id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.739 Rolnummer: A. 243746/XII-10016 Zaak: Arrest 266739 - Wapens – exportvergunningen - 20/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-29 Raadplegingen: 12 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Fiche Arrest nr 266.739 van 20 mei 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 266.739 van 20 mei 2026 in de zaak A. 243.746/XII-10.016 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Wiemeersch kantoor houdend te 9200 Dendermonde Fabriekstraat 47/A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 3000 Leuven Bondgenotenlaan 155A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(2022)als in een verder verleden (2008 en 2012) veroordeeld voor intoxicatie aan het stuur, wat wijst op een wederkerend probleem. Het wijst er ook op dat u geen lessen trekt uit uw fouten. Integendeel, u projecteert deze drie veroordelingen op 15 jaar tijd op de gehele tijdspanne waarbinnen u houder was van een rijbewijs (48 jaar) en concludeert hieruit dat dit derhalve niet onrustwekkend is. Uit dit gedrag blijkt nochtans onmiskenbaar een gebrek aan zelfbeheersing en verantwoordelijkheidszin, Het gegeven dat de politie wel bereid is om u opnieuw het vertrouwen m.h.o. op wapenbezit te geven, doet hieraan geen afbreuk. De politie baseert zich op uw meewerkend gedrag, het gegeven dat er sinds 2022 geen nieuwe feiten bekend zijn alsook een gesprek en een buurtonderzoek. Desalniettemin blijkt dat er tussen uw voorgaande veroordelingen wegens alcoholintoxicatie aan het stuur (2008 en 2012) ook meer dan twee jaren verstreken waren, en dat derhalve te vrezen valt dat er nog inbreuken zullen volgen. Echter, in geval van vuurwapenbezit is het verderzetten van een gedrag waarin onaangepast alcoholgebruik onnodige risico’s met zich meebrengt, onaanvaardbaar. Met dergelijk gedrag zet u derhalve het vertrouwen dat in u moet kunnen worden gesteld om vuurwapens voorhanden te houden volledig op de helling. Het is in die context dat uw vraag om uitzonderlijk vuurwapens voorhanden te mogen houden om een hobby te beoefenen, moet worden gekaderd. Het gegeven dat u op heden gunstige bloedresultaten (CDT-testen) kan voorleggen, doet hieraan geen afbreuk. Er wordt niet beweerd dat u een alcoholprobleem heeft aangezien het bewijs daarvan zoals gezegd zeer moeilijk te leveren is. Er wordt enkel vastgesteld dat u meer dan eens heeft geopteerd om onder invloed van alcohol een gemotoriseerd voertuig te besturen en dat zulks blijk geeft van onnodig risicovol gedrag. Dergelijk risicovol gedrag is zeer problematisch ingeval van wapenbezit. Op grond hiervan moet dan ook vastgesteld worden dat particulier vuurwapenbezit in uw hoofde een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid, in bezit zijnde van vuurwapens wordt het potentieel gevaar onaanvaardbaar vergroot. […].” XII-10.016-7/13 IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 4. Het enig middel is genomen uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële- en de formelemotiveringsplicht en het “verdedigingsbeginsel”. Verzoeker voert in wezen aan dat de verwerende partij geen, of minstens onvoldoende, rekening heeft gehouden met de relevante feitelijke gegevens waaruit blijkt dat het vuurwapenbezit in casu geen gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid. Hij richt inzonderheid het verwijt tot de verwerende partij dat zij heeft nagelaten alle feitelijke elementen, zoals die door hem zijn bijgebracht, grondig te onderzoeken. Volgens hem blijkt uit de bestreden beslissing dat de verwerende partij steevast verwijst naar dezelfde gegevens om tot een “gevaar voor de openbare orde” te besluiten, terwijl het bestaan van het beweerde gevaar voor de openbare orde niet met precieze gegevens wordt onderbouwd. Voorts zet verzoeker uiteen dat hij sinds 1975 in het bezit is van een rijbewijs, dat hij jaarlijks als drankenhandelaar maar liefst 45.000 tot 50.000 km aflegt met de wagen, dat hij in een tijdsbestek van 49 jaar slechts driemaal veroordeeld werd wegens alcoholintoxicatie en nooit voor dronkenschap of alcoholmisbruik achter het stuur en dat de verkeersovertredingen moeten worden beoordeeld in het licht van deze specifieke feitelijke omstandigheden. Volgens verzoeker gaat het bovendien om oude veroordelingen. Hij beklemtoont dat (
- i)hij nooit werd veroordeeld voor geweld of wapeninbreuken, (
- ii)de politie, meerdere artsen en een psychologe een gunstige beoordeling hebben uitgebracht, (iii) uit verschillende recente bloedonderzoeken blijkt dat er geen sprake is van een problematisch alcoholgebruik (CDT-waarden onder 2 %), (iv), hij als schadevrije bestuurder geniet een levenslange bonus-malus -2, en hij als ‘directeur de tir’ bij een kleiduifschuttersclub garant staat voor een veilige omgang met vuurwapens. XII-10.016-8/13 5. In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker nog toe dat hij intussen met pensioen is en dus niet langer werkzaam in de drankenhandel, zodat het risico op het alcoholgeïntoxiceerd besturen van een motorvoertuig drastisch is geslonken, zo niet onbestaande is. 6. Verzoeker laat in zijn laatste memorie gelden dat de feiten die worden ingeroepen om de intrekking te verantwoorden van het recht om vuurwapens voorhanden te houden, actueel moeten zijn, wat betekent dat zij moeten doen blijken van een potentieel risico voor de openbare orde en dat, indien minder recente feiten in aanmerking worden genomen, een “verder individueel onderzoek” nodig is. In zijn geval is dit onderzoek positief gelet op het gunstig advies van de lokale politie en de gunstige medische verslagen. Tot slot merkt verzoeker nog op dat “het van algemene bekendheid [is] dat de provinciegouverneur van Antwerpen […] veel strenger is dan de provinciegouverneur van Oost-Vlaanderen”, zodat hij het slachtoffer is van een “discriminatoire benadering van een individueel wapendossier”. Beoordeling 7. In zoverre verzoeker voor het eerst in zijn laatste memorie gewag maakt van een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, komt die kritiek neer op een laattijdige uitbreiding van het middel. Het middel is in die mate niet ontvankelijk. 8. De rechten van verdediging, door verzoeker omschreven als het “verdedigingsbeginsel”, zijn – behoudens een andersluidende bepaling – slechts van toepassing ten aanzien van bestraffende maatregelen. Aangezien de bestreden beslissing geen bestraffend maar een preventief oogmerk heeft, kunnen de rechten van verdediging als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, niet geschonden zijn door de verwerende partij. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. XII-10.016-9/13 Waar verzoeker de formelemotiveringsplicht aanduidt als een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, geldt eveneens de vaststelling dat het middel steunt op een foutieve rechtsopvatting. 9. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat het recht op wapenbezit van verzoeker wordt ingetrokken ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Meer bepaald vormen de herhaalde veroordelingen van verzoeker wegens het besturen van een motorvoertuig onder invloed van alcohol voor de verwerende partij een reden om hem het vuurwapenbezit voortaan te ontzeggen. Concreet verwijst de bestreden beslissing naar drie strafrechtelijke veroordelingen wegens intoxicatie achter het stuur, respectievelijk door de politierechtbank te Antwerpen op 17 januari 2008, de correctionele rechtbank te Dendermonde op 24 oktober 2012 en de politierechtbank te Antwerpen op 3 mei 2022. 10. Overeenkomstig de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: wapenwet) kan de provinciegouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene de wapenvergunning – respectievelijk het recht om een wapen voorhanden te hebben – bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren. Het gaat om preventieve maatregelen die een gevaar voor de openbare orde moeten voorkomen. Met betrekking tot de beoordeling van het gevaar dat de betrokkene inhoudt voor de openbare orde, beschikken de provinciegouverneur en ook de minister van Justitie, die zich hierover in beroep dient uit te spreken op grond van artikel 30 van de wapenwet, over een ruime discretionaire bevoegdheid. Zij kunnen uit bepaalde feiten afleiden dat het vuurwapenbezit de openbare orde kan verstoren. Het is in dit verband niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Evenmin is vereist dat de betrokkene veroordeeld is voor een misdrijf. Feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van het XII-10.016-10/13 wapen door de betrokkene de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan, zijn voldoende. 11. Te dezen staat vast dat verzoeker herhaaldelijk werd veroordeeld wegens alcoholintoxicatie achter het stuur. Op grond van de vaststelling dat die veroordelingen dateren van 2008, 2012 en 2022, heeft de verwerende partij terecht kunnen concluderen dat het gaat om een “wederkerend probleem” dat in hoofde van verzoeker wijst op een “gebrek aan zelfbeheersing en verantwoordelijkheidszin”. Het gegeven dat de twee oudste veroordelingen teruggaan tot 2008 en 2012, neemt niet weg dat de drie veroordelingen samen wijzen op een persistent gedrag dat, zoals hierna zal blijken, onverenigbaar is met het vuurwapenbezit. 12. Het verlenen van het recht op wapenbezit is afhankelijk van het vertrouwen van de overheid dat de begunstigde van dat recht op geen enkel ogenblik een gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid. In casu heeft de verwerende partij binnen de grenzen van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid kunnen aannemen dat het vertrouwen in verzoeker ernstig aan het wankelen wordt gebracht door zijn “onaangepast alcoholgebruik” en dat zijn problematisch alcoholgebruik “onnodige risico’s met zich meebrengt” waardoor het voorhanden houden van vuurwapens een potentieel gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid. Verzoeker schat de risico’s voor de openbare orde en veiligheid weliswaar anders in of ontkent ze zelfs, maar daaruit volgt niet dat de beoordeling van de verwerende partij per se onwettig is. Een preventieve maatregel, zoals de intrekking van het recht om wapens voorhanden te houden, wordt immers genomen uit voorzorg, zodat op de verwerende partij niet de bewijslast rust om aan te tonen dat de openbare orde en veiligheid metterdaad in gevaar zal worden gebracht. 13. Het feit dat de lokale politie een gunstig advies heeft uitgebracht omdat er na de veroordeling van 2022 geen nieuwe feiten van alcoholintoxicatie of dronkenschap werden vastgesteld, doet niets af aan de conclusie van de verwerende XII-10.016-11/13 partij dat verzoeker als wapenbezitter niet langer het vereiste vertrouwen geniet. Evenmin doet het ter zake dat de alcoholintoxicatie niet werd vastgesteld tijdens de uitoefening van de jacht door verzoeker. Het potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid, in de zin van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wapenwet, is immers niet beperkt tot de gedragingen of tekortkomingen die rechtstreeks verband houden met het gebruik van het vuurwapen. Met de enkele omstandigheid dat hij slechts werd veroordeeld voor alcoholintoxicatie en niet voor dronkenschap achter het stuur, toont verzoeker niet aan dat de in het enig middel aangehaalde beginselen werden geschonden. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat hij beroepsmatig vaak op de baan was en het risico op alcoholintoxicatie achter het stuur sterk is verminderd na zijn pensionering. De verwerende partij heeft tot slot niet onzorgvuldig of onredelijk gehandeld door geen decisieve waarde te hechten aan de verklaring van zijn echtgenote over de afwezigheid van huiselijk geweld, de attesten van diverse artsen dat verzoeker in staat is om motorvoertuigen te besturen en vuurwapens te manipuleren, de resultaten van drie bloedonderzoeken, die verzoeker in 2023 heeft laten uitvoeren, die niet wijzen op een overmatig alcoholgebruik, de attesten van verzekeringsmaatschappijen die zouden wijzen op “een verantwoord en voorzichtig gedrag in het verkeer” en zijn (voorbeeld)functie in een kleiduifschietclub waarin hij geacht wordt kordaat op te treden tegen onveilige handelingen met wapens. 14. Het enig middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-10.016-12/13 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-10.016-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.739 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div