← België

Cassatiebeschikking 16598 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.598 Rolnummer: A. 245665/VII-43000 Zaak: Cassatiebeschikking 16598 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-11 Raadplegingen: 156 - laatst gezien 2026-06-18 06:10 Fiche Beschikking nr 16.598 van 9 februari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.598 van 9 februari 2026 in de zaak A. 245.665/VII-43.000 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Jespers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 augustus 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 330.499 van 30 juli 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 september 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Algemeen
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of VII-43.000-1/5 onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. De jurisdictionele motiveringsplicht houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Artikel 74/11, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), zoals het gold op het ogenblik van de aanvankelijk bestreden beslissing, bepaalt dat “[d]e duur van het inreisverbod wordt vastgesteld door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval”. Naar luid van het vierde lid van deze bepaling kan “[d]e beslissing tot verwijdering […] gepaard gaan met een inreisverbod van meer dan vijf jaar, indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid”. Een motivering waarom een inreisverbod van meer dan vijf jaar wordt opgelegd, volstaat daartoe niet. Uit de motivering dient eveneens te blijken waarom wordt gekozen voor een bepaalde duur, in de voorliggende zaak tien jaar. Eerste onderdeel van het enige middel
  3. Volgens verzoeker bevat de aanvankelijk bestreden beslissing “geen specifieke motivering met betrekking tot de duur van het inreisverbod” en kan “[h]et bestreden arrest […] niet uit een administratieve beslissing specifieke motieven distilleren voor wat betreft de duurtijd van het inreisverbod, die als dusdanig, wat wil zeggen in relatie tot de duurtijd, niet in de administratieve beslissing ontwikkeld werden”. Dat de motieven van het bestreden arrest verkeerd of onwettig zouden zijn, vormt geen schending van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Hij vermag dus niet de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing over te doen door zelf de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. VII-43.000-2/5 Na eerst te hebben vastgesteld dat in de aanvankelijk bestreden beslissing wel degelijk wordt gemotiveerd waarom verzoeker als een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde wordt beschouwd, overweegt Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “De door verweerder verstrekte overwegingen laten ook eenvoudig toe vast te stellen waarom hij opteerde voor een inreisverbod met een geldigheidsduur van tien jaar. In dit verband dient erop te worden gewezen dat artikel 74/11, § 1, eerste lid van de Vreemdelingenwet voorziet dat bij het bepalen van de duur van het inreisverbod ‘de specifieke omstandigheden van elk geval’ in aanmerking moeten worden genomen en dat verweerder – die in de bestreden beslissing uitdrukkelijk heeft verwezen naar deze verplichting – duidelijk heeft aangegeven welke feitelijke elementen hij in aanmerking nam en welke afwegingen hij maakte om te besluiten dat een inreisverbod met een geldigheidsduur van tien jaar, volgens hem, proportioneel is. Uit de overwegingen in de bestreden beslissing blijkt dat verweerder enerzijds een zwaar gewicht heeft toegekend aan de misdrijven die verzoeker in het verleden heeft gepleegd en het gegeven dat de strafuitvoeringsrechtbank een eerder toegestane voorlopige invrijheidsstelling heeft herroepen en anderzijds geen echte redenen zag om de duur van het inreisverbod te beperken. Verweerder heeft hierbij expliciet toegelicht waarom hij de aanwezigheid van verzoekers kinderen in het Rijk niet zag als een reden om geen inreisverbod op te leggen of om te kiezen voor een inreisverbod met een kortere duur. Hij heeft gesteld dat niet blijkt dat verzoeker sedert zijn ambtelijke schrapping in 2012 nog een gezin zou hebben gevormd met zijn voormalige partner en hun gezamenlijk minderjarig kind en dat ook geen stukken werden aangebracht aangaande de wijze waarop hij een invulling zou geven aan enig gezins- of familieleven. Hij heeft toegelicht dat de impact van een beslissing die tot gevolg heeft dat verwanten niet kunnen samenwonen in het Rijk minder groot is indien zij in het verleden ook al niet samenwoonden. Hij heeft daarnaast gewezen op de mogelijkheid om contacten te onderhouden via de telefoon en/of internet en gesteld dat niet blijkt dat verzoekers minderjarig kind hem, al dan niet onder begeleiding, niet zou kunnen opzoeken in het land waar hij zich zal vestigen. Inzake verzoekers relatie met zijn meerderjarige kinderen heeft verweerder nog gesteld dat deze relatie niet zonder meer onder het toepassingsgebied van artikel 8 van het EVRM valt, aangezien er geen afhankelijkheidsband kon worden vastgesteld. Hij heeft ook in aanmerking genomen dat verzoeker een verklaring opstelde waarin hij aangaf zo snel mogelijk naar zijn land van herkomst te willen terugkeren en stelde dat zijn kinderen zich hier niet tegen verzetten. Voorts heeft verweerder nog vermeld dat verzoeker verklaarde geen gezondheidsprobleem te hebben. Verweerder heeft, gelet op de motivering van de bestreden beslissing, duidelijk de belangen van verzoekers kinderen en de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 en 8 van het EVRM bij zijn besluitvorming betrokken en uiteengezet waarom, gezien de eerdere ernstige verstoringen van de openbare orde, hij een inreisverbod met een geldigheidsduur van tien jaar verantwoord en niet strijdig met deze verdragsbepalingen acht.” Met het voorgaande geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan dat en waarom hij van oordeel is dat de duur van het inreisverbod van tien jaar wel degelijk is gemotiveerd in de aanvankelijk bestreden beslissing. Met die beoordeling blijkt artikel 74/11, § 1, van de vreemdelingenwet niet te zijn geschonden. VII-43.000-3/5
  4. Uit de supra geciteerde motieven van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel heeft nagegaan of de aanvankelijk bestreden beslissing is gemotiveerd wat de duur van het inreisverbod betreft. Verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet vermag “zich in de plaats te stellen van de administratieve overheid en een eigen redengeving te ontwikkelen die geen grondslag vindt in de bestreden administratieve beslissing”, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel van het enige middel
  5. Op grond van de in punt 2 supra geciteerde motieven oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de in de aanvankelijk bestreden beslissing “verstrekte overwegingen […] ook eenvoudig toe[laten] vast te stellen waarom [de verwerende partij] opteerde voor een inreisverbod met een geldigheidsduur van tien jaar” en dat de verwerende partij, “gelet op de motivering van de [aanvankelijk] bestreden beslissing, duidelijk de belangen van verzoekers kinderen en de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 en 8 van het EVRM bij [haar] besluitvorming [heeft] betrokken en uiteengezet waarom […] [zij] een inreisverbod met een geldigheidsduur van tien jaar verwantwoord en niet strijdig met deze verdragsbepalingen acht”. De Raad voor Vreemdelingebetwistingen oordeelt dus dat de aanvankelijk bestreden beslissing wel een motivering bevat betreffende de duur van het inreisverbod. Nu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit aanvaardt, blijkt geen schending van artikel 74/11 van de vreemdelingenwet. Verder is de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd om de voormelde beoordeling over te doen in de plaats van de eerste rechter. Dat de Raad van State in een andere zaak op grond van een andere beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot een ander besluit is gekomen, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Derde onderdeel van het enige middel
  6. Verzoeker is het niet eens met de beoordeling in het bestreden arrest dat de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing proportioneel, precies en nauwkeurig VII-43.000-4/5 zijn op zich, minstens in verhouding tot een inreisverbod van 10 jaar. Hij vraagt hiermee in wezen een nieuwe beoordeling van de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing. De Raad van State treedt als cassatierechter echter niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag zich dus niet in de plaats van de annulatierechter te stellen en zich op die wijze zelf uit te spreken over de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing. Conclusie
  7. Het enige middel is in zijn drie onderdelen kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negen februari tweeduizend zesentwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.000-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.598 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.