id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.615 Rolnummer: A. 245579/VII-42993 Zaak: Cassatiebeschikking 16615 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-16 Raadplegingen: 155 - laatst gezien 2026-06-18 06:32 Fiche Beschikking nr 16.615 van 12 februari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.615 van 12 februari 2026 in de zaak A. 245.579/VII-42.993 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Sint-Quentinstraat 3/3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 augustus 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 329.705 van 10 juli 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 5 september 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel Eerste middelonderdeel
- Na artikel 57/6/2, § 1, eerste lid van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van VII-42.993-1/11 vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) te hebben geciteerd, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze dat, “[o]m een volgend verzoek om internationale bescherming ontvankelijk te kunnen verklaren, […] er dus nieuwe elementen aanwezig [moeten] zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker om internationale bescherming in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van dezelfde wet”. In het stadium waarin de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt en oordeelt of de voorhanden zijnde nieuwe elementen “de kans aanzienlijk groter maken” dat verzoeker in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van die wet, wordt dus nog niet beslist of verzoeker wordt erkend als vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus krijgt. Bijgevolg oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, na te hebben benadrukt “dat de bestreden beslissing werd genomen op basis van artikel 57/6/2, § 1 iuncto artikel 57/9, eerste lid van de Vreemdelingenwet, dat aan de adjunct-commissaris de bevoegdheid geeft om een volgend verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren indien er geen nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door de verzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoeker voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt”, op wettige wijze dat de aangevoerde schending van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet “juridische grondslag” mist. Uit het voorgaande blijkt ook waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die beoordeling steunt, zodat verzoeker in dat opzicht geen schending van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht aantoont. Tweede middelonderdeel
- Nu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze oordeelt dat verzoeker te dezen geen schending van de artikel 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet kan inroepen, kan verzoekers kritiek dat artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden “relevant” kan zijn bij de beoordeling op grond van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet niet VII-42.993-2/11 tot de cassatie van het bestreden arrest leiden. Verder stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze vast dat te dezen geen verwijderingsmaatregel wordt opgelegd. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van artikel 3 van het EVRM noch van artikel 149 van de Grondwet of van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Derde middelonderdeel
- Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte zou vermelden dat verzoeker in zijn eerste middel ook een schending van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet heeft opgeworpen, terwijl dit niet zo zou zijn, kan de strekking van het bestreden arrest niet hebben beïnvloed. Dit geldt des te meer nu verzoeker zich volgens het bestreden arrest niet kan beroepen op de voormelde artikelen 48/3 en 48/
- Conclusie
- Het eerste middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel Eerste middelonderdeel
- Verzoekers standpunt dat de overschrijding van de in artikel 57/6, § 3, vierde lid, van de vreemdelingenwet bepaalde termijn van orde op zich leidt tot een omkering van de bewijslast waardoor de verwerende partij zou moeten bewijzen dat de redelijke termijn niet is overschreden, faalt naar recht. Overigens wordt dat standpunt helemaal niet gevolgd in het arrest van het Hof van Cassatie waarnaar verzoeker verwijst. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer dat het een termijn van orde betreft, dat de vreemdelingenwet geen sanctie voorziet indien deze termijn wordt overschreden, dat het overschrijden van de termijn van tien werkdagen dan ook geen verlies van bevoegdheid met zich meebrengt, dat het overschrijden van deze termijn aldus niet tot gevolg heeft dat de verwerende partij niet (langer) VII-42.993-3/11 bevoegd zou zijn om het ingediende verzoek om internationale bescherming op grond van artikel 57/6, § 3, vierde lid, van de vreemdelingenwet onontvankelijk te verklaren, dat verzoeker in casu niet aantoont dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet binnen een redelijke termijn werd genomen en dat verzoeker ook niet met concrete argumenten aannemelijk maakt dat hij persoonlijk werd benadeeld door het gegeven dat de aanvankelijk bestreden beslissing is genomen buiten de voorziene termijn van tien werkdagen. In het licht van de algemene kritiek die verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft opgeworpen, blijkt dan ook geen schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Tweede middelonderdeel
- Verzoeker heeft zijn kritiek op het overschrijden van de in artikel 57/6, § 3, vierde lid, van de vreemdelingenwet bepaalde termijn van orde voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uiteengezet in het zevende onderdeel van het eerste middel. Uit het dossier van de zaak blijkt dat deze kritiek geen verwijzing bevat naar het bij het beroepschrift gevoegde stuk 20 noch de inhoud ervan bevat. Artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet leggen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op te antwoorden op de inhoud van een stuk dat niet wordt vermeld of waarvan de inhoud niet wordt aangehaald in het desbetreffende middel. Verzoeker toont derhalve geen gebrek aan in de motivering van het bestreden arrest. Om die reden is ook geen sprake van een schending van de bewijskracht van stukken als bedoeld in artikel 8.17 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. Derde middelonderdeel
- Uit de motivering van het bestreden arrest en de beoordeling ervan in punt 5 supra blijkt dat en waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat het overschrijden van de in artikel 57/6, § 3, vierde lid, van de vreemdelingenwet bedoelde termijn van orde niet tegenstrijdig is met het alsnog nemen van een beslissing van niet- ontvankelijkheid. Conclusie VII-42.993-4/11
- Het tweede middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middel Eerste middelonderdeel
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt met betrekking tot verzoekers attest van 16 februari 2018, afgeleverd door de Vertegenwoordiging van de Koerdische Regionale Overheid bij de EU en België: “Verzoeker wijst in zijn verzoekschrift vooreerst op het door hem voorgelegde identiteitsattest dat werd afgeleverd op 16 februari 2018 door de Vertegenwoordiging van de Koerdische Regionale Overheid bij de EU en België, waarin de Koerdische autoriteiten bevestigen dat verzoeker geboren is in [S.] en is toegevoegd aan het dossier van zijn advocaat. De Raad merkt in dit verband op dat dit attest hoogstens kan aantonen dat verzoeker geboren werd in [S.] doch niet kan staven dat verzoeker daar zijn hele leven, namelijk tot net voor zijn vertrek naar Europa, zou hebben gewoond. Waar verzoeker betoogt dat dit attest de DVZ heeft toegelaten om zijn afkomst als bewezen te beschouwen en [S.] dan ook prijkt als geboorteplaats op de A-kaart die hem toegelaten heeft rechtmatig op het Belgisch grondgebied te verblijven […], merkt de Raad andermaal op dat [S.] hier wordt aangeduid als verzoekers geboorteplaats, maar nergens wordt gesteld, en verzoeker evenmin aantoont, dat hij daar ook zijn hele leven verbleven heeft. Verzoeker kan voorts niet worden gevolgd waar hij stelt dat de ‘bestreden beslissing eenvoudigweg een groter belang (lijkt) te hechten aan de activiteiten van een Facebookprofiel, zoals geraadpleegd door het CGVS in 2017, en dat verzoeker overigens pas gecreëerd heeft na zijn aankomst op het Belgisch grondgebied, dan aan de identiteitscontrole die de DVZ uitgevoerd heeft in het kader van een 9ter-procedure en die aanleiding heeft gegeven tot de afgifte van een A-kaart’. Uit de bestreden beslissing blijkt namelijk dat, in het kader van verzoekers eerste tot en met zevende asielaanvraag, zijn Facebookprofiel een extra indicatie vormt om te besluiten tot de ongeloofwaardigheid van zijn voorgehouden herkomst uit […], daar uit zijn profiel op Facebook blijkt dat een groot deel van zijn vrienden op Facebook gelinkt kunnen worden aan [...], wat evenwel niet in overeenstemming is met zijn verklaringen die hij in het kader van zijn eerdere asielaanvragen hierover afgelegd heeft, namelijk dat hij nog nooit van [...] gehoord zou hebben en geen contact meer zou hebben met mensen uit Irak. Aangezien het identiteitsbewijs, op basis waarvan de DVZ volgens verzoeker een identiteitscontrole zou hebben uitgevoerd, toen nog niet werd voorgelegd door verzoeker, houdt de redenering dat dit voor de adjunct-commissaris van minder belang zou zijn dan zijn profiel op Facebook dan ook geen steek. De Raad herhaalt andermaal dat uit het identiteitsbewijs louter kan blijken dat verzoeker geboren is in [S.], zoals ook op zijn A-kaart wordt vermeld […], doch hierin niet wordt vermeld, en de DVZ hier evenmin een standpunt over inneemt […], waar in Irak verzoeker de rest van zijn leven tot aan zijn vertrek naar Europa zou hebben doorgebracht. Verzoeker betoogt verder dat het uitgesloten is dat ‘het identiteitsbewijs van 16 februari 2018 reeds ter kennis gekomen was van het CGVS in het kader van de vorige asielprocedure’. Hij voegt toe dat hij mentale moeilijkheden heeft en er tijdens zijn interview bij de DVZ geen vertrouwenspersoon of een raadsman aanwezig was, VII-42.993-5/11 waardoor het volgens hem niet zorgvuldig is van de adjunct-commissaris voort te gaan op de verklaringen die hij heeft afgelegd bij de DVZ. De Raad stelt in dit verband vast dat verzoekers achtste verzoek om internationale bescherming inderdaad negatief werd afgesloten in december 2017 na een procedure bij de Raad, waardoor voormeld identiteitsbewijs geen element geweest kan zijn in deze procedure, doch verzoeker weliswaar tijdens zijn interview bij de DVZ verklaart dat de documenten uit het dossier van zijn advocaat documenten zijn die hij eerder had neergelegd […]. Daarentegen is het wel mogelijk dat verzoeker dit document eerder overmaakte in het kader van zijn procedure tot medische regularisatie in het kader van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet bij de DVZ, zoals hij ook in zijn verzoekschrift stelt. Hoe dan ook kan dit document geen verdere duidelijkheid scheppen over verzoekers levensomstandigheden en verblijfssituatie in of buiten Irak voorafgaand aan zijn komst naar Europa, zoals hoger herhaaldelijk aangehaald, en is het niet van aard een ander licht te werpen op de eerder, in het kader van verzoekers voorgaande verzoeken om internationale bescherming gedane vaststelling dat hij in gebreke blijft de asielinstanties zicht te bieden op zijn werkelijke regio van herkomst en verblijfplaats(en) voorafgaand aan zijn komst naar België.” Met die overwegingen geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet alleen aan dat het attest van 16 februari 2018 de plaats S. enkel vermeldt als verzoekers geboorteplaats (hetgeen door verzoeker niet als dusdanig wordt betwist) doch beoordeelt hij dit eveneens in de context van een aantal andere gegevens van de zaak. Verzoekers kritiek mist in die mate feitelijke grondslag, zodat ook geen schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet blijkt. Evenmin blijkt een schending van artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet, nu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dat en waarom het attest van 16 februari 2018 geen nieuw element vormt dat de kans voor verzoeker aanzienlijk groter maakt om te worden erkend als vluchteling of om de subsidiaire beschermingsstatus te verkrijgen. Voor zover verzoeker wat dat betreft een ander standpunt verdedigt, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Het recht op tegenspraak, dat deel uitmaakt van het recht op verdediging, houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn voorgenomen beoordeling van verzoekers attest van 16 februari 2018, namelijk dat dit enkel verzoekers geboorteplaats vermeldt doch dat daaruit geen verdere verblijfplaats kan worden afgeleid, op voorhand ter kennis zou moeten brengen van verzoeker. Tweede middelonderdeel VII-42.993-6/11
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt betreffende de door verzoeker voorgehouden gewijzigde toestand in Irak en de door verzoeker bijgebrachte landeninformatie: “Waar verzoeker verder herhaalt te behoren tot de Koerdische minderheid in Irak, Badini te spreken en de aanwezigheid van Daesh in de provincie […] een risico met zich meebrengt, wijst de Raad er andermaal op dat verzoeker niet aannemelijk weet te maken dat hij tot zijn vertrek uit Irak in [S.] in de provincie […] heeft verbleven. Door in zijn verzoekschrift en aanvullende nota louter zijn vrees ten aanzien van zijn vermeende herkomstregio te herhalen en ter staving hiervan te verwijzen naar algemene landeninformatie, brengt verzoeker in de huidige stand van zaken geen nieuwe elementen aan die zijn kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maken. De adjunct-commissaris kan verder worden gevolgd waar hij in de bestreden beslissing nog het volgende stelt: ‘U op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) echter gevraagd wat uw actuele toestand in Irak is, en/of uw verklaarde problemen er nog actueel zijn, stelt u dat niet te weten. U weet alleen dat uw leven er niet goed was maar dat u verder niks weet over Irak, dat u intussen meer weet over België. Dit laconieke antwoord kan duidelijk niet volstaan […]. Indien u een vrees voor terugkeer koestert naar uw land van origine, kan in alle redelijkheid van u worden verwacht dat u zich op de hoogte houdt van eventuele ontwikkelingen die een invloed zouden kunnen hebben op uw eigen persoonlijke situatie aldaar. Dat u dit niet heeft gedaan, is andermaal veelzeggend, te meer uit een voorgaand Facebook-verificatie bleek dat u, minstens via sociale media, wel degelijk in contact staat met andere Koerdische jongeren uit de regio […]. Aldus hekelt u ook het gegeven dat u hier in België, geen hulp, uitkering of mogelijkheid tot werken krijgt. Deze elementen hebben geen uitstaans met uw situatie in Irak, maar zijn wel het gevolg van de negatieve uitkomst van uw opeenvolgende verzoeken […]. Dat u desondanks de verschillende weigeringsbeslissingen vanwege de Belgische asielinstanties hieraan geen gevolg gaf doch toch telkenmale besloot in België te blijven, betreft dan ook louter uw eigen keuze.’ Deze motieven vinden steun in het administratief dossier, zijn deugdelijk en pertinent en worden, daar zij door verzoeker geheel ongemoeid worden gelaten in zijn verzoekschrift, door de Raad overgenomen en beschouwd als zijnde hier hernomen. Het betoog van verzoeker is niet dienstig om de analyse van de bestreden beslissing te weerleggen of te ontkrachten. […] Waar verzoeker verder in zijn verzoekschrift en aanvullende nota wijst op de voortdurende aanwezigheid van Daesh en de ontwikkelingen op vlak van veiligheid in de provincie […] in Irak, en meent dat er aldaar sprake is van willekeurig geweld, herhaalt de Raad dat verzoeker geen zicht biedt op zijn feitelijke regio van herkomst in Irak. In dit kader benadrukt de Raad dat het hem niet toekomt om te speculeren over de werkelijke verblijfplaatsen en achtergrond van verzoeker voor zijn komst naar België en over de vraag of hij al dan niet afkomstig is uit of kan verblijven in een regio waar geen risico op ernstige schade aanwezig is in de zin van artikel 48/5, § 3 van de Vreemdelingenwet. Bijgevolg maakt verzoeker het door zijn eigen toedoen onmogelijk om zijn werkelijke nood aan bescherming in te schatten.” Uit de voorgaande motieven blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de door verzoeker bijgebrachte bijkomende VII-42.993-7/11 (algemene) landeninformatie niet kan worden beschouwd als een nieuw element dat de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maakt voor verzoeker. Verzoeker gaat voorbij aan de beoordeling van zijn individuele situatie en ingeroepen vrees. Hij toont derhalve geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Derde middelonderdeel
- De aanvankelijk bestreden beslissing, die in het bestreden arrest wordt geciteerd, bevat de volgende vaststellingen over de door verzoeker in Frankrijk en Duitsland ingediende verzoeken om internationale bescherming: “Op 11 mei 2023 verzocht u een negende maal om asiel. U geeft momenteel aan dat u in maart 2022 naar Frankrijk bent gereisd, waar u een maand, in niet al te beste omstandigheden, op straat heeft verbleven en om asiel heeft verzocht. In het kader van de Dublin-regelgeving werd beslist dat u naar België diende terug te keren. Op 19 augustus 2022 heeft u vervolgens een negatieve beslissing gekregen van België omdat u naar Frankrijk was vertrokken. Omdat u hier geen hulp en onderdak kreeg, bent u op 15 september 2022 naar Duitsland gereisd. U verbleef er in een opvangcentrum te […]. U verzocht er eveneens om asiel, maar opnieuw werd besloten dat in het kader van de Dublin-akkoorden België verantwoordelijk was voor uw asielverzoek. In april 2023 werd u door de Duitse politie naar België overgebracht, waar u een nieuw verzoek indiende. […] U geeft ook aan dat u probeerde in Frankrijk om asiel te verzoeken, alsook in Duitsland, doch steeds weer in het kader van de Dublin-wetgeving naar België diende terug te keren, waar uw situatie uitzichtloos is geworden, net omdat u telkens een weigeringsbeslissing kreeg […]. Echter, u zou pas in maart 2022 naar Frankrijk zijn gereisd, terwijl reeds op 20 december 2017 het beroep tegen uw achtste asielverzoek door de RvV werd geweigerd. U heeft aldus nog meer dan 4 jaar gewacht alvorens opnieuw een vrees kenbaar te maken, zij het dan in Frankrijk. Wat u in die 4 jaar heeft gedaan, waar u heeft verbleven, en/of waarom u niet eerder een nieuw volgend verzoek heeft ingediend in België – tenminste indien u meent dat uw situatie ernstig is –, is geheel onduidelijk. Alleszins getuigt deze houding niet van een vrees voor vervolging.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt betreffende verzoekers “traject”: “Verzoeker kan worden gevolgd in zoverre hij betoogt dat uit het begeleidend schrijven van zijn raadsman, het attest van zijn psychiater van 5 november 2023 […] en de stukken van zijn administratief dossier die hij bij zijn verzoekschrift voegt […] zijn traject gedurende de afgelopen jaren genoegzaam blijkt, doch hij betwist niet dat er meer dan vijf jaar verstreken zijn tussen de verwerping van het beroep tegen de beslissing genomen op zijn achtste verzoek om internationale bescherming in België en het indienen van zijn negende verzoek alhier. Verzoeker blijft in gebreke te verklaren VII-42.993-8/11 waarom hij, indien hij een daadwerkelijke vrees voor vervolging koestert ten aanzien van zijn land van herkomst, niet eerder dan op 11 mei 2023 een nieuw volgend verzoek heeft ingediend in België, temeer daar het identiteitsattest dat hij heden presenteert als doorslaggevend bewijs van zijn vermeende herkomst uit […], reeds van 16 februari 2018 dateert […].” Met de vaststelling in het bestreden arrest dat verzoeker na zijn achtste verzoek in België pas zijn negende verzoek in België heeft ingediend op 11 mei 2023 wordt er niet aan voorbijgegaan noch ontkend, hetgeen reeds in de aanvankelijk bestreden beslissing is vastgesteld, dat verzoeker ook in Frankijk en Duitsland heeft verbleven en er verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend. Er is dan ook geen sprake van tegenstrijdige motieven waardoor artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet zouden zijn geschonden. Vierde middelonderdeel
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “Voorts wordt aangaande de medische attesten die verzoeker in het kader van zijn eerdere asielaanvragen heeft neergelegd, in de bestreden beslissing nog als volgt gemotiveerd: ‘Voor zover de door u voorgelegde (medische) attesten bovendien stelden dat uw toenmalige psychische toestand zijn oorzaak vond in onverwerkte trauma’s uit het verleden, beginnende bij de dood van uw ouders in Irak en de psychische en fysische mishandelingen door uw oom, diende te worden opgemerkt dat deze attesten niet volstonden om de door u aangehaalde problemen als dusdanig aan te tonen, een dergelijk (medisch) attest vormt immers geenszins een sluitend bewijs voor de omstandigheden waarin de vastgestelde psychische letsels zouden zijn opgelopen. Waar een arts zich nog kan verlaten op fysieke letsels en symptomen, is een psycholoog of psychiater bij het vaststellen van zijn diagnose en de eventuele achterliggende feiten immers afhankelijk van hetgeen hem in de gezegden van zijn patiënt werd/wordt aangereikt. Gezien de hierboven reeds aangetoonde ongeloofwaardigheid van uw voorgehouden herkomst en daarmee verbonden problemen, kon uw psychische toestand en de bijhorende (medische) attesten bijgevolg uw geloofwaardigheid niet herstellen.’ Verzoeker kan niet overtuigen waar hij deze motieven betwist door aan te voeren dat psychologen en psychiaters op basis van wetenschappelijk onderbouwde methoden, waarbij het taalgebruik en gedrag van de patiënt een rol spelen, hun diagnoses vaststellen. Zo dit inderdaad het geval kan zijn, stelt de Raad vast dat dit geen afbreuk doet aan de terechte vaststelling in de bestreden beslissing dat deze attesten geen sluitend bewijs kunnen vormen voor de omstandigheden waarin verzoeker deze psychische letsels heeft opgelopen, daar de betrokken psycholoog of psychiater zich uitsluitend kan baseren op verzoekers verklaringen in dit verband. De door verzoeker voorgelegde psychologische/psychiatrische attesten bevatten geen objectieve gegevens op grond waarvan een link tussen de bij verzoeker vastgestelde psychische problemen VII-42.993-9/11 en de door hem aangehaalde traumatische gebeurtenissen in zijn land van herkomst kan worden vermoed. Verzoeker kan aldus niet worden gevolgd in zoverre hij in zijn verzoekschrift van oordeel is dat op basis van voormelde attesten een vermoeden van behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM dient te worden aangenomen dat door het CGVS dient te worden weerlegd. Zijn verwijzing in dit verband naar het arrest van het EHRM in de zaak R.J. t. Frankrijk van 19 september 2013 is derhalve niet dienstig.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beoordeelt als feitenrechter soeverein de bewijswaarde van de stukken waarop de partijen zich beroepen, te dezen de door verzoeker bijgebrachte medische attesten. De Raad van State vermag als cassatierechter niet deze beoordeling over te doen. Dit betreft het in aanmerking nemen van zowel de volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangetoonde ongeloofwaardigheid van verzoekers voorgehouden herkomst en de daarmee verbonden problemen als het feit dat de door verzoeker voorgelegde psychologische/psychiatrische attesten geen objectieve gegevens bevatten op grond waarvan een link tussen de bij verzoeker vastgestelde psychische problemen en de door hem aangehaalde traumatische gebeurtenissen in zijn land van herkomst kan worden vermoed. Verzoeker toont dan ook geen schending aan van artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet of van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Verder toont verzoeker met de algemene stelling dat die link wel zou blijken uit de kwestieuze medische attesten, zonder dit ook maar enigszins nader te duiden, geen schending aan van de bewijskracht van stukken overeenkomstig artikel 8.17 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. Conclusie
- Het derde middel is in zijn vier onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.993-10/11 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf februari tweeduizend zesentwintig , door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.993-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.615 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div