← België

Cassatiebeschikking 16614 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.614 Rolnummer: A. 245613/VII-42997 Zaak: Cassatiebeschikking 16614 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-18 Raadplegingen: 160 - laatst gezien 2026-06-18 06:32 Fiche Beschikking nr 16.614 van 12 februari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.614 van 12 februari 2026 in de zaak A. 245.613/VII-42.997 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 augustus 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 330.537 van 30 juli 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 5 september 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Met betrekking tot verzoekers beschermingsstatus en verblijfsstatuut in Griekenland overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn met toepassing van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) genomen beschikking van 22 april 2025, die in het bestreden arrest is opgenomen: VII-42.997-1/9 “[…] De Raad herinnert eraan dat de verzoekende partij reeds een internationale beschermingsstatus heeft verkregen in Griekenland en dat in casu wordt vermoed dat ze geen nood heeft aan internationale bescherming in België, precies omdat ze reeds internationale bescherming geniet in een ander land. Er liggen geen elementen voor waaruit kan blijken dat ze niet langer over de beschermingsstatus beschikt in Italië. Uit de richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) (hierna: richtlijn 2011/95/EU) blijkt dat de verleende beschermingsstatus onverkort blijft gelden zolang er een nood is aan bescherming en slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd (cf. de artikelen 11, 14, 16 en 19 van de Kwalificatierichtlijn). De bewijslast met betrekking tot de eerder verleende internationale bescherming(sstatus) in toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° berust inderdaad bij het Commissariaat-generaal, doch eens hieraan is voldaan, het aan de verzoeker die de actualiteit of effectiviteit van deze bescherming ter discussie stelt, persoonlijk toekomt om aan te tonen dat hij/zij niet (meer) op deze bescherming kan rekenen. Het komt aldus aan de verzoekende partij zelf en niet aan het Commissariaat-generaal toe om het bewijs te leveren dat ze in Griekenland niet langer internationale bescherming geniet. De verzoekende partij blijft hier echter in gebreke. Dit wordt tevens niet aangetoond door de verzoekende partij in het verzoekschrift. Ze toont immers niet aan dat louter omwille van het feit dat haar geboortedatum fout zijn geregistreerd op de identificatiebadge van het opvangcentrum, haar beschermingsstatus niet rechtsgeldig zou zijn. Er kan dan ook vanuit worden gegaan dat ze op heden nog steeds over de vluchtelingenstatus in Griekenland beschikt. Waar een vorig verzoek werd afgewezen omdat een andere lidstaat reeds een internationale beschermingsstatus heeft verleend, moeten de nieuwe elementen of feiten, gelet op wat voorafgaat, aldus verband houden met de situatie van de verzoekende partij in de lidstaat die reeds internationale bescherming heeft verleend en die de verdere toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet op haar specifieke omstandigheden verhinderen. […]Beide partijen brengen actuele landeninformatie bij waaruit blijkt dat er in Griekenland sprake is van een zeer precaire situatie waardoor de grootste voorzichtigheid en zorgvuldigheid zijn geboden bij de beoordeling van beschermingsverzoeken van statushouders in Griekenland. In dit verband moet rekening worden gehouden met ‘alle gegevens van de zaak’ (HvJ 19 maart 2019, Ibrahim e.a., pt. 89) en is het noodzakelijk op basis van de individuele omstandigheden van de verzoekende partij haar verzoek te beoordelen, waarbij het aan de verzoekende partij toekomt om in dit verband de nodige concrete elementen aan te reiken die van aard zijn om het vermoeden dat zij zich kan beroepen op de beschermingsstatus die haar in Griekenland werd verleend en de rechten die daaruit voortvloeien zodanig zijn dat zij niet terechtkomt in een staat van zeer verregaande materiële deprivatie te weerleggen. Uit de door beide partijen bijgebrachte landeninformatie blijkt dus o.a. dat de situatie voor statushouders in en bij terugkeer naar Griekenland verslechterd is en erg precair is. Dit is o.a. het gevolg van de administratieve obstakels waarmee zij worden geconfronteerd waardoor zij in erg moeilijke en schrijnende levensomstandigheden kunnen terecht komen met belemmeringen inzake de toegang tot onder meer socio- economische en medische hulp. De verzoekende partij maakt vooreerst niet aannemelijk dat zij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die haar zou verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenland, of waardoor zij bij terugkeer naar VII-42.997-2/9 Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De verzoekende partij voegt bij haar verzoekschrift een medisch document toe waaruit blijkt dat de verzoekende partij zich slecht voelt en verklaart dat ze niet veel slaapt en nachtmerries heeft. Ze verklaart dat ze bang is en doodsbang is bij de gedachte om terug te keren naar Griekenland. Dit rapport concludeert dat de verzoekende partij veel symptomen vertoont van posttraumatische stress en intense psychische stress die haar belemmert in het dagelijkse leven. Ze heeft negatieve cognitieve stoornissen, een afname van interesse of deelname aan zinvolle activiteiten en ze vertoont irritant gedrag en concentratieproblemen. Dit rapport toont echter niet aan dat de verzoekende partij omwille van haar mentale problemen niet in haar levensonderhoud kan voorzien waardoor ze bij een terugkeer naar Griekenland in een toestand van verregaande materiële deprivatie zal terechtkomen. In dit rapport wordt immers naar voor gebracht dat de verzoekende partij te kampen heeft met interne stress die haar belemmert in haar dagelijkse leven maar er wordt op geen enkele manier verduidelijkt op welke manier de verzoekende partij belemmert wordt in haar dagelijkse leven of in welke mate de verzoekende partij door haar mentale moeilijkheden niet in haar levensonderhoud kan voorzien. Uit deze documenten kan dan ook niet blijken dat de verzoekende partij over een bijzondere kwetsbaarheid in de zin van de relevante Europese rechtspraak. Er kan dus niet op objectieve wijze een bijzondere kwetsbaarheid in hoofde van verzoekende partij worden vastgesteld. Aldus brengt verzoekende partij wat betreft haar persoonlijke situatie geen specifieke elementen die blijk geven van een bijzondere kwetsbaarheid die haar zou verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenland, of waardoor zij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het psychologisch rapport kan dus niet beschouwd worden als een nieuw element die de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maakt. In de mate dat de verzoekende partij verwijst naar het gegeven dat ze geen Griekse verblijfsdocumenten heeft en dus bij een terugkeer naar Griekenland niet in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien, gaat ze voorbij aan wat hierover in het arrest van 23 september 2024 met nummer 313 328 is geoordeeld. Hier werd immers gesteld dat de verzoekende partij over een familiaal netwerk in Europa beschikt en de nodige financiële middelen heeft om bij een terugkeer naar Griekenland en in afwachting van de verlenging van haar Griekse verblijfsdocumenten aan eventuele problemen het hoofd te bieden. Er werd vastgesteld dat de verzoekende partij een tante heeft in België en een oom en neef in Denemarken. Haar financiële middelen blijken uit het feit dat haar moeder haar 3600 euro heeft gegeven en ze de schulden van haar vader kon betalen bij zijn overlijden. In het voormeld arrest werd eveneens vastgesteld dat de verzoekende partij beschikt over de nodige zelfredzaamheid daar ze er in slaagde om van Griekenland naar België te reizen en in de mogelijkheid was om valse papieren te bekomen. De verzoekende partij brengt geen elementen bij waaruit zou kunnen blijken dat deze beoordeling niet langer juist zou zijn. Het voormelde arrest heeft verder ook vastgesteld dat ze niet de nodige inspanningen heeft gedaan om haar te integreren in de Griekse samenleving. Zo verliet ze nog geen maand na het verkrijgen van de vluchtelingenstatus Griekenland en nam ze geen stappen om Griekse documenten te bekomen na haar erkenning. De verzoekende partij brengt geen elementen bij die deze beoordeling in een ander daglicht kunnen stellen. Waar de verzoekende partij stelt dat haar vader vermoord werd doorleden van PFLP- GG, werd in het arrest van 23 september 2024 met nummer 313 328 gesteld dat de deze bewering door de verzoekende partij op geen enkele wijze wordt gestaafd. Door op heden dit louter te herhalen maakt ze dit niet verder aannemelijk. Dit kan dus niet VII-42.997-3/9 beschouwd worden als een nieuw element die de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maakt. In ditzelfde arrest werd gesteld dat de slechte behandeling in het opvangcentrum zich situeert op een welbepaalde plaats, in een welbepaalde periode en binnen een welbepaalde context. Hierdoor is de situatie niet representatief voor de verzoekende partij als begunstigde van internationale bescherming en aan de rechten die verbonden zijn aan een dergelijke status. Haar betoog dat ze niet aanwezig was in Griekenland toen in haar hoofde een beslissing werd genomen in het kader van haar verzoek om internationale bescherming, toont niet aan dat ze internationale bescherming werd toegekend in Griekenland. Het toont ook niet aan dat ze niet op het Griekse grondgebied zou worden toegelaten of geen verlenging van haar Griekse verblijfsdocumenten zou kunnen bekomen. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat de verzoekende partij in het verzoekschrift stelt dat de beslissing van de commissaris-generaal niet rechtsgeldig werd genomen maar op geen enkele manier uitlegt hoe zij tot deze vaststelling is bekomen. Het is de verantwoordelijkheid van de verzoekende partij om uiteen te zetten waarom zij van mening is dat een bepaalde rechtsregel of rechtsbeginsel wordt geschonden. De verzoekende partij laat dit echter volledig na. Haar betoog waar zij stelt dat de bestreden beslissing niet rechtsgeldig werd genomen is dan ook niet-ontvankelijk. Bijgevolg lijkt de verzoekende partij geen nieuwe elementen aan te brengen noch lijken er nieuwe feiten aan de orde te zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat ze in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van dezelfde wet.” In het bestreden arrest bevestigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voormelde beoordeling uit zijn beschikking van 22 april 2025: “[…] De Raad beklemtoont dat verzoekende partij haar huidig, tweede verzoek om internationale bescherming in België door het CGVS niet-ontvankelijk werd verklaard overeenkomstig artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5° van de Vreemdelingenwet, waarbij bij voormelde beschikking werd vastgesteld dat er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoekende partij werden voorgelegd overeenkomstig artikel 57/6/2 van de Vreemdelingenwet. Verzoekende partij toont niet aan dat onterecht toepassing werd gemaakt door het CGVS van voormelde wetsbepaling waarbij haar beschermingsverzoek niet-ontvankelijk werd verklaard. Er is derhalve geen reden om het beschermingsverzoek in België ten gronde ten aanzien van het land van herkomst te beoordelen. Om die reden is de verwijzing in de ter zitting neergelegde aanvullende nota naar rechtspraak van het Hof van Justitie van 18 juni 2024 in de zaak C-735/22 QY tegen Bondsrepubliek Duitsland niet dienstig. In casu ligt geen ontvankelijk beschermingsverzoek voor. Er is hier geen verder onderzoek nodig. Die argumentatie in de ter zitting neergelegde aanvullende nota is aldus niet dienstig. De situatie in en verwijzing naar het land van herkomst is ter zake niet dienstig gelet op de internationale bescherming die verzoekende partij in Griekenland geniet en waarvan zij niet aantoont dat deze niet meer actueel of toereikend is.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt aldus vast dat verzoeker internationale bescherming in Griekenland geniet, waardoor wordt vermoed dat hij VII-42.997-4/9 geen nood heeft aan internationale bescherming in België en dat geen elementen voorliggen waaruit kan blijken dat hij niet langer beschikt over deze beschermingsstatus. Hij overweegt onder meer dat “de verleende beschermingsstatus onverkort blijft gelden zolang er een nood is aan bescherming en slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd”, dat in de mate dat verzoeker verwijst naar het gegeven dat hij geen Griekse verblijfsdocumenten heeft en dus bij terugkeer naar Griekenland niet in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien, hij voorbijgaat “aan wat hierover in het arrest van 23 september 2024 met nummer 313 328 is geoordeeld. Hier werd immers gesteld dat de verzoekende partij over een familiaal netwerk in Europa beschikt en de nodige financiële middelen heeft om bij een terugkeer naar Griekenland in afwachting van de verlenging van haar Griekse verblijfsdocumenten aan eventuele problemen het hoofd te bieden”, dat verzoeker “geen elementen bij[brengt] waaruit zou kunnen blijken dat deze beoordeling niet langer juist zou zijn” en dat verzoeker “niet de nodige inspanningen heeft gedaan om [zich] te integreren in de Griekse samenleving. Zo verliet [hij] nog geen maand na het verkrijgen van de vluchtelingenstatus Griekenland en nam [hij] geen stappen om Griekse documenten te bekomen na [zijn] erkenning. De verzoekende partij brengt geen elementen bij die deze beoordeling in een ander daglicht kunnen stellen”, dat verzoeker niet aantoont dat louter omwille van het feit dat zijn geboortedatum fout is geregistreerd op de identificatiebadge van het opvangcentrum, zijn beschermingsstatus niet rechtsgeldig zou zijn en dat verzoekers betoog dat hij niet aanwezig was in Griekenland toen in zijnen hoofde een beslissing werd genomen over zijn verzoek om internationale bescherming, niet aantoont dat hij niet op het Griekse grondgebied zou worden toegelaten of geen verlenging van zijn Griekse verblijfsdocumenten zou kunnen bekomen.
  2. Op grond van de voormelde elementen acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bewezen dat verzoeker nog steeds internationale bescherming geniet in Griekenland. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve zonder schending van artikel 57/6, § 3, 3°, van de vreemdelingenwet oordelen dat het vervolgens aan verzoeker toevalt het bewijs te leveren dat hij geen of geen effectieve internationale bescherming meer geniet in Griekenland. In de mate dat verzoeker een andere beoordeling voorstelt van de voorhanden zijnde elementen, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. VII-42.997-5/9
  3. Volgens verzoeker hanteert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij zijn beoordeling van de “nieuwe elementen in de zin van artikel 57/6/2, §1 Vreemdelingenwet […] een te restrictieve en formalistische lezing” en heeft hij onvoldoende rekening gehouden met de door verzoeker verstrekte “actuele en substantiële aanwijzingen […] van een verslechterde situatie voor statushouders in Griekenland, in combinatie met zijn actuele medische en psychologische toestand”. Aangaande verzoekers voorgehouden bijzondere kwetsbaarheid wordt in de beschikking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 22 april 2025 overwogen: “De verzoekende partij maakt vooreerst niet aannemelijk dat zij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die haar zou verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenland, of waardoor zij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De verzoekende partij voegt bij haar verzoekschrift een medisch document toe waaruit blijkt dat de verzoekende partij zich slecht voelt en verklaart dat ze niet veel slaapt en nachtmerries heeft. Ze verklaart dat ze bang is en doodsbang is bij de gedachte om terug te keren naar Griekenland. Dit rapport concludeert dat de verzoekende partij veel symptomen vertoont van posttraumatische stress en intense psychische stress die haar belemmert in het dagelijkse leven. Ze heeft negatieve cognitieve stoornissen, een afname van interesse of deelname aan zinvolle activiteiten en ze vertoont irritant gedrag en concentratieproblemen. Dit rapport toont echter niet aan dat de verzoekende partij omwille van haar mentale problemen niet in haar levensonderhoud kan voorzien waardoor ze bij een terugkeer naar Griekenland in een toestand van verregaande materiële deprivatie zal terechtkomen. In dit rapport wordt immers naar voor gebracht dat de verzoekende partij te kampen heeft met interne stress die haar belemmert in haar dagelijkse leven maar er wordt op geen enkele manier verduidelijkt op welke manier de verzoekende partij belemmert wordt in haar dagelijkse leven of in welke mate de verzoekende partij door haar mentale moeilijkheden niet in haar levensonderhoud kan voorzien. Uit deze documenten kan dan ook niet blijken dat de verzoekende partij over een bijzondere kwetsbaarheid in de zin van de relevante Europese rechtspraak. Er kan dus niet op objectieve wijze een bijzondere kwetsbaarheid in hoofde van verzoekende partij worden vastgesteld. Aldus brengt verzoekende partij wat betreft haar persoonlijke situatie geen specifieke elementen die blijk geven van een bijzondere kwetsbaarheid die haar zou verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenland, of waardoor zij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het psychologisch rapport kan dus niet beschouwd worden als een nieuw element die de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maakt.” In het bestreden arrest voegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog toe: VII-42.997-6/9 “Wat betreft de argumentatie ter zitting met betrekking tot verzoekende partij haar mentale problematiek alsook de moeilijkheid om haar Griekse documenten te verlengen / vernieuwen, merkt de Raad op dat met die elementen reeds terdege rekening werd gehouden en hierop concreet wordt ingegaan in voormelde beschikking, waarbij wordt geoordeeld dat dit geen elementen betreffen die gekwalificeerd kunnen worden als nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoekende partij voor internationale bescherming in aanmerking komt. De Raad verwijst hiervoor naar de beschikking, waaronder punt 4 van de beschikking, waarbij o.a. wordt geoordeeld: - Verzoekende partij brengt wat haar persoonlijke situatie betreft geen specifieke elementen aan die blijk geven van een bijzondere kwetsbaarheid die haar zou verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenland, of waardoor zij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het psychologisch rapport kan niet beschouwd worden als een nieuw element dat de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maakt;” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt soeverein of er al dan niet nieuwe elementen aan de orde zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt zoals voorzien in artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet. Voor zover verzoeker stelt dat de door hem aangevoerde elementen wel nieuwe elementen zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat hij in aanmerking zou komen voor de erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet of voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus op grond van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet, moet worden opgemerkt dat het niet aan de Raad van State als administratieve cassatierechter toevalt om die beoordeling opnieuw te doen. Hetzelfde geldt overigens voor wat betreft de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter of hij kan komen tot een bevestiging of een hervorming van de aanvankelijk bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Met het bestreden arrest wordt uitspraak gedaan over verzoekers beroep tegen de verwerping van zijn tweede verzoek om internationale bescherming. Er wordt in overwogen dat zijn vorig (eerste) verzoek om internationale bescherming “niet-ontvankelijk [werd verklaard] omdat [hij] reeds internationale bescherming had verkregen in Griekenland en [hij] geen elementen aanbracht op grond waarvan kon worden besloten dat de [hem] toegekende bescherming niet langer bestaande of effectief was”, zodat “[d]e kernvraag is of [de door verzoeker aangevoerde] elementen kunnen worden gekwalificeerd als nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat [verzoeker] voor erkenning als vluchteling VII-42.997-7/9 of voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt”. In punt 5.
  4. van het bestreden arrest maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een omstandige analyse van de “[s]ituatie van Griekse statushouders in en bij terugkeer naar Griekenland”, waarin hij ook de door verzoeker bijgebrachte informatie betrekt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concludeert dat verzoeker “[m]et de loutere verwijzing naar de bijgebrachte en beschikbare algemene landeninformatie [niet] [aan]toont […] dat elke begunstigde van internationale [bescherming] in Griekenland zich in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zoals geduid door het Hof van Justitie bevindt of dat hij of zij er bij terugkeer automatisch in zal belanden”, zodat “[e]en individuele beoordeling van verzoekende partij haar concrete, persoonlijke situatie en voorliggend beschermingsverzoek […] dus aan de orde [blijft]”. Vervolgens gaat hij in op de “[i]ndividuele situatie van verzoekende partij als Grieks statushouder” en oordeelt hij dat [i]n de beschikking van 22 april 2025 wordt vastgesteld dat wat de persoonlijke situatie van verzoekende partij als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland betreft, geen nieuwe elementen voorliggen die de kans aanzienlijk groter maken dat zij voor internationale bescherming in aanmerking komt” en “[w]at betreft de argumentatie ter zitting […] met die elementen reeds terdege rekening werd gehouden en hierop concreet wordt ingegaan in voormelde beschikking, waarbij wordt geoordeeld dat dit geen elementen betreffen die gekwalificeerd kunnen worden als nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoekende partij voor internationale bescherming in aanmerking komt”. Verzoeker, die thans aanvoert dat onvoldoende onderzoek is gevoerd betreffende zijn middelen, netwerk of andere ondersteuning bij een terugkeer naar Griekenland, gaat voorbij aan de vaststelling in het bestreden arrest dat hij in zijn tweede verzoek om internationale bescherming geen elementen aanhaalt die anders doen besluiten dan de beoordeling van zijn vorig verzoek om internationale bescherming. Met slechts te verwijzen naar “

(1)de middelen,
(2)het netwerk of
(3)andere ondersteuning waarop verzoeker beroep kan doen bij een terugkeer naar Griekenland”, toont verzoeker niet aan dat hij nieuwe elementen heeft aangevoerd die in het bestreden arrest op onwettige wijze buiten beschouwing zouden zijn gelaten of waarover niet zou zijn gemotiveerd. Verder wordt in de met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet genomen beschikking van 22 april 2025 voor wat betreft verzoekers Griekse verblijfsdocumenten verwezen naar het arrest van 23 september 2024 met nummer 313.328 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarin werd gesteld dat verzoeker beschikt over een familiaal netwerk in Europa en de nodige financiële middelen heeft om bij terugkeer naar Griekenland en in afwachting van de VII-42.997-8/9 verlenging van zijn Griekse verblijfsdocumenten aan eventuele problemen het hoofd te bieden. Waar verzoeker verwijst naar zijn medische en psychologische toestand, wordt verwezen naar hetgeen hierover supra is gesteld. Door verder aan te voeren dat geen actueel onderzoek werd gevoerd naar verzoekers zelfredzaamheid, zoals aangenomen in het arrest van 23 september 2024, toont verzoeker niet aan dat hij dienaangaande enig concreet “nieuw element” heeft ingeroepen waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte niet is ingegaan. Bijgevolg toont hij op die wijze ook geen schending aan van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf februari tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.997-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.614 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.