← België

Cassatiebeschikking 16578 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/01/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.578 Rolnummer: A. 246553/VII-43096 Zaak: Cassatiebeschikking 16578 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/01/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-19 Raadplegingen: 181 - laatst gezien 2026-06-18 06:12 Fiche Beschikking nr 16.578 van 13 januari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.578 van 13 januari 2026 in de zaak A. 246.553/VII-43.096 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 1 december 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 334.853 van 23 oktober 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 december 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Algemeen 1. Verzoeker werpt in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van het enige middel gaat hij slechts in VII-43.096-1/7 op een aantal van deze bepalingen. Verzoekers kritiek wordt hierna in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen is op kennelijk niet ontvankelijke wijze opgeworpen. Eerste middelonderdeel 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepaling. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat “[n]iemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen”. Deze bepaling stemt letterlijk overeen met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). 3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt in punt 5.5. van het bestreden arrest op grond van een aantal landenrapporten een omstandige analyse van de situatie van begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland. Hierin gaat hij uitgebreid in op de noodzaak van een ADET (Griekse verblijfsvergunning) en de moeilijkheden om deze te verkrijgen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent “dat de situatie van statushouders in Griekenland op dit ogenblik nog steeds bijzonder problematisch is” en hij merkt op dat de bureaucratische hindernissen, de lengte van een procedure voor de afgifte of vernieuwing van documenten, de politieke visie van de Griekse autoriteiten, de gebrekkige uitvoering van integratieprogramma’s, het gebrek aan tolken en de discriminatie bij de toegang tot socialezekerheidsuitkeringen “barrières [vormen] die ervoor zorgen dat statushouders binnen de Griekse samenleving in (zeer) precaire omstandigheden VII-43.096-2/7 kunnen leven”. Na te hebben verwezen naar de vereiste van het bereiken van “een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid […], wat afhangt van alle gegevens [van] de zaak”, vervolgt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Rekening houdend met de ter beschikking gestelde informatie overweegt de Raad in de huidige stand van zaken dat er niet kan worden geconcludeerd dat (

  1. i)de levensomstandigheden van statushouders in Griekenland van die aard zijn dat elke statushouder bij terugkeer naar dat land a priori een reëel risico loopt om terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig (zouden) staan en dat (
  2. ii)een meer diepgaande individuele beoordeling niet langer nodig is. De hoger vermelde informatie over de situatie in Griekenland is op zichzelf niet voldoende om zonder meer te concluderen dat de bescherming die wordt geboden aan iedereen die daar internationale bescherming heeft verkregen, niet langer effectief of voldoende zou zijn, noch dat alle statushouders bij een terugkeer naar Griekenland zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie daar gekenmerkt door grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden. Het bovenstaande neemt niet weg dat statushouders zich in of bij terugkeer naar Griekenland in een zeer precaire situatie kunnen bevinden, waardoor de grootste voorzichtigheid en zorgvuldigheid zijn geboden bij de beoordeling van beschermingsverzoeken van begunstigden van internationale bescherming in Griekenland. In dit verband moet rekening worden gehouden met ‘alle gegevens van de zaak’ (HvJ 19 maart 2019, gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim e.a./ Bundesrepublik Deutschland, pt. 89) en is het noodzakelijk om het verzoek om internationale bescherming van verzoeker op basis van zijn individuele omstandigheden te beoordelen. In deze moet bijzondere aandacht worden besteed aan het bestaan van een eventuele kwetsbaarheid van de verzoekers, aan hun individuele profiel en hun vermogen om rechten te doen gelden, stappen te ondernemen en in hun eigen basisbehoeften te voorzien. Wat deze individuele omstandigheden verder betreft, blijken de recente wetswijzigingen een daadwerkelijke toegang voor statushouders tot hun rechten en voordelen verder te bemoeilijken. In het bijzonder lijken ze voor statushouders wiens ADET is verstreken deze toegang in sommige gevallen zelfs te verhinderen. Het komt verzoeker toe om in dit verband de nodige concrete elementen aan te reiken die van aard zijn om het vermoeden dat hij zich op de beschermingsstatus die hem in Griekenland werd verleend en de daaruit voortvloeiende rechten kan beroepen en dat hij niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie te weerleggen.” Met het voorgaande geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan dat en op grond van welke informatie hij van oordeel is: - dat niet voor iedere begunstigde van internationale bescherming in Griekenland kan worden besloten dat hij bij een terugkeer naar Griekenland zou dreigen terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor zijn situatie zou kunnen worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals vereist door het VII-43.096-3/7 Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 19 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland; - dat “een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden” niet volstaat voor zover de “zeer verregaande materiële deprivatie” niet wordt bereikt; - dat met alle omstandigheden van de zaak rekening moet worden gehouden; - dat daarom “bijzondere aandacht [moet] worden besteed aan het bestaan van een eventuele kwetsbaarheid van de verzoekers, aan hun individuele profiel en hun vermogen om rechten te doen gelden, stappen te ondernemen en in hun eigen basisbehoeften te voorzien”. Verzoeker beperkt zich tot algemene kritiek doch toont hiermee niet aan dat de gegeven motieven niet zouden volstaan in het licht van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Zo gaat verzoeker eraan voorbij dat tal van overwegingen betreffende de algemene situatie voor statushouders in Griekenland betrekking hebben op de noodzaak om een ADET te verkrijgen en de problemen om ze te verkrijgen, terwijl uit de individuele beoordeling net blijkt dat verzoeker beschikt over een geldige verblijfsvergunning (ADET) die geldig is tot 22 november 2025, hetgeen hem toelaat toegang te verkrijgen tot andere essentiële documenten en basisvoorzieningen. Dat verzoekers fysieke (gedrukte) Griekse documenten vrijwel onmiddellijk na zijn aankomst in België zijn gestolen, berust volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op loutere beweringen waarvoor geen enkel begin van bewijs voorligt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht het weinig aannemelijk dat verzoeker geen kopieën zou hebben gemaakt van deze documenten en verwijst bovendien naar de aanvankelijk bestreden beslissing waarin de mogelijkheid wordt vermeld om een duplicaat te verkrijgen van de gedrukte ADET in geval van verlies of diefstal alsook de daartoe te volgen procedure. Verzoeker gaat ook volledig voorbij aan de verdere individuele beoordeling van zijn situatie. Verzoeker geeft niet aan hoe, en toont a fortiori niet aan dat, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de voorgaande beoordeling een betekenis zou hebben gegeven aan bepaalde stukken die niet overeenstemt met de bewoordingen of de inhoud ervan. Het loutere feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoeker verkeerde feitelijke of juridische gevolgtrekkingen zou hebben getrokken, houdt geen verband met de bewijskracht van akten zoals deze voortvloeit uit de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek. VII-43.096-4/7 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schendt niet artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie door te oordelen dat, ook al kan sprake zijn van een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken personen, niet blijkt dat de begunstigden van internationale bescherming in Griekenland zullen terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor hun situatie kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling. Verzoeker gaat hierbij ook voorbij aan de beoordeling van zijn individuele situatie. In de mate dat verzoeker het niet eens is met die analyse, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Tweede middelonderdeel 4. Waar verzoeker artikel 48/7 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen” (hierna: vreemdelingenwet) “en de procedurele verplichtingen die voortvloeien uit artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie” geschonden acht, berust zijn kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent dat verzoeker in Griekenland feiten heeft ondergaan die vergelijkbaar zijn met vervolging, zodat het, gelet op artikel 48/7 van de vreemdelingenwet, aan de asielautoriteiten toekwam om aan te tonen dat deze feiten zich niet opnieuw zullen voordoen, op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Daarin stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met name vast dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen op grond van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet, dat verzoeker in Griekenland op 23 november 2022 werd erkend als vluchteling, hetgeen hij niet betwist, dat hem een verblijfsvergunning werd uitgereikt die geldig is tot 22 november 2025 en dat niet blijkt dat deze status intussen zou zijn beëindigd of ingetrokken, zodat verzoekers verzoek om internationale bescherming moet worden behandeld “op grond van het weerlegbaar vermoeden dat Griekenland het Unierecht en bijgevolg de uit de Kwalificatierichtlijn voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot de toekenning en beëindiging van de vluchtelingenstatus en subsidiaire beschermingsstatus respecteert. Bijgevolg wordt in casu vermoed dat verzoeker geen nood heeft aan internationale bescherming in België, precies omdat hij reeds internationale bescherming geniet in een ander land, met name Griekenland”. Zoals supra reeds werd vastgesteld, maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest vervolgens een omstandige analyse van de situatie van begunstigden van internationale VII-43.096-5/7 bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland en beoordeelt hij de individuele situatie van verzoeker, waarna hij concludeert: “De verzoeker kan, gelet op de gedane vaststellingen, niet overtuigen dat er voor hem sprake is van buitengewone omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat hij, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht zal komen. Hij maakt niet concreet aannemelijk dat hij daadwerkelijk verhinderd was om in Griekenland in zijn elementaire levensbehoeften te voorzien of om er aanspraak te kunnen maken op bepaalde basisvoorzieningen, noch dat hij Griekenland heeft verlaten wegens een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade. Er zijn evenmin aanwijzingen dat de verzoeker verhinderd zou zijn om opnieuw tot het Griekse grondgebied te worden toegelaten. Verzoeker maakt zodoende niet op overtuigende wijze aannemelijk dat zijn situatie kan worden aangemerkt als een situatie van uitzonderlijke aard zoals geduid door het Europees Hof van Justitie (in voornoemde rechtspraak), noch dat hij zich niet langer onder de internationale bescherming die hem in Griekenland werd verleend, kan stellen. De stelling dat verzoeker in geval van terugkeer naar Griekenland zal worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandelingen is louter gebaseerd op hypotheses zonder dat verzoeker aantoont dat hij persoonlijk in een situatie zou belanden die kan worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de EU Gelet op het voorgaande, kan worden aangenomen dat de grondrechten van verzoeker als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland worden geëerbiedigd, dat hij bij machte is om zijn rechten aldaar te doen gelden en uit te oefenen en dat de aldaar aanwezige autoriteiten in staat zijn om hem, bij eventuele problemen en op zijn verzoek, een effectieve en gelijkwaardige bescherming en bijstand te bieden. Het vermoeden dat zijn grondrechten als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zullen worden geëerbiedigd, wordt aldus niet weerlegd. Er worden geen feiten of elementen aangetoond die de toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet op de specifieke omstandigheden van verzoeker verhinderen. Zijn beschermingsverzoek dient dan ook op basis van die rechtsgrond niet-ontvankelijk te worden verklaard. Nu het voorliggende beschermingsverzoek op basis van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat verzoeker zich nog (redelijkerwijs) kan beroepen op zijn beschermingsstatus in Griekenland, moet bijgevolg geen inhoudelijk onderzoek worden gevoerd naar de materiële voorwaarden voor internationale bescherming voorzien in de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet en artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag. […] Met betrekking tot de aangevoerde schending van artikel 4 van het Handvest, wordt erop gewezen dat uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker geen elementen aanbrengt waaruit kan blijken dat hij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling bij terugkeer naar Griekenland. Bovendien houdt de bestreden beslissing op zich geen verwijderingsmaatregel in.” Conclusie VII-43.096-6/7 5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien januari tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.096-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.578 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.