id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.756 Rolnummer: A. 247208/IX-10883 Zaak: Arrest 266756 - Varia (onderwijs en cultuur) - 22/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-06-04 Raadplegingen: 11 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Fiche Arrest nr 266.756 van 22 mei 2026 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping heropening debatten Verwijzing naar alg.rol Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.756 no lien 289412 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.756 van 22 mei 2026 in de zaak A. 247.208/IX-10.883 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jo Dereymaeker en Mieke Van Laer kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Van Ruusbroecstraat 76-78 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Niels Lemaire kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp
- Het verzoekschrift, ingediend op 30 januari 2026, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het bestuur Medische Expertise van de federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 1 december 2025 “waarbij verzoekster tijdelijk vervroegd op pensioen wordt gesteld omdat ze op medische gronden ongeschikt is, waarbij wordt bepaald dat haar medische ongeschiktheid niet het gevolg is van een zware handicap zoals bedoeld in de wet van 26.06.1992 houdende sociale en diverse bepalingen en waarbij haar ziekte niet wordt erkend als een ernstige en langdurige ziekte”. IX-10.883-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 3 februari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Auditeur Daniël Plas heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 17, § 4, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een aanvullende memorie ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jo Dereymaeker en Mieke Van Laer, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Niels Lemaire, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Daniël Plas heeft advies gegeven. IX-10.883-2/17 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is sinds 1 juli 2021 vast benoemd leerkracht in het secundair onderwijs. 3.
- Vanaf 28 september 2024 is verzoekster als gevolg van een recent bij haar vastgestelde aandoening in ziekteverlof. De ziektedagen waarop zij recht heeft, zijn op 5 november 2024 uitgeput. Verzoekster wordt derhalve vanaf dan ter beschikking gesteld wegens ziekte. 3.
- Op vraag van het agentschap voor Onderwijsdiensten ondergaat verzoekster op 24 januari 2025 een medisch onderzoek door het Medisch expertisecentrum voor arbeidsgeschiktheid (“MEVA”) van het bestuur Medische Expertise van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (“Medex”). Dat onderzoek leidt tot de beslissing van 10 februari 2025 van MEVA. Met betrekking tot de arbeidsgeschiktheid van verzoekster, wordt als volgt beslist: “Vanuit medisch standpunt vervult u momenteel niet de voorwaarden om vroegtijdig te worden gepensioneerd. U blijft echter nog tijdelijk ongeschikt om op normale en regelmatige wijze uw werkzaamheden te verrichten. U kunt opnieuw opgeroepen worden door het Medisch expertisecentrum voor arbeidsgeschiktheid (MEVA) op basis van een nieuwe aanvraag door uw bevoegde dienst […] over 6 maanden, d.w.z. vanaf 24/07/
- Deze beslissing weerhoudt u er evenwel niet van om spontaan het werk te hervatten zodra u zich in staat voelt om weer aan het werk te gaan (via ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.756 IX-10.883-3/17 normale of verminderde prestaties) of om een professioneel re- integratietraject aan te vragen.” “[M]et betrekking tot ernstige en langdurige ziekte” leest de beslissing als volgt: “De ziekte waaraan u leed op het ogenblik van het onderzoek wordt niet erkend als ernstige en langdurige ziekte zoals bedoeld wordt in de voor uw dienst geldende reglementering betreffende verloven en afwezigheden.” Verzoekster wordt nog erop gewezen dat, “[i]ndien [zij] niet akkoord gaat met de genomen beslissing”, zij “30 dagen de tijd [heeft] om beroep aan te tekenen”. Daarbij wordt nog gepreciseerd wat volgt: “Opgelet: Om geldig en ontvankelijk te zijn moet de eventuele beroepsakte aan de volgende voorwaarden voldoen: - ze moet worden ondertekend door een arts die uw verdediging op zich neemt; - ze moet vergezeld gaan van een omstandig medisch verslag waarin de beslissing van de arts van het MEVA wordt betwist; - ze moet (liefst aangetekend) worden verzonden uiterlijk op 12/03/2025.” Deze beslissing wordt aan verzoekster ter kennis gebracht met een bericht in eBox. 3.
- Hiertegen stelt verzoekster op 4 maart 2025 een administratief beroep in. Op 6 maart 2025 verklaart MEVA dat beroep onontvankelijk. Toegelicht wordt wat volgt: “In overeenstemming met wat er op het beroepsformulier en de huidige regelgeving vermeld staat, moet het omstandig medisch verslag dat bij het beroepsformulier gevoegd is, de beslissing die in eerste aanleg genomen is aanvechten met medische argumenten. Het omstandig medisch verslag voldoet niet aan deze verplichting.” Verzoekster bestrijdt deze beroepsbeslissing niet. IX-10.883-4/17 3.
- Op 14 maart 2025 dient verzoekster “de gevraagde documenten” in. Op 17 maart 2025 bevestigt MEVA de ontvangst van verzoeksters “beroepsakte” en wordt meegedeeld dat dit beroep “ontvankelijk” is. 3.
- Aan verzoekster wordt op 4 april 2025 een “voorstel van nieuwe beslissing” – die identiek is aan de beslissing waartegen beroep werd ingesteld – bezorgd. Tevens wordt haar meegedeeld dat wanneer zij “niet akkoord [gaat] met de nieuwe geformuleerde beslissing, [haar dossier] naar de scheidsrechterlijke arts- expert [zal] worden doorgestuurd voor de finale scheidsrechterlijke procedure”. Op 14 april 2025 meldt verzoekster niet akkoord te gaan met het voorstel en vraagt zij om een herziening. Dezelfde dag neemt MEVA nota van het niet-akkoord en wordt aangegeven dat de scheidsrechterlijke arts-expert verzoekster “nog [zal] oproepen voor een nieuw onderzoek”. 3.
- Dat nieuwe onderzoek vindt plaats op 1 oktober 2025 en leidt tot de beslissing van 1 december 2025 waarbij de scheidsrechterlijke arts-expert als volgt oordeelt: “Beslissing met betrekking tot de arbeidsgeschiktheid U bent op medische gronden ongeschikt voor elke functie. U vervult daarom de voorwaarden om tijdelijk vervroegd te worden gepensioneerd. Dit pensioen gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de eerste betekening van de beslissing tot oppensioenstelling, met andere woorden op 01/01/
- U hebt het recht om zelf een nieuw onderzoek aan te vragen vanaf zes maanden na het vorige onderzoek, d.w.z. vanaf 01/06/
- In ieder geval is een nieuw onderzoek nodig vooraleer u het werk kunt hervatten. Opgelet: De maximale duur van het tijdelijk vervroegd pensioen bedraagt 36 maanden. Indien onze artsen uiterlijk op 31 december 2027 niet opnieuw hebben beslist dat u terug naar het werk moet, wordt het tijdelijk pensioen van rechtswege omgezet in een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.756 IX-10.883-5/17 ambtenaren (artikel 40 van de wet van 18 mei 2024 tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren). […] Het verlies van de graad van zelfredzaamheid werd bepaald op 0 punten op een schaal van 18 punten in toepassing van het ministerieel besluit van 30 juli
- Uw definitieve ongeschiktheid is bijgevolg niet het gevolg van een zware handicap opgelopen tijdens de loopbaan en waardoor definitief een einde werd gemaakt aan uw diensten zoals bedoeld in de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen. Beslissing met betrekking tot ernstige en langdurige ziekte De ziekte waaraan u leed op het ogenblik van het onderzoek wordt niet erkend als ernstige en langdurige ziekte zoals bedoeld wordt in de voor uw dienst geldende reglementering betreffende verloven en afwezigheden.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Toepassing kortedebattenprocedure Ontvankelijkheid: uitputtingsvereiste
- In zijn verslag komt de auditeur-verslaggever, wat de ontvankelijkheid van het annulatieberoep betreft, tot de vaststelling dat de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing over haar medische geschiktheid aan verzoekster werd betekend op 10 februari 2025 via eBox en dat verzoekster daarvan één dag later kennis heeft genomen. Met verwijzing naar onder meer de artikelen 7, § 1, eerste lid, en 17 van het koninklijk besluit van 18 oktober 2024 ‘tot regeling van de procedure voor de medische evaluatie van de arbeidsgeschiktheid van de ambtenaren van sommige overheidsdiensten door het Bestuur van de medische expertise’ en de artikelen 5, derde lid, en 7 van de wet van 27 februari 2019 ‘inzake de elektronische uitwisseling van berichten via de eBox’, stelt de auditeur-verslaggever dat het administratief beroep van verzoekster van 14 maart 2025 buiten de beroepstermijn van dertig dagen is ingesteld, zodat haar beroep bij de Raad van State niet ontvankelijk is.
- De verwerende partij sluit zich in haar aanvullende memorie in de volgende bewoordingen aan bij de voormelde beoordeling in het auditoraatsverslag van de ontvankelijkheid van het beroep: IX-10.883-6/17 “
- Verwerende partij erkent dat het beroep inhoudelijk werd behandeld en ongegrond werd verklaard, niettegenstaande de laattijdigheid van het beroepschrift. Ze heeft echter bewust het beroep ontvankelijk verklaard en het inhoudelijk behandeld om de redelijkheid te respecteren. Verzoekende partij moest na het ontvangen van de kennisgeving dat haar beroepschrift niet ontvankelijk was, opnieuw bij de dokter langsgaan om het nodige omstandig medisch verslag te voegen.
- Verwerende partij sluit zich evenwel aan bij de Auditeur dat de inhoudelijke behandeling en het ongegrond verklaren van het beroepschrift geen afbreuk doen aan het feit dat het administratieve beroep niet op ontvankelijke wijze werd uitgeput. Bijgevolg is het vernietigingsberoep bij Uw Raad onontvankelijk. Nu het schorsingsberoep gesteund is op het vernietigingsberoep, is ook het schorsingsberoep onontvankelijk.”
- Verzoekster betoogt in haar aanvullende memorie dat bij de beoordeling van het uitputtingsvereiste onder meer geen rekening is gehouden met het e-mailbericht dat de verwerende partij haar op 6 maart 2025 heeft bezorgd. Daarin werd meegedeeld dat het door haar op 4 maart 2025 ingestelde beroep onontvankelijk was, maar ook dat zij nog tot 17 maart 2025 een “conform beroep” kon indienen. Deze mededeling heeft verzoekster, naar eigen zeggen, verschalkt. Zij meent dat wanneer het bestuur zelf een beroepstermijn vermeldt, de bestuurde erop mag vertrouwen dat deze termijn correct is. Verzoekster wijst erop dat haar tweede beroep op 14 maart 2025 werd ingesteld, “drie dagen voor de deadline die Medex zelf opgaf”. Verzoekster verwijst nog naar artikel 2 van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ en artikel II.21 van het bestuursdecreet van 7 december 2018 en doet gelden dat de onjuiste vermelding van een beroepstermijn betekent dat die termijn niet of slechts na het verstrijken van vier maanden ingaat. Zij besluit dat haar beroep om die reden onmogelijk als laattijdig kan worden afgewezen. Beoordeling
- Aangenomen dat aan verzoekster vanaf 10 februari 2025 een termijn van dertig dagen ter beschikking stond om een (ontvankelijk) administratief beroep in te stellen tegen de beslissing over haar medische geschiktheid van dezelfde datum, leidt het gegeven dat de verwerende partij deze beslissing niet alleen via eBox aan verzoekster heeft betekend, maar de strekking ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.756 IX-10.883-7/17 ervan óók met een e-mailbericht van 6 maart 2025 ter kennis heeft gebracht en daarbij heeft meegedeeld dat verzoekster “nog een conform beroep [kan] indienen t.e.m. 17/03/2025”, tot de conclusie dat het voorliggende beroep niet kan worden afgedaan middels de kortedebattenprocedure op grond van de enkele redenering dat verzoekster op 14 maart 2025 – en dus méér dan dertig dagen na 10 februari 2025 – het administratief beroep dat tot de thans bestreden beslissing heeft geleid, heeft ingesteld.
- De zaak dient volgens de gewone procedureregels te worden behandeld. Aangezien verzoekster ook de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing vordert, betekent dit dat hierna die vordering dient te worden onderzocht. V. Ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. IX-10.883-8/17 VII. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
- Met betrekking tot de spoedeisendheid van haar zaak doet verzoekster in haar verzoekschrift gelden wat volgt: “Voorliggende zaak is te spoedeisend voor een enkele behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring, zodat wordt verzocht om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen, overeenkomstig art. 17 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State. Verzoekster lijdt ernstig materieel en ernstig moreel nadeel, met mogelijk onherroepelijke schade, waardoor de bestreden beslissing zo spoedig mogelijk geschorst dient te worden. Moreel nadeel Vooreerst lijdt verzoekster door de bestreden beslissing een ernstig moreel nadeel. Verzoekster lijdt al bijna twee jaar aan een neurologische bewegingsstoornis, waarbij haar nekspieren zich onwillekeurig en aanhoudend samentrekken. Ze kan haar hoofd niet zelfstandig rechthouden. Enkel door ondersteuning van haar hand kan haar hoofd in een enigszins functionele positie worden gehouden. De aandoening gaat gepaard met ernstige chronische pijn. Ondanks driemaandelijkse botulinetoxine-injecties (Botox) in de nek en medicatie zoals Artane, Rivotril en pijnstillers, kan de pijn niet volledig onderdrukt worden. De cervicale dystonie belemmert haar dagelijkse leven in zeer grote mate. Ze is al lange tijd arbeidsongeschikt, hoewel ze haar hele beroepsverleden met veel plezier gewerkt heeft en daar nu geen enkele voldoening meer kan uithalen. Activiteiten zoals koken, dweilen, opruimen, langdurig rechtop zitten of werken aan de computer zijn vaak onmogelijk of slechts zeer beperkt uitvoerbaar. Ze kan moeilijk naar rechts kijken, wat het dagelijks functioneren onveilig en extra belastend maakt. Haar hele linkerhelft is aangetast, wat ook stappen bemoeilijkt. Zelfs eten vormt een uitdaging. Door de voortdurende spierspanning en vermoeidheid laat verzoekster regelmatig eten vallen. Ze is als 47-jarige genoodzaakt om een grote slab te gebruiken. Uit eten gaan, in een restaurant of zelfs bij vrienden, is bijzonder belastend en confronterend en wordt aldus vermeden. De aandoening is bovendien een zichtbare handicap. De afwijkende stand van het hoofd is voor derden duidelijk zichtbaar. Dit heeft een zware psychische impact, aangezien mensen vaak blijven kijken naar haar hoofd dat door de spasmen naar beneden wordt getrokken. Dit veroorzaakt stress, schaamte en emotionele uitputting. IX-10.883-9/17 Verzoekster heeft twee zussen met dezelfde invaliderende aandoening, en weet dat zij mogelijks de rest van haar leven aan deze chronische ziekte zal blijven lijden. De bestreden beslissing bezorgt verzoekster moreel nadeel, vooreerst omdat daarin gesteld wordt dat de graad van zelfredzaamheid wordt bepaald op 0 punten op een schaal van 18 punten. Dit terwijl zij zoveel hulp van derden nodig heeft en haar echtgenoot zelfs zijn werk heeft teruggeschroefd naar 80% om voor haar en het huishouden te kunnen zorgen. Bovendien werd geoordeeld dat haar aandoening geen ‘ernstige en langdurige ziekte’ zou uitmaken, in weerwil van wat haar neuroloog haar steeds had bevestigd. Zijn de hierboven beschreven gevolgen dan niet ‘ernstig’? Is haar lange arbeidsongeschiktheid en oppensioenstelling dan niet het gevolg van een ‘langdurige’ ziekte? Verzoekster draagt haar diagnose dapper en trachtte steeds de moed erin te houden, doch na het lezen van de bestreden beslissing stortte ze mentaal volledig in. Dat haar chronische pijn, stress en kwellingen zo geminimaliseerd worden door Medex, dat haar ziekte niet ‘ernstig en langdurig’ zou zijn, dat het lijkt alsof zij nog perfect voor zichzelf kan zorgen zodat 0 (nul) punten werden toegekend op de schaal van zelfredzaamheid, heeft haar gebroken. Ze heeft hierdoor nog veel meer last van slapeloosheid, stress en depressieve gevoelens, wat dan weer een negatieve invloed heeft op haar ziektesymptomen en pijn. Ze zoekt intussen koortsachtig naar psychologische hulp, doch deze is moeilijk te vinden. Verscheidene psychologen achtten zich onvoldoende onderlegd in haar ziekte om te kunnen helpen, de meeste anderen kennen een opnamestop wegens het tekort aan professionele hulpverleners […]. Zelfs de geraadpleegde psychiaters menen dat ze hulp nodig heeft, doch ze kan deze hulp niet bereiken. De kost van de psychologische hulp is een volgende moeilijk te nemen horde: door de bestreden beslissing ontvangt ze slechts een minimumpensioen, waardoor ze de psychologische hulp zelfs niet kan betalen. Ze moet beroep doen op geconventioneerde psychologen, die zeldzaam zijn en voor wie de wachtlijsten nog langer zijn. De bestreden beslissing vergroot haar morele leed in ernstige mate. Het gebrek aan erkenning, zelfs minimalisatie van haar situatie, door een medisch expertisecentrum, deed haar emotioneel de das om. Verzoekster kan dan ook niet het normale verloop van de vernietigingsprocedure afwachten, op risico dat zij verder wegzakt in een zware depressie, die vermeden zou kunnen worden door een snelle schorsing van de bestreden beslissing. De verslechtering van haar psychische gezondheid is een nadeel dat niet meer te herstellen is door een gebeurlijke latere vernietiging. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij verzoekt om de zaak spoedeisend te behandelen. Materieel nadeel met andere ernstige gevolgen Verzoekster en haar hele gezin lijden bovendien ook onder het financieel nadeel, dat zo ernstig is dat het onherstelbare gevolgen met zich mee zal brengen. IX-10.883-10/17 Verzoekster heeft een gezin met haar echtgenoot [A.], hun zoon [I.] van 21 jaar die al vier jaar in de Verenigde Staten studeert met een studiebeurs voor tennis, hun dochter [A.] van 19 jaar die aan de UAntwerpen studeert, en hun dochters [S.] en [Z.] van 10 en 8 jaar die nog naar de lagere school gaan. Verzoekster legt een overzicht voor van de maandelijkse inkomsten en uitgaven van het gezin […]. Verzoekster verdiende als startend statutair benoemd leerkracht een loon van ongeveer 2.700 euro netto per maand, een daling van 800 euro. Tijdens haar arbeidsongeschiktheid werd dit verminderd tot een wachtgeld van 1.915 euro per maand. Echter stelde de bestreden beslissing verzoekster op medisch pensioen, waardoor zij slechts beroep kan doen op het gewaarborgd minimumpensioen van 909,98 euro […]. Het gezinsinkomen daalde door de bestreden beslissing – nog maar eens – met maar liefst 1.000 euro. Slechts een derde van haar oorspronkelijke inkomen blijft zo over. Het staat buiten kijf dat zij volledig arbeidsongeschikt is en dat zij aldus onmogelijk een hoger inkomen kan verwerven. Haar echtgenoot werkt bij Pfizer, waar hij maandelijks een nettoloon ontvangt van 3.200 euro […], aangevuld met vakantiegeld van 500 euro […], een eindejaarspremie van 200 euro […]. Hij heeft zijn werk via tijdskrediet moeten terugschroeven naar 32 uren per week, om verzoekster te ondersteunen en mee te kunnen instaan voor het huishouden. Hiervoor krijgt hij een bijpassing van de RVA van 135 euro […]. Het is in deze situatie voor hem onmogelijk om meer inkomsten te genereren. De kinderbijslag bedraagt net geen 1.000 euro […]. De totale gezinsinkomsten bedragen zo maandelijks ongeveer 6.600 euro. De dagelijkse uitgaven van het gezin zijn niet extreem hoog, al had het gezin zijn uitgaven vanzelfsprekend afgestemd op de inkomsten als voltijds werkende arbeider en statutair leerkracht. Er zijn vanzelfsprekende maandelijkse kosten […] als huisvesting (bijna 1.000 euro), voeding (1.100 euro) nutsvoorzieningen (520 euro), verzekeringen (400 euro), brandstof en onderhoud auto’s (500 euro), belastingen (228 euro) en schoolkosten van de drie kinderen die in België wonen (200 euro). De kinderen volgen muziekles (30 euro) en doen aan sport (120 euro). Verzoekster heeft ongeveer 170 euro aan medische kosten (dankzij de terugbetaling van een groot deel van de werkelijke kosten). Een poetshulp komt tweemaal per maand helpen (120 euro). Er is een beperkt bedrag aan zakgeld en kledinggeld voorzien. Bijzondere kosten zijn er voor [I.] in de Verenigde Staten […]: zijn studiebeurs dekt zijn inschrijvingsgeld en alles wat met tennis te maken heeft (incl. vluchten naar verschillende wedstrijden), maar niet de huur van zijn verblijf, zijn cursussen, eten, leefgeld, zijn vluchten naar België en terug en andere kosten. Gemiddeld moet verzoekster ongeveer 1250 euro per maand bijpassen. [I.] kan met zijn trainingsschema en zijn vele wedstrijden (op lange afstanden) zelf onmogelijk in deze kosten voorzien. Van mei tot augustus 2026 zijn er geen lessen en zal hij terug naar huis keren, maar ook dan zijn er zeer veel kosten: als toptennisser moet hij ook tijdens deze lesvrije maanden blijven trainen en aan wereldwijde tornooien deelnemen. De trainingen en sparringpartners worden dan niet meer gedekt ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.756 IX-10.883-11/17 door de studiebeurs en dienen door verzoekster zelf betaald te worden. Ook voor de tornooien, die noodzakelijk zijn om zijn ranking op punt te houden, moet verzoekster zelf financiën voorzien voor vliegtickets, hotels/AirBnBs, eten, deelnamegeld, extra besnaarde rackets etc. Verzoekster raamt deze kosten op basis van die van vorig jaar op 500 euro, berekend per maand […]. Daarenboven heeft het gezin nog een aantal afbetalingen lopen […]: Zo is er een maandelijkse afbetaling van 250 euro aan de zus en schoonbroer van verzoekster, die het gezin in januari 2022 een bedrag van 20.000 euro leenden om noodzakelijke kosten voor de tenniscarrière van [I.] te kunnen voldoen. Er is een consumentenkrediet van 70 euro per maand dat loopt tot maart 2027 en een afrekening van energiekosten van 100 euro per maand. AGODI keerde haar per vergissing te veel inkomsten uit tijdens haar TBS/ziekte, zodat ze 150 euro per maand moet terugbetalen. Ook een ziekenhuisfactuur van 1.500 euro wordt via een deurwaarder afbetaald met 100 euro per maand. Voor vakantie is er geen budget meer. Concreet komt het gezin sedert de plotse oppensioenstelling van verzoekster 1 januari 2026 door de bestreden beslissing per maand ongeveer 1.000 euro tekort om de gewone kosten te voldoen, zonder de kosten van [I.’s] tenniscarrière buiten de schoolperiode. Het gezin heeft geen mogelijkheid gehad om de nodige voorbereidingen te treffen: op 1 december 2025 werd beslist dat verzoekster de daaropvolgende maand reeds op pensioen gesteld zou worden, wat opnieuw een zeer abrupte daling van de gezinsinkomsten van 1.000 euro tot gevolg had. Een spaarrekening met extra gelden is er niet. Ze hebben de voorbije jaren geïnvesteerd in hun woning en in de tenniscarrière van [I.]. Er is geen financiële buffer meer. Het gezin heeft reeds maatregelen genomen en gaat op een verantwoorde manier om met zijn budget. Zo leven ze nu zuiniger, komt de poetshulp nog maar één keer per 14 dagen in plaats van per week, worden de gsm-abonnementen verminderd, hebben ze hun maandelijks zakgeld beperkt en werd het kledinggeld voor ouders en kinderen gehalveerd en zullen ze op zoek gaan naar tweedehands kledij… Maar het tekort sedert de oppensioenstelling is een feit. Als de rekening op nul staat, zal zelfs dat zakgeld wegvallen. Meer kosten kunnen niet meteen geschrapt worden, zeker niet op korte termijn. De schade beperkt zich daardoor niet tot het financiële nadeel. Indien de bestreden beslissing niet spoedeisend geschorst zou worden, zal het gezin van verzoekster o.m. de hoge kosten voor zoon [I.] niet langer kunnen betalen. Het gaat immers om ongeveer 1.750 euro per maand, geld dat er nu niet is. [I.] zal zijn studies in de Verenigde Staten moeten afbreken, na 3,5 jaar goede resultaten te hebben behaald. Een vijfde en laatste jaar zal dan niet meer mogelijk zijn. Hij zal zijn tenniscarrière ook niet kunnen verderzetten. [I.] kon reeds in december 2025 niet naar België terugvliegen, hoewel hij normaal gezien de feestdagen bij zijn familie doorbrengt. Verzoekster kon de vliegtickets van ongeveer 1.500 euro niet betalen, zodat hij in een quasi lege universiteit achterbleef. IX-10.883-12/17 Noch de kosten van zijn verblijf in de Verenigde Staten, noch de kosten van de tornooien en trainingen buiten de schoolperiodes, kunnen door verzoekster gedragen worden indien zij enkel beroep kan doen op haar minimumpensioen om medische redenen. 2026 zou nochtans het belangrijkste jaar in zijn carrière worden: met zijn universiteit hebben ze vorig jaar kampioen gespeeld, [I.] won bijna alle individuele wedstrijden van het schooljaar en in 2026 zou hij aan profwedstrijden beginnen. Zoals het er nu uitziet zal verzoekster deze kosten onmogelijk kunnen dragen, ook al zou [I.] trachten om zoveel mogelijk bij vrienden/collega’s te verblijven en zelf wat bij te verdienen door tennislessen te geven tijdens deze vakantie. Het betekent hoogstwaarschijnlijk het einde van zijn beloftevolle carrière als tennisser. Verzoekster heeft reeds maatregelen genomen op korte termijn, maar ziet weinig andere opties. Meer bijverdienen kan niet. Ze zouden hun huis kunnen verkopen, maar dat is geen oplossing die op korte termijn verlichting zal brengen, in afwachting van de vernietigingsprocedure bij Uw Raad. De huizenprijzen zijn bovendien dermate gestegen dat ze wellicht evenveel of meer zullen betalen voor een kleinere woning dan hun huidige afbetaling bedraagt. Verzoekster kan dan ook het resultaat van de vernietigingsprocedure niet afwachten om een beslissing te verkrijgen, ‘op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’ (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13). Deze gevolgen van de bestreden beslissing zouden ertoe leiden dat de persoonlijke schade, de benadeling en het belang waarop verzoekster zich beroept zich onherstelbaar zullen manifesteren én verderzetten, niettegenstaande de latere tussenkomst van een vernietigingsarrest. Deze gevolgen kunnen niet meer ongedaan worden gemaakt indien het eindarrest in een vernietigingsprocedure moet worden afgewacht. Om deze redenen is verzoekster van oordeel dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring, zoals bepaald in artikel 17 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State.” Beoordeling
- Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om in haar verzoekschrift op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende, in beginsel, de gewone IX-10.883-13/17 doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden.
- Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing, hoewel voorlopig van aard, moet als een aansporing worden opgevat aan het bestuur om de zaak niet op haar beloop te laten in afwachting van de uitkomst van het annulatieberoep en om de onwettig lijkende beslissing reeds onmiddellijk, zonder de verdere afwikkeling van de annulatieprocedure af te wachten, in het licht van het ernstig bevonden middel te heroverwegen en om ze desgevallend in te trekken en door een nieuwe te vervangen.
- Wanneer de Raad van State op grond van het tweede middel – het meest verreikende middel – de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou bevelen, lijkt de verwerende partij volgens verzoekster zélf bij zo een heroverweging ertoe gehouden te zijn een nieuw onderzoek naar haar gezondheidstoestand uit te voeren. Immers, in dat middel betoogt zij onder meer dat het bestuur het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door “quasi enkel aandacht te hebben voor een momentopname [versta: het medisch onderzoek van 1 oktober 2025], die in schril [contrast] staat met de eerdere medische bevindingen”, zodat het – steeds volgens verzoekster – “zorgvuldiger [ware] geweest om een bijkomende zitting te plannen, om de situatie op te volgen, om te zien of […] verzoekster zich enige tijd later nog steeds ‘beter’ voelde dan wel of haar situatie weer invaliderend was geworden”. Op die bijkomende zitting, waarop verzoekster op het eerste gezicht aanstuurt, “zouden ook nieuwe verslagen van de behandelend neuroloog kunnen voorgelegd worden, met updates”. Nog noemt verzoekster het “bijzonder onzorgvuldig om na te laten om [haar] op dat ogenblik te vragen om meer recente medische verslagen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.756 IX-10.883-14/17 over te maken”, want “[e]nkel recentere verslagen zouden de opvallende vaststellingen van de scheidsrechterlijk arts in een correcte context kunnen situeren”. Zij besluit dat om die reden het onderzoek “misleidend, minstens zeer onvolledig” was. Een nieuwe beslissing als gevolg van een schorsingsarrest van de Raad van State zou, deze gedachtegang van verzoekster voor ogen en gezien het verloop van de tijd, bijgevolg des te meer de noodzaak van een nieuw medisch onderzoek verantwoorden.
- In dat verband bedenkt de Raad van State dat thans het bijzondere geval voorligt dat, naar luid van de bestreden beslissing zelf, verzoekster “het recht [heeft] om zelf een nieuw onderzoek aan te vragen vanaf zes maanden na het vorige onderzoek, d.w.z. vanaf 01/06/2026”. Deze mogelijkheid voor verzoekster dient zich dus over luttele dagen aan.
- In die concrete omstandigheden stond het aan verzoekster om ervan te overtuigen, niet alleen dat zij de afwikkeling van haar annulatieberoep niet zou kunnen afwachten, maar óók dat zelfs het resultaat van het nieuwe onderzoek dat zij vanaf 1 juni 2026 mag aanvragen, te laat komt.
- Verzoekster betoogt in verband met de door haar aangevoerde nadelen – moreel en materieel – wel dat zij “het resultaat van de vernietigingsprocedure niet [kan] afwachten om een beslissing te verkrijgen, ‘op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’”, dat zij “niet het normale verloop van de vernietigingsprocedure [kan] afwachten, op risico dat zij verder wegzakt in een zware depressie, die vermeden zou kunnen worden door een snelle schorsing van de bestreden beslissing”, dat “[d]e verslechtering van haar psychische gezondheid […] een nadeel [is] dat niet meer te herstellen is door een gebeurlijke latere vernietiging” en dat “[d]eze gevolgen van de bestreden beslissing […] ertoe [zouden] leiden dat de persoonlijke schade, de benadeling en het belang waarop verzoekster zich beroept zich ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.756 IX-10.883-15/17 onherstelbaar zullen manifesteren én verderzetten, niettegenstaande de latere tussenkomst van een vernietigingsarrest. Deze gevolgen kunnen niet meer ongedaan worden gemaakt indien het eindarrest in een vernietigingsprocedure moet worden afgewacht”. Waarom van haar niet mag worden verlangd het door haar vanaf 1 juni 2026 aan te vragen nieuwe onderzoek af te wachten, verduidelijkt zij op geen enkele manier. Zonder nadere toelichting en overtuigende argumenten daaromtrent, laat verzoekster de Raad van State niet toe om de spoedeisendheid van haar zaak concreet te beoordelen. Een en ander klemt des te meer, nu de schorsing van de tenuitvoerlegging hoe dan ook slechts voor de toekomst geldt.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.883-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.883-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.756 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div