id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.574 Rolnummer: A. 245504/VII-42982 Zaak: Cassatiebeschikking 16574 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-23 Raadplegingen: 172 - laatst gezien 2026-06-18 06:24 Fiche Beschikking nr 16.574 van 12 januari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.574 van 12 januari 2026 in de zaak A. 245.504/VII-42.982 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nisrine El Haddadi kantoor houdend te 1060 Brussel Verbindingslaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 augustus 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 329.286 van 3 juli 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 22 augustus 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- A. Eerste middel Eerste middelonderdeel: “Tegenstrijdige motivatie wat betreft de kwetsbaarheid van verzoeker” VII-42.982-1/6
- Het vormt geen tegenstrijdigheid van motieven in het bestreden arrest door enerzijds te overwegen dat uit de door verzoeker overgelegde documenten “blijkt dat de verzoekende partij over een bepaalde psychische kwetsbaarheid beschikt” en anderzijds te overwegen dat “deze niet aan[tonen] dat zij omwille van haar gezondheidstoestand over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die haar zou verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenland”. Verzoeker citeert de desbetreffende motivering onvolledig waar zij voorbijgaat aan de volgende overwegingen in het bestreden arrest: “Niettegenstaande dat in deze documenten kan worden gelezen dat de verzoekende partij omwille van haar mentale problemen niet in staat is om te werken, blijkt dat ze dit enkel verklaart heeft bij haar psycholoog. Ze verklaart immers bij de psycholoog dat haar werkgever haar heeft gevraagd om tijd voor haar zelf te nemen maar ze voegt nergens een document toe afkomstig van een klinisch psycholoog of arts, dat vaststelt dat ze niet in staat is om arbeid te verrichten omwille van haar psychologische problemen. Evenmin blijkt dat de verzoekende partij omwille van haar gezondheidstoestand zeer moeilijk of niet in Griekenland zal kunnen werken of beroep zal kunnen doen op sociale bijstand. Ook blijkt niet dat de gezondheidstoestand van de verzoekende partij de toegang tot gezondheidszorg, huisvesting en tewerkstelling onredelijk moeilijk of zelf onmogelijk maakt. In de mate verdere psycho-medische opvolging noodzakelijk is, toont de verzoekende partij niet aan dat zij in Griekenland geen toegang zal hebben tot eventuele benodigde medische en/of psychologische ondersteuning. Zo is haar verblijfsvergunning nog geldig. Voorts blijkt uit niets en de verzoekende partij toont niet aan dat zij, om redenen voorzien in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet, in Griekenland geen toegang zou hebben tot de gezondheidszorg. In de mate dat kan worden aangenomen dat er in Griekenland een kwaliteitsverschil mogelijk is in vergelijking met België op vlak van gezondheidszorg en sociale bescherming, volstaat dit op zich niet om te besluiten dat de verzoekende partij bij een terugkeer naar Griekenland zou belanden in een situatie die kan worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de EU. Evenmin houdt zulk kwaliteitsverschil verband met de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet. Hetzelfde geldt immers voor de Griekse onderdanen. Bovendien hebben personen die internationale bescherming genieten, recht op een ziektekostenverzekering onder de voorwaarden die de wet aan Griekse burgers stelt. Het komt de verzoekende partij toe, in navolging van de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie, om in concreto aan te tonen dat zij haar rechten en voordelen niet zou kunnen laten gelden in Griekenland en zij, zoals in casu aangevoerd, als statushouder geen toegang heeft tot medische zorg. De verzoekende partij slaagt hier echter niet in. De verzoekende partij toont hoe dan ook niet concreet aan en maakt niet aannemelijk dat zij in Griekenland, dit mogelijks met de hulp van de Griekse autoriteiten of hulporganisaties, geen toegang zal hebben tot of kunnen genieten van de nodige sociale bijstand en gezondheidszorg.” VII-42.982-2/6 Verzoeker gaat eveneens voorbij aan de volgende overwegingen in het bestreden arrest: - “In de beschikking van 18 maart 2025 wordt uitgebreid ingegaan op de persoonlijke situatie van de verzoekende partij als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland en worden de door haar aangehaalde individuele elementen omstandig besproken, waarbij wordt vastgesteld dat ze niet aantoont dat ze persoonlijk haar rechten en voordelen als statushouder in Griekenland niet meer kan laten gelden en een situatie van materiële deprivatie dreigt.” - “In de beschikking wordt verder gesteld dat de verzoekende partij niet de van haar te verwachten inspanningen heeft geleverd om een duurzaam bestaan in Griekenland uit te bouwen. Zo heeft ze slechts tien dagen als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland verbleven en heeft ze geen enkele poging gedaan om tewerkstelling te vinden of de taal te leren daar ze toch niet in Griekenland wou blijven. De verzoekende partij brengt geen elementen bij in het kader van haar vraag tot horen die aan deze in de beschikking opgenomen gronden afbreuk zouden kunnen doen.” Bijgevolg maakt verzoeker de voorgehouden schending van artikel 149 van de Grondwet niet aannemelijk. Tweede middelonderdeel: “Onvolledige motivatie wat betreft het bezit van een AMKA-nummer”
- Verzoeker verwijst naar een “RSA-rapport van maart 2025” dat hij in zijn aanvullende nota van 19 mei 2025 heeft samengevat en waarop niet zou zijn ingegaan in het bestreden arrest. In punt 5.
- van het bestreden arrest wordt uitgebreid ingegaan op het voormelde door verzoeker aangehaalde rapport, ook met betrekking tot “belemmeringen bij de toegang tot een AMKA”. Vervolgens wordt verwezen naar de met toepassing van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) genomen beschikking van 18 maart 2025, waarin verzoekers persoonlijke situatie als volgt wordt beoordeeld: “Uit het administratief dossier blijkt dat aan verzoekende partij in Griekenland op 21 december 2022 de vluchtelingenstatus toegekend werd en dat zij in het bezit gesteld werd van een Griekse verblijfsvergunning die nog geldig is tot en met 20 december 2025 […]. Het verstrijken van de geldigheid van deze verblijfstitel blijkt nergens uit en wordt door verzoekende partij niet aangetoond. Zij kan in het verzoekschrift aldus niet dienstig verwijzen naar de algemene informatie betreffende de VII-42.982-3/6 moeilijkheden bij het hernieuwen en verlengen van Griekse verblijfsdocumenten of het verkrijgen ervan bij een terugkeer naar Griekenland. […] Het komt aan de begunstigde(n) van internationale bescherming toe om de nodige inspanningen te doen om zich te integreren in de samenleving waar hij/zij internationale bescherming heeft bekomen, door er onder meer werk en huisvesting te zoeken en de taal te leren. Er kan van verzoekende partij verwacht worden dat zij de nodige procedures doorloopt en geduld uitoefent vooraleer hieromtrent conclusies te trekken. Zulke inspanningen mogen geenszins blijken uit verzoekende partij haar verklaringen en gedragingen. Zo blijkt dat zij slechts ongeveer 10 dagen na het verkrijgen van haar internationale beschermingsstatus en haar verblijfsdocumenten Griekenland reeds verlaten heeft […]. Het is voor verzoekende partij niet mogelijk om op basis van zulk kortstondig verblijf na het verkrijgen van internationale bescherming en de juiste documenten, conclusies te trekken omtrent de mogelijkheden op vlak van huisvesting, werkgelegenheid, gezondheidszorg of het aanbieden van taalcursussen in Griekenland. Zij verklaart tijdens het persoonlijk onderhoud dat zij in Griekenland geen pogingen ondernomen heeft om werk te zoeken of de taal te leren omdat zij daar niet wilde blijven als gevolg van de vermeende bedreigingen […]. Verzoekende partij slaagde er bovendien in om tijdens de korte periode die zij in Athene doorbracht, een dak boven haar hoofd te hebben aangezien zij kon logeren bij een Syrische familie […]. Zij kan niet zonder meer in het verzoekschrift stellen dat zij geen mogelijkheid had tot werk, financiële steun en onderdak in Griekenland. Zij maakt met bovenstaande dan ook niet op concrete wijze aannemelijk dat zij buiten haar eigen wil om in de onmogelijkheid was om haar rechten in Griekenland te doen gelden. Het komt in dit verband haar toe om de middelen die het recht en haar status in Griekenland hiertoe bieden terdege te gebruiken, hetgeen zij evenwel niet aantoont. Zij toont niet aan deze afdoende te hebben benut, laat staan uitgeput.” Verzoeker, die voorbijgaat aan de voormelde motieven van het bestreden arrest dan wel van de beschikking van 18 maart 2025, waarnaar in dat arrest wordt verwezen en die erin geciteerd is, toont aldus geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet. Derde middelonderdeel: “Onvolledige motivatie wat betreft de situatie in Gaza en waarom hiermee geen rekening zou moeten worden gehouden”
- Met betrekking tot de verwijzing door verzoeker naar de situatie in Gaza, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “[…] Waar ze wijst op de situatie in Gaza en het feit dat ze UNRWA-erkend is, dient er op gewezen dat de verzoekende partij reeds internationale bescherming heeft gekregen in een andere EU-lidstaat met name Griekenland. Haar verzoek om internationale bescherming dient dan ook ten aanzien van dit land te worden beoordeeld. Haar verwijzing naar de situatie in Gaza is dan ook niet dienstig. Waar ze tijdens de terechtzitting in haar aanvullende nota wijst op het arrest van de Raad van 9 januari 2025 met nummer 319 746 en het arrest van de Raad van 16 januari 2025 met nummer 320 159, kan ze geen afbreuk doen aan de in de beschikking opgenomen VII-42.982-4/6 grond. De precedentenwerking wordt niet aanvaard in het Belgisch recht en ieder dossier dient individueel te worden beoordeeld.” Met het voorgaande geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan waarom verzoekers verwijzing naar de situatie in Gaza niet dienstig is voor de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming. Noch de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht noch artikel 39/6 van de vreemdelingenwet legt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een bijzondere motiveringsplicht op omdat hij te dezen de situatie in Gaza niet als een verergerende factor beschouwt terwijl hij dat in andere zaken wel zou hebben gedaan. Conclusie
- Het eerste middel is kennelijk ongegrond. B. Tweede middel
- Verzoeker verwijst naar de door hem bijgebrachte medische en psychologische verslagen en naar een rapport van vzw Nansen van 1 juli 2025 betreffende (een tekort aan) psychiatrische en psychologische hulp voor houders van een internationale beschermingsstatus in Griekenland. Het verslag van vzw Nansen dateert van na de zitting van de Raad voor Vreemdelingebetwistingen van 20 mei 2025, waarop verzoekers zaak in beraad werd genomen. Dit rapport werd niet ter kennis gebracht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, hetgeen verzoeker niet betwist. Er moest en kon derhalve geen rekening mee worden gehouden in het bestreden arrest. Uit de in punt 1 supra geciteerde overwegingen van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoekers individuele situatie heeft onderzocht en in het bijzonder de door verzoeker voorgehouden kwetsbaarheid waardoor hij zijn rechten in Griekenland niet zou kunnen afdwingen. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. In de mate dat verzoeker artikel 3 van VII-42.982-5/6 het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden geschonden acht omwille van de voorgehouden gebrekkige toegang tot gezondheidszorg en zijn bijzondere kwetsbaarheid, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf januari tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.982-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.574 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div