biedt] voor volwassenen vanaf 18 jaar,” gelegen “op 600 meter wandelafstand van het wedkantoor” en de “Artemis Plantijn Hogeschool Antwerpen”, die “diverse graduaten, postgraduaten en professionele en educatieve bachelors aan[biedt], gelegen “op 750 meter wandelafstand”. Daarbij wordt opgemerkt dat “de ligging van het wedkantoor nabij deze onderwijsinstelling[en] […] op zich reeds [volstaat] om het convenant te weigeren op grond van artikel 43/5,5° van de Kansspelwet”. XIV-39.927-12/20
- In de bestreden beslissing wordt er aldus op gewezen dat de vestigingsplaats zich in de nabijheid van drie onderwijsinstellingen bevindt, waarbij vervolgens wordt gepreciseerd om welke inrichtingen het concreet gaat en op welke wandelafstand deze inrichtingen ten opzichte van de vooropgestelde vestigingsplaats zijn gelegen. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat de formele motivering van de beslissing die op de nabijheid steunt, gebrekkig is nu daarin zomaar verwezen wordt naar een “vermeende nabijheid”, mist het feitelijke grondslag.
- De verzoekende partij betwist niet dat “de school Novaplus” een onderwijsinstelling is in de zin van artikel 43/5, eerste lid, punt 5, van de wet van 7 mei
- Zij toont evenmin aan dat de “Artemis Plantijn Hogeschool” en de kunstacademie “Wisper Antwerpen” geen onderwijsinstellingen zouden zijn in de zin van diezelfde bepaling. In zoverre de verzoekende partij betoogt dat de verwerende partij bij de beoordeling van de nabijheid van onderwijsinstellingen enkel rekening zou mogen houden met de aanwezigheid van secundaire scholen, voegt zij een beperking toe aan het nabijheidscriterium die niet blijkt uit de tekst van de voormelde wetsbepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan. Voorts gaat de verzoekende partij eraan voorbij dat ook instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die studiebewijzen uitreiken, aan te merken zijn als onderwijsinstellingen. Bovendien vormen onderwijsinstellingen naar luid van artikel 43/5, eerste lid, punt 5, van de wet van 7 mei 1999 een afzonderlijke categorie van te beschermen inrichtingen die onderscheiden moeten worden van “plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht”. Overigens betwist de verzoekende partij niet dat eveneens opleidingen worden aangeboden aan jongeren en jongvolwassenen. XIV-39.927-13/20
- Wat de ligging van de drie voormelde onderwijsinstellingen ten opzichte van het wedkantoor betreft, wordt in het auditoraatsverslag het volgende vastgesteld: “Met verweerster kan alvast worden opgemerkt dat hoewel er in de bestreden beslissing sprake is van een afstand van 750 meter tussen de Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen en het wedkantoor, deze afstand in werkelijkheid slechts 700 meter bedraagt (en dus zeker geen kilometer zoals verzoekster verkeerdelijk aangeeft). Eenzelfde opmerking kan overigens worden gemaakt voor wat betreft de in de bestreden beslissing vermelde afstand tussen Wisper Antwerpen en het wedkantoor, die in werkelijkheid slechts 550 meter bedraagt terwijl er in de bestreden beslissing sprake is van 600 meter.” Dit wordt door de verzoekende partij in haar laatste memorie niet betwist. Wel betwist zij dat deze onderwijsinstellingen, gelegen op een wandelafstand van 350, 550 en 700 meter, behoren tot de nabijheid van het wedkantoor. Wat nabijheid van de middelbare school Novaplus betreft, gelegen aan de rand van Park Spoor Noord en op 350 meter wandelafstand, toont de verzoekende partij niet aan dat de verwerende partij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden door aan te nemen dat het wedkantoor een te grote aantrekkingskracht zou uitoefenen op de scholieren. Uit de bestreden beslissing blijkt ook dat de verwerende partij de aanwezigheid van Park Spoor Noord daarbij geenszins ziet als een “buffer” maar veeleer als een aantrekkingspool voor jongeren, wat de aantrekkingskracht van het wedkantoor nog vergroot, hetgeen de grenzen van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten gaat. Uit artikel 43/5 van de wet van 7 mei 1999 blijkt voorts niet dat het begrip “nabijheid” zo geïnterpreteerd moet worden dat enkel onderwijs- instellingen, ziekenhuizen en voornamelijk door jongeren bezochte plaatsen die gelegen zijn op een afstand van maximaal 500 meter van de kansspelinrichting bij de beoordeling van de aanvraag tot het sluiten van een convenant betrokken mogen worden. Bijgevolg komt het, zonder afbreuk te doen aan het wettigheidstoezicht XIV-39.927-14/20 van de rechter, aan de lokale besturen toe om het begrip “in de nabijheid” verder in te vullen rekening houdend met alle relevante plaatselijke omstandigheden. Ter zake bevat de bestreden beslissing een bijzondere motivering waarin onder meer wordt uiteengezet dat het wedkantoor gelegen is “in een gedeelte van de stad waar de leefbaarheid reeds onder druk staat door verschillende soorten van overlast en criminaliteit”, dat het wedkantoor gelegen is in een regio waarin veel “kwetsbare jongeren” komen en dat er “[v]anwege de aanwezigheid van verschillende scholen en Park Spoor Noord” in deze regio “eveneens veel passage [is] van kinderen en jongeren” en dat dit “dagelijks duidelijk zichtbaar is”. In het licht van de in de bestreden beslissing aangehaalde relevante plaatselijke omstandigheden wat de invulling van het begrip “nabijheid” betreft, gaat de verwerende partij de grenzen van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten door ook onderwijsinstellingen op een afstand van 550 en 700 meter van het wedkantoor bij haar beoordeling te betrekken.
- Uit wat voorafgaat volgt dat niet blijkt dat de verwerende partij de juridische draagwijdte van de artikelen 43/4, § 1, en 43/5, eerste lid, punt 5, van de wet van 7 mei 1999 heeft miskend. De draagwijdte van deze rechtsbepalingen brengt mee dat de weigering om een convenant te sluiten op grond van de vaststelling dat in de nabijheid van het wedkantoor drie onderwijsinstellingen gelegen zijn die door de voormelde wet als kwetsbaar moeten worden aangemerkt, niet doet blijken van een wanverhouding die met toepassing van het redelijkheidsbeginsel moet worden gesanctioneerd. De verzoekende partij toont evenmin aan dat de bestreden beslissing aldus niet met de vereiste zorgvuldigheid werd genomen.
- In zoverre de verzoekende partij nog doet gelden dat de verwerende partij met de bestreden beslissing het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, wordt in herinnering gebracht dat het gelijkheidsbeginsel inhoudt dat een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen - of een gelijke behandeling van niet-vergelijkbare gevallen - verboden is, tenzij daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Wanneer de schending van het XIV-39.927-15/20 gelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd, komt het aan de verzoekende partij toe voldoende concrete elementen aan te brengen die het mogelijk maken te onderzoeken of zij inderdaad ongelijk behandeld wordt ten aanzien van anderen die in een gelijke of minstens gelijkaardige situatie verkeren. Zij moet daarbij, in de eerste plaats, de vergelijkbaarheid aantonen van haar eigen situatie met die van anderen en vervolgens aantonen waarom de verschillende behandeling daarvan een discriminatie uitmaakt. In wezen meent de verzoekende partij dat zij verschillend werd behandeld doordat de verwerende partij in “vergelijkbare gevallen” waarbij “er zich aantoonbaar onderwijsinstellingen (met name secundaire scholen) op dezelfde of kortere afstand bevinden dan in huidig dossier” toch een convenant heeft gesloten. De verzoekende partij laat echter na voldoende concrete elementen aan te brengen die het mogelijk maken te onderzoeken of zij inderdaad ongelijk behandeld wordt ten aanzien van anderen die in een gelijke of minstens gelijkaardige situatie verkeren nu zij enkel de gesloten convenanten als stavingsstuk neerlegt, maar de goedkeuringsbeslissingen en de motieven waarop zij steunen ontbreken. Het enkele gegeven dat de verwerende partij in andere buurten wel convenanten heeft gesloten met wedkantoren die zich bevinden in de nabijheid van secundaire scholen, toont op zich niet aan dat er sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel nu het begrip “nabijheid” moet worden beoordeeld ten aanzien van de concrete lokale omstandigheden, waarbij het aan de aanvrager toekomt aan te tonen dat er redenen zijn voor een bijzondere afwijking. Bovendien beschikt de stad ook over de mogelijkheid om convenanten te verlenen met toepassing van de door artikel 43/5, eerste lid, punt 5, van de kansspelwet bepaalde mogelijkheid om een met redenen omklede afwijking van het nabijheidsverbod toe te staan.
- De ligging van het wedkantoor in de nabijheid van de drie voormelde onderwijsinstellingen volstaat te dezen om het sluiten van het gevraagde convenant te weigeren. XIV-39.927-16/20 In die omstandigheden is het niet nodig ook de kritiek op het motief aangaande de nabijheid van andere onderwijsinstellingen en de nabijheid van jeugdbewegingen te onderzoeken. De kritiek op overtollige weigerings- motieven kan immers niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
- Het tweede middel is niet gegrond. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 43/4, §1, vierde lid, en 43/5, eerste lid, 5 en 6, van de wet van 7 mei 1999, de formele- en materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Zij betoogt in essentie dat de verwerende partij op een onwettige wijze uitgaat van een ruimere toetsingsbevoegdheid dan wettelijk voorzien is doordat zij zich niet beperkt tot “onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en/of plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht”. Volgens de verzoekende partij oefent de verwerende partij haar toetsingsbevoegdheid ook op kennelijk ongelijke wijze uit nu uit recente convenanten blijkt dat voor andere wedkantoren in de stad Antwerpen de nabijheid van parken, buurtwerkingen, jeugdbewegingen enzovoorts geen enkele belemmering tot goedkeuring vormde. Het lid van het auditoraat vat de toelichting bij het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, als volgt samen in haar verslag: “Verzoekster hekelt in het bijzonder de vaststelling dat verweerster haar weigeringsbeslissing (mede) laat steunen op een algemene afweging van sociale risico’s, armoede- en drugsbeleid, alsook op het gegeven dat het wedkantoor in de nabijheid is gelegen van o.m. Buurtsport Antwerpen, Buurtwerking Elegast, Park Spoor Noord, City Pirates Dam (voetbalclub), Club De Grijze Kat (buurtwerking kansarmen), Scouts en Chiro, een niet XIV-39.927-17/20 nader genoemd Afghaans jongerencentrum, Intensieve Kring Regio Antwerpen en diverse eetgelegenheden. Deze locaties kunnen h.i. geenszins gekwalificeerd worden als zijnde plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht omdat ze ofwel “veeleer voor kinderen dan voor jongeren bedoeld zijn” ofwel “evenzeer -of zelfs veel meer- door volwassenen bezocht worden dan door jongeren”. Maar er is meer. Volgens verzoekster oefent verweerster -los van de rechtmatigheid van een “bredere” toetsing dan wettelijk voorzien- deze toetsing ook nog eens op kennelijk ongelijke wijze uit. Uit recent afgesloten convenanten zou immers blijken dat voor andere wedkantoren op het grondgebied van verweerster “de nabijheid van parken, buurtwerkingen, jeugdbewegingen etc. geen enkele belemmering tot goedkeuring vormde”. Ze verwijst hiervoor naar de stukken met nrs. 6 t.e.m. 8 uit haar stukkenbundel.”
- Het lid van het auditoraat vat de essentie van de argumentatie van de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord als volgt samen in haar verslag: “Verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord nog dat de beoordelingsbevoegdheid van verweerster inzake de nabijheid zich dient te beperken tot onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en/of plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht. Voorts stelt ze dat ze niet ontkent dat elk aanvraagdossier een aparte beoordeling vereist, maar die beoordeling dient dan wel het gevolg te zijn van zorgvuldige besluitvorming en zorgvuldige dossierstudie. Het gaat niet op om in sommige gevallen voor wedkantoren die zich vlakbij lokalen van jeugdverenigingen, parken, etc. … bevinden wel een convenant af te sluiten, maar in andere gelijkaardige gevallen niet. Voor dit verschil in behandeling dient een deugdelijke verantwoording voor te liggen en dat blijkt in casu niet het geval te zijn.”
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat het eerste middel wel degelijk ontvankelijk is aangezien, zoals blijkt uit haar repliek inzake het tweede middel, de motivering van de verwerende partij inzake onderwijsinstellingen geenszins volstaat om de bestreden beslissing op zich te schragen. Zij herhaalt voorts dat verwerende partij niet beschikt over de wettelijke bevoegdheid, noch discretionaire vrijheid om parken, jeugdverenigingen, sportverenigingen, enz. zomaar onder de noemer “plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht” te brengen en volhardt in de argumentatie die zij reeds opwierp in haar verzoekschrift en memorie van wederantwoord. XIV-39.927-18/20 Beoordeling
- Uit de beoordeling van het tweede middel is gebleken dat het motief waarbij het sluiten van het convenant wordt geweigerd omwille van de nabijheid van de drie voormelde onderwijsinstellingen overeind blijft en volstaat om de bestreden beslissing te dragen. Bijgevolg heeft de verzoekende partij geen belang bij de kritiek die zij in het eerste middel doet gelden op het gegeven dat de verwerende partij haar weigeringsbeslissing mede laat steunen op een algemene afweging van sociale risico’s armoede- en drugsbeleid, alsook op het gegeven dat het wedkantoor in de nabijheid is gelegen van onder meer Buurtsport Antwerpen, Buurtwerking Elegast, Park Spoor Noord, City Pirates Dam (voetbalclub), Club De Grijze Kat (buurtwerking kansarmen), Scouts en Chiro, een niet nader genoemd Afghaans jongerencentrum, Intensieve Kring Regio Antwerpen en diverse eetgelegenheden, omdat het overtollige motieven betreft. De gebeurlijke gegrondheid van de kritiek op deze motieven kan niet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing.
- Het eerste middel is niet-ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-39.927-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.927-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.738 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.