← België

Cassatiebeschikking 16571 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.571 Rolnummer: A. 246313/VII-43077 Zaak: Cassatiebeschikking 16571 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-26 Raadplegingen: 190 - laatst gezien 2026-06-18 06:20 Fiche Beschikking nr 16.571 van 8 januari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.571 van 8 januari 2026 in de zaak A. 246.313/VII-43.077 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kunga Tusamba Vita kantoor houdend te 1850 Grimbergen Wolvertemsesteenweg 184 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 november 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 333.361 van 29 september 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 november 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De door de verzoekende partijen aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn, net als de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van State als cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor VII-43.077-1/3 Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die beginselen of bepalingen zou hebben geschonden, de Raad van State kan zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter stellen om zelf te oordelen of de voornoemde beginselen of bepalingen waren geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing of niet. De verzoekende partijen kunnen derhalve in de graad van administratieve cassatie niet op ontvankelijke wijze aanvoeren dat de aanvankelijk bestreden beslissing op onzorgvuldige wijze werd genomen, onredelijk was of niet afdoende was gemotiveerd en dat het bestreden arrest dit had moeten vaststellen. In de mate dat de verzoekende partijen hun voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geformuleerde kritiek tegen de aanvankelijk bestreden beslissing herhalen, is het middel niet gericht tegen het bestreden arrest en derhalve niet ontvankelijk.
  4. Door de opgeworpen schending van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ te stoelen op hun voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geformuleerde kritiek en te concluderen dat “[d]e feitelijke situatie […] dus onmiskenbaar aan[toont] dat verzoeker, in tegenstelling tot wat de Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen] heeft beslist, ten laste was van zijn moeder en dat de overgemaakte bedragen een wezenlijke onderhoudsfunctie hadden”, vragen de verzoekende partijen in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is, doch tonen zij geen schending aan van de voornoemde bepaling.
  5. De verzoekende partijen hebben voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending opgeworpen van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, noch wordt dit artikel betrokken in het bestreden arrest. Zij kunnen een eventuele schending van deze bepaling dus niet voor het eerst inroepen in de graad van administratieve cassatie.
  6. Waar de verzoekende partijen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijten dat hun dossier niet werd samengevoegd met het dossier van de zus van de eerste verzoekende partij, betreft dit een onaantastbare feitelijke beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die door de Raad van State als cassatierechter niet opnieuw in vraag kan worden gesteld. VII-43.077-2/3
  7. Het enige middel is, in zijn vier onderdelen, kennelijk niet ontvankelijk. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  9. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 26 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht januari tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.077-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.571 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.