← België

Cassatiebeschikking 16597 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.597 Rolnummer: A. 246969/VII-43129 Zaak: Cassatiebeschikking 16597 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-13 Raadplegingen: 173 - laatst gezien 2026-06-18 06:29 Fiche Beschikking nr 16.597 van 6 februari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.597 van 6 februari 2026 in de zaak A. 246.969/VII-43.129 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Annelies Nachtergaele kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 januari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 337.066 van 3 december 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 januari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel
  2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest wat betreft de door verzoekster aangevoerde schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) dat verzoekster er niet in slaagt de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing te weerleggen om zodoende de opgeworpen schending aan te tonen en overweegt onder meer: VII-43.129-1/5 “Het waarborgen van een recht op respect voor het privé- en/of familie- en gezinsleven, veronderstelt het bestaan van een privé- en/of familie- en gezinsleven dat beschermenswaardig is onder artikel 8 van het EVRM. Dit privé- en/of familie- en- gezinsleven dient te bestaan op het moment van de bestreden beslissing. De Raad kijkt in eerste instantie na of verzoekster een beschermenswaardig privé- en/of familie- en gezinsleven aanvoert in de zin van het EVRM, vooraleer te onderzoeken of een inbreuk werd gepleegd op het recht op respect voor het privé- en/of familie- en gezinsleven door het nemen van de bestreden beslissing. Verzoekster stelt dat het bestaan van een gezinsleven tussen minderjarige broers en zussen zonder meer wordt aanvaard. Het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven tussen een minderjarige broer en een meerderjarige zus die een betekenisvolle rol speelt in het leven van haar broer en die als moederfiguur fungeert, moet volgens verzoekster ook worden aanvaard. Ze stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar bijzondere situatie: hun ouders zijn overleden waardoor de broers en zussen enkel nog elkaar hebben. In dit specifieke geval is er dan ook sprake van een bijzondere afhankelijkheidsband. Daarnaast acht verzoekster artikel 8 van het EVRM eveneens geschonden omdat verweerder geen oog heeft gehad voor het hoger belang van het kind, hetgeen nochtans wel is vereist krachtens deze bepaling. In de bestreden beslissing wordt aangaande artikel 8 van het EVRM het volgende gesteld: ‘Er werd verwezen naar art. 8 EVRM. Artikel 8 EVRM definieert noch het begrip ‘familie- en gezinsleven’ noch het begrip ‘privéleven’. De band tussen broers en zussen valt niet noodzakelijk onder de bescherming van art. 8 van het EVRM: ‘Er dient op te worden gewezen dat waar de gezinsband tussen partners, alsook tussen ouders en minderjarige kinderen wordt verondersteld, het anders ligt in de relatie tussen ouders en meerderjarige kinderen. In het arrest Mokrani t. Frankrijk (15 juli 2003) stelt het EHRM dat betrekking tussen ouders en meerderjarige kinderen ‘ne beneficieront pas nécessairement de la protection de l’article 8 de la Convention sans que soit démontrée l’existence d’éléments supplémentaires de dépendance, autres que les liens affectifs normaux.’ (vrije vertaling : niet noodzakelijk de bescherming van artikel 8 van het EVRM van het Verdrag genieten zonder dat het bestaan is aangetoond van bijkomende elementen van afhankelijkheid die anders zijn dan de gewone affectieve banden). Hetzelfde geldt ten aanzien van broers, zussen. Er werd geen enkel bewijs hieromtrent voorgelegd (geen foto’s, geen bewijs van de communicatie, financiële afhankelijkheid enzovoort). De weigering tot afgifte van een humanitair visum is niet in strijd met de bepalingen van Art 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Het bestaan van vermeende familiale en affectieve banden met de te vervoegen persoon in België betekent niet dat de toepassing van artikel 8 van het EVRM welke betrekking heeft op de eerbiediging van het privéleven en het familiale leven, absoluut is. Dit artikel belet de lidstaten van de EU dan ook niet voorwaarden te stellen aan de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen op hun grondgebied, op voorwaarde dat de tussenkomst van de overheid wettelijk geregeld of ingegeven is door één of meerdere doelen die in artikel 8, tweede alinea van het EVRM werden uiteengezet en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving om deze te bereiken. De wet van 15.12.1980 is een wet welke overeenkomt met de eisen vermeld in de tweede alinea van artikel 8 EVRM.’ Aldus blijkt dat verweerder het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM niet aanvaardt. Verzoekster brengt geen verweer aan dat toelaat hierover anders te besluiten. Zoals verzoekers ook zelf aangeeft, heeft de bescherming die artikel 8 van het EVRM biedt hoofdzakelijk betrekking op het kerngezin (cf. EHRM 9 oktober 2003, Slivenko/Letland (GK), § 94). Banden met andere gezinsleden dan die van het kerngezin of familieleden, zoals in casu de band tussen een meerderjarige zus met haar minderjarige broer, worden slechts gelijkgesteld VII-43.129-2/5 met een gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM indien het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid, andere dan de gewoonlijke affectieve banden, wordt aangetoond. Verweerder motiveert dat verzoekster het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet heeft aangetoond. Hiervan werd immers geen enkel bewijs – zoals foto’s, bewijzen van communicatie of bewijzen van financiële afhankelijkheid – voorgelegd. Het gegeven dat verzoeksters minderjarige broer in het kader van zijn asielprocedure heeft verklaard nog regelmatig contact te onderhouden met zijn broers en zussen, volstaat daartoe niet. Verzoekster weerlegt niet dat ze geen enkel concreet bewijs van bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft voorgelegd. Hoewel de Raad begrip opbrengt voor de persoonlijke situatie van het gezin, kan uit het enkele feit dat de ouders overleden zijn niet worden afgeleid dat er daarom per definitie een bijzondere afhankelijkheidsband tussen de kinderen bestaat. Bij gebrek aan concrete bewijzen die duiden op een bijkomende afhankelijkheidsband, die verder gaat dan de gewoonlijke affectieve banden, kan het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM dan ook niet worden aanvaard. Verzoeksters’ kritiek dat het gezinsleven onmogelijk kan worden verderzet in Afghanistan of dat er op de Belgische staat een positieve verplichting zou rusten om haar naar België te laten komen zodat zij haar gezinsleven alhier kan verderzetten, is bijgevolg niet dienstig.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing heeft onderzocht. Door verder de door verzoekster opgeworpen schending van artikel 8 van het EVRM te onderzoeken, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet in de plaats van de verwerende partij gesteld doch de wettigheid van de aanvankelijk bestreden beslissing onderzocht. Verzoekster toont derhalve niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn in artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ bepaalde annulatiebevoegdheid heeft overschreden.
  3. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. Tweede onderdeel van het enige middel
  4. Verzoekster acht artikel 8 van het EVRM geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “niet [antwoordt] op de concrete omstandigheden uiteengezet in het verzoekschrift” en hij “[d] oor te oordelen dat uit het overlijden van beide ouders geen bijzondere afhankelijkheidsband kan worden afgeleid, zonder rekening te houden met deze concrete elementen, […] bijkomende vereisten [stelt] aan het bestaan van gezinsleven die niet voortvloeien uit artikel 8 EVRM zoals uitgelegd door het EHRM”. VII-43.129-3/5 Verzoeksters kritiek is in wezen beperkt tot de verwijzing naar enkele arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaruit volgens verzoekster voortvloeit dat een beschermenswaardig gezinsleven kan bestaan tussen broers en zussen wanneer er tussen hen een emotionele en sociale afhankelijkheid bestaat die verder gaat dan de normale emotionele banden tussen broers en zussen. Louter met deze verwijzing, die veeleer een andere feitelijke beoordeling vereist waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is, toont verzoekster geen schending aan van artikel 8 van het EVRM. Zij gaat immers voorbij aan de supra geciteerde motivering van het bestreden arrest, waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich, anders dan verzoekster het ziet, niet beperkt tot “een abstracte overweging dat het overlijden van de ouders niet per definitie leidt tot een bijzondere afhankelijkheidsband, zonder de concrete situatie van verzoekster en haar minderjarige broer te onderzoeken”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt onder meer vast dat de verwerende partij het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven niet heeft aanvaard en dat verzoekster “geen verweer aan[brengt] dat toelaat hierover anders te besluiten”, dat de verwerende partij in de aanvankelijk bestreden beslissing “motiveert dat verzoekster het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet heeft aangetoond”, dat [h]iervan […] immers geen enkel bewijs – zoals foto’s, bewijzen van communicatie of bewijzen van financiële afhankelijkheid – [werd] voorgelegd en dat “verzoekster […] niet [weerlegt] dat ze geen enkel concreet bewijs van bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft voorgelegd”. In de mate dat verzoekster het niet eens is met deze beoordeling, vraagt zij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
  5. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  7. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.129-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zes februari tweeduizend zesentwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.129-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.597 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.