← België

Cassatiebeschikking 16576 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.576 Rolnummer: A. 246134/VII-43053 Zaak: Cassatiebeschikking 16576 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-19 Raadplegingen: 178 - laatst gezien 2026-06-18 06:24 Fiche Beschikking nr 16.576 van 12 januari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.576 van 12 januari 2026 in de zaak A. 246.134/VII-43.053 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Léna Lahaye kantoor houdend te 1060 Brussel Amazonestraat 37 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 oktober 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 332.666 van 11 september 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 oktober 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel: “miskenning van de bewijskracht en draagwijdte van een akte (artikel 8.17 en 8.18 BW)”
  2. De bewijskracht van een akte als bedoeld in de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan VII-43.053-1/4 wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan. Verzoeker, die met verwijzing naar de voorgelegde algemene informatie enkel de gevolgtrekking betwist dat in zijn regio van herkomst geen algemene vervolging van burgers van Tigra-afkomst zou blijken, richt zich tegen een feitelijke gevolgtrekking waarmee hij geen schending van de bewijskracht van stukken aantoont. Tweede onderdeel van het enige middel: “schending van artikel 149 van de Grondwet, miskenning van het artikel 39/65 VW”
  3. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Verzoeker laat gelden dat in het bestreden arrest enkel wordt geantwoord op zijn voorgehouden vrees “ten aanzien van de federale Ethiopische autoriteiten” en niet op zijn aangevoerde vrees “ten aanzien van de Eritrese autoriteiten die nog steeds aanwezig zijn in […], ondanks het vredesakkoord waarbij Eritrea geen ondertekenende partij is (COHA)”. VII-43.053-2/4 Verzoeker geeft niet aan waar hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een vrees voor de Eritrese troepen zou hebben ingeroepen. Hij heeft in zijn beroepschrift wel aangevoerd dat “recente algemene informatie twijfel op[werpt] over de stabiliteit van de veiligheidssituatie in Mekelle en Tigray in het algemeen”, dat volgens de BBC verschillende landen hebben gewaarschuwd voor de escalatie van de spanningen, dat “[n]och Ethiopië noch Eritrea […] een escalatie [lijken] te zoeken” doch dat “met verschillende gewapende actoren in de buurt […] het risico op miscalculaties en provocaties door politieke onruststokers groot [is]” en dat de regio Tigray en de hoofdstad Mekelle worden geconfronteerd met een “zeer duidelijke onveiligheidssituatie”. Hieruit kan, evenmin als uit verzoekers aanvullende nota van 22 juli 2025, geen specifiek aangevoerde vrees voor Eritrese autoriteiten worden afgeleid waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou hebben moeten antwoorden. Verzoekers kritiek mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel van het enige middel: foutieve interpretatie van artikelen 48/3 en 48/5, § 3 VW en schending van artikel 149 van de Grondwet, miskenning van het artikel 39/65 VW”
  4. Verzoeker steunt zich op de beslissing van de verwerende partij van 10 maart 2025 die tot het bestreden arrest heeft geleid, om aan te voeren dat zijn vrees voor vervolging reeds was vastgesteld in die beslissing, zodat voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een omkering van de bewijslast zou gelden. Verzoeker gaat hiermee echter voorbij aan de devolutieve werking van zijn bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingesteld beroep, op grond waarvan deze laatste kennis neemt van de zaak in zijn geheel, zonder gebonden te zijn door de motieven van de aangevochten beslissing van de verwerende partij. Zijn kritiek faalt naar recht. Bovendien heeft noch artikel 48/3 noch artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet betrekking op een omkering van de bewijslast. Conclusie
  5. Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-43.053-3/4 BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf januari tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.053-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.576 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.