← België

Cassatiebeschikking 16596 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.596 Rolnummer: A. 246966/VII-43128 Zaak: Cassatiebeschikking 16596 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-13 Raadplegingen: 173 - laatst gezien 2026-06-18 06:29 Fiche Beschikking nr 16.596 van 6 februari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.596 van 6 februari 2026 in de zaak A. 246.966/VII-43.128 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Annelies Nachtergaele kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 januari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 337.067 van 3 december 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 januari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel
  2. Wat betreft de door verzoekster aangevoerde schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest onder meer: VII-43.128-1/5 “Het waarborgen van een recht op respect voor het privé- en/of familie- en gezinsleven, veronderstelt het bestaan van een privé- en/of familie- en gezinsleven dat beschermenswaardig is onder artikel 8 van het EVRM. Dit privé- en/of familie- en- gezinsleven dient te bestaan op het moment van de bestreden beslissing. De Raad kijkt in eerste instantie na of verzoekster een beschermenswaardig privé- en/of familie- en gezinsleven aanvoert in de zin van het EVRM, vooraleer te onderzoeken of een inbreuk werd gepleegd op het recht op respect voor het privé- en/of familie- en gezinsleven door het nemen van de bestreden beslissing. Verzoekster beroept zich op het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven met haar minderjarige Afghaanse broer die in België werd erkend als vluchteling. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verweerder het bestaan van een dergelijk beschermenswaardig gezinsleven niet aanvaardt. Hij motiveert dat de band tussen broers en zussen niet noodzakelijkerwijs onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM valt. Daartoe is vereist dat het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid die anders zijn dan de gewone affectieve banden wordt aangetoond. Verweerder motiveert dat er geen enkel dergelijk bewijs – zoals foto’s, bewijs van communicatie of bewijzen van financiële afhankelijkheid – wordt voorgelegd. De Raad kan enkel vaststellen dat dit motief in overeenstemming is met de informatie vervat in het administratief dossier. Het gegeven dat de minderjarige referentiepersoon tijdens zijn asielprocedure heeft verklaard dat hij nog contact had met zijn broers en zussen, kan op zich niet als een sluitend bewijs van bijkomende afhankelijkheid worden aanvaard. Verzoekster betoogt daarentegen dat zij als oudste zus sinds het overlijden hun ouders een moederrol heeft opgenomen ten aanzien van haar broers en zussen en bijgevolg een belangrijke zorgfiguur is voor hen. In dit specifieke geval moet volgens verzoekster wel degelijk het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid worden aanvaard, aangezien de kinderen op elkaar zijn toegewezen sinds het overlijden van hun ouders en op niemand anders kunnen terugvallen. Het is in het hoger belang van de minderjarige referentiepersoon om zich te kunnen herenigen met zijn gezin. Verzoekster lijkt er vanuit te gaan dat omwille van het enkele feit dat hun ouders zijn overleden, zij sindsdien per definitie de ouderrol vervult en daarom moet worden aangenomen dat er dan ook een bijzondere afhankelijkheidsband bestaat. Zij is het dan ook oneens met de motieven van de bestreden beslissing daaromtrent. Verzoekster voert aan dat het bestaan van een gezinsleven tussen minderjarige broers en zussen volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) zonder meer wordt aanvaard, doch ze verliest hierbij uit het oog dat er in casu geen sprake is van een gezinsband tussen minderjarige kinderen onderling maar wel tussen een meerderjarige zus met haar minderjarige broer. Verzoekster toont niet aan dat het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven ook in die situatie zonder meer wordt vermoed. Verzoekster kan evenmin worden gevolgd waar ze, in weerwil van de beoordeling gedaan door verweerder, stelt dat alsnog het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid moet worden aanvaard. Verzoekster weerlegt niet dat ze geen enkel concreet bewijs van bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft voorgelegd, zoals foto’s, communicatiebewijzen of bewijzen van financiële afhankelijkheid. Hoewel de Raad begrip opbrengt voor de persoonlijke situatie van het gezin, kan uit het enkele feit dat de ouders overleden zijn niet worden afgeleid dat er daarom per definitie een bijzondere afhankelijkheidsband tussen de kinderen bestaat. Bij gebrek aan concrete bewijzen die duiden op een bijkomende afhankelijkheidsband, die verder gaat dan de gewoonlijke affectieve banden, kan het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM dan ook niet worden aanvaard. Verzoeksters kritiek dat het gezinsleven onmogelijk kan worden verderzet in Afghanistan of dat er op de Belgische staat een positieve verplichting zou rusten om VII-43.128-2/5 haar naar België te laten komen zodat zij haar gezinsleven alhier kan verderzetten, is bijgevolg niet dienstig.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing heeft onderzocht. Door verder de door verzoekster opgeworpen schending van artikel 8 van het EVRM te onderzoeken, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet in de plaats van de verwerende partij gesteld doch de wettigheid van de aanvankelijk bestreden beslissing onderzocht. Verzoekster toont derhalve niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn in artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ bepaalde annulatiebevoegdheid heeft overschreden.
  3. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. Tweede onderdeel van het enige middel
  4. Verzoekster acht artikel 8 van het EVRM geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “niet [antwoordt] op de concrete omstandigheden uiteengezet in het verzoekschrift” en hij “[d] oor te oordelen dat uit het overlijden van beide ouders geen bijzondere afhankelijkheidsband kan worden afgeleid, zonder rekening te houden met deze concrete elementen, […] bijkomende vereisten [stelt] aan het bestaan van gezinsleven die niet voortvloeien uit artikel 8 EVRM zoals uitgelegd door het EHRM”. Verzoeksters kritiek is in wezen beperkt tot de verwijzing naar enkele arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaruit volgens verzoekster voortvloeit dat een beschermenswaardig gezinsleven kan bestaan tussen broers en zussen wanneer er tussen hen een emotionele en sociale afhankelijkheid bestaat die verder gaat dan de normale emotionele banden tussen broers en zussen. Louter met deze verwijzing, die veeleer een andere feitelijke beoordeling vereist waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is, toont verzoekster geen schending aan van artikel 8 van het EVRM. Zij gaat immers voorbij aan de supra geciteerde motivering van het bestreden arrest, waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich, anders dan verzoekster het ziet, niet beperkt tot “een abstracte overweging dat het overlijden van de ouders niet per definitie leidt tot een bijzondere afhankelijkheidsband, zonder de concrete situatie van VII-43.128-3/5 verzoekster en haar minderjarige broer te onderzoeken”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt onder meer vast dat de verwerende partij het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven niet heeft aanvaard, dat de verwerende partij in de aanvankelijk bestreden beslissing motiveert “dat de band tussen broers en zussen niet noodzakelijkerwijs onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM valt. Daartoe is vereist dat het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid die anders zijn dan de gewone affectieve banden wordt aangetoond” en “dat er geen enkel dergelijk bewijs – zoals foto’s bewijs van communicatie of bewijzen van financiële afhankelijkheid – wordt voorgelegd”, dat dit motief in overeenstemming is met de informatie vervat in het administratief dossier en dat “verzoekster […] niet [weerlegt] dat ze geen enkel concreet bewijs van bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft voorgelegd, zoals foto’s, communicatiebewijzen of bewijzen van financiële afhankelijkheid”. In de mate dat verzoekster het niet eens is met deze beoordeling, vraagt zij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
  5. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  7. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.128-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zes februari tweeduizend zesentwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.128-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.596 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.