← België

Arrest 266758 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 22/05/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.758 Rolnummer: A. 245587/XIV-39865 Zaak: Arrest 266758 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 22/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-28 Raadplegingen: 12 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Fiche Arrest nr 266.758 van 22 mei 2026 Economische zaken - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) Beslissing : heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 266.758 van 22 mei 2026 in de zaak A. 245.587/XIV-39.865 In zake: de NV A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Vande Lanotte kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Albertstraat 24/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 14 augustus 2025, strekt tot het toekennen van een schadevergoeding tot herstel naar aanleiding van het arrest nr. 263.579 van 12 juni
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht op 14 november
  4. Op 6 februari 2026 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van XIV-39.865-1/5 de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 april
  5. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Vande Lanotte, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Karien Loontjens, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Beoordeling
  7. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt.
  8. De verzoekende partij betwist dat zij geen memorie van wederantwoord tijdig heeft toegestuurd. Zowel in de schriftelijke verantwoording bij het verzoek om te worden gehoord, als ter terechtzitting voert zij het volgende aan: XIV-39.865-2/5 “Op 14 januari 2026, dus binnen de termijn van 60 dagen, dient verzoekende partij een memorie van wederantwoord in. (In de brief van 15 januari 2026 wordt bevestigd dat op 14 januari 2026 ‘de Memorie van Wederantwoord’ werd ingediend). Deze memorie van wederantwoord draagt verkeerde kenmerken wat de zaak betreft en is ook inhoudelijk niet volledig aangepast aan wat de bedoeling van verzoekende partij was (in de brief: ‘niet de juiste’), maar wordt wel degelijk in het dossier G/A 245.587/XIV – 39.865 ingediend en heeft ook (deels) betrekking op deze zaak. Op 15 januari 2026 (dus buiten de termijn) dient verzoekende partij een corrigerende versie van de memorie van wederantwoord in (in de brief: ‘een materiële vergissing wordt recht gezet’).” In de eerste plaats doet de verzoekende partij gelden dat zij wel degelijk een memorie van wederantwoord heeft ingediend. Deze memorie van wederantwoord, stelt de verzoekende partij, “is inhoudelijk niet volledig wat verzoeker voor ogen had (in concreto was het een vroegere versie van wat de finale memorie moest zijn) maar het is wel degelijk een memorie van wederantwoord en die is tijdig ingediend. Nadien is een gecorrigeerde versie, buiten de termijn ingediend.” Zij betoogt dat “op geen enkele manier […] de wetgeving [voorziet] dat de Raad van State een inhoudelijke beoordeling mag maken van de ingediende memorie van wederantwoord om op basis daarvan toepassing te maken van artikel 21 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit artikel voorziet een louter formele controle die tot de conclusie leidt dat tijdig een memorie van wederantwoord is ingediend. In de tweede plaats betoogt de verzoekende partij dat het weren van de rechtzetting de dag na het sluiten van de termijn, strijdig is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 en derhalve niet mag worden doorgevoerd.
  9. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak op 14 januari 2026 om 16u26 elektronisch een stuk heeft neergelegd, getiteld “memorie van wederantwoord”. Dit stuk draagt niet de kenmerken van de voorliggende zaak en is, naar de verzoekende partij stelt, “ook XIV-39.865-3/5 inhoudelijk niet volledig aangepast aan wat de bedoeling van verzoekende partij was,” maar het is onmiskenbaar als processtuk “memorie van wederantwoord” ingediend in de voorliggende zaak. Artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verplicht de verzoekende partij ertoe de termijnen voor het toesturen van de memorie van wederantwoord in acht te nemen en aldus te doen blijken van haar aanhoudend belang. De verplichting om binnen de gestelde termijn een memorie in te dienen, waarvan de inhoud zich kan beperken tot de loutere bevestiging dat de verzoekende partij in haar vordering volhardt, is een vormvoorschrift. (GwH 4 april 1995, nr. 32/95, punt B.5.3, ECLI:BE:GHCC:1995:ARR.032; GwH 19 januari 2000, nr. 4/2000, punt B.6, ECLI:BE:GHCC:2000:ARR.004, GwH 21 juni 2001, nr. 87/2001, punt B.5.1, ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.087; GwH 20 november 2001, nr. 150/2001, punt B.5, ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.150; GwH 23 januari 2002, nr. 21/2002, punt.B.6, ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.021; GwH 16 juli 2015, nr. 103/2015, punt B.40.3, ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.103). De sanctie die is gesteld in artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is er derhalve één op het niet eerbiedigen van de termijnen voor het toesturen van memories. Aan dit vormvoorschrift is voldaan zodra tijdig minstens wordt bevestigd dat de verzoekende partij in haar vordering volhardt. Deze toetsing heeft een louter formeel karakter en houdt geen inhoudelijke beoordeling in van het neergelegde stuk. In het licht van deze interpretatie staat derhalve vast dat de verzoekende partij met haar op 14 januari 2026 ingediend processtuk tijdig een “memorie van wederantwoord” in de voorliggende zaak heeft ingediend. De vraag of de buiten termijn ingediende “corrigerende versie” al dan niet uit het debat moet worden geweerd, maakt geen deel uit van het thans voorliggende onderzoek, dat in casu beperkt is tot de beoordeling of tijdig aan XIV-39.865-4/5 voormeld vormvoorschrift werd voldaan, zodat hierop in de huidige stand van het geding niet wordt ingegaan.
  10. Het standpunt van de verzoekende partij dat tijdig een memorie van wederantwoord is ingediend wordt bijgetreden. Bijgevolg is er geen reden om toepassing te maken van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.’ BESLISSING
  11. Het debat wordt heropend.
  12. De Raad van State verwijst de zaak naar de gewone procedure. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.865-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.758 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:1995:ARR.032 ECLI:BE:GHCC:2000:ARR.004 ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.087 ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.150 ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.021 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.103 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.