id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.619 Rolnummer: A. 246648/VII-43107 Zaak: Cassatiebeschikking 16619 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-24 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-06-18 06:38 Fiche Beschikking nr 16.619 van 23 februari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.619 van 23 februari 2026 in de zaak A. 246.648/VII-43.107 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 december 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 335.534 van 5 november 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 23 januari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Algemeen 1. Verzoeker werpt in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van het enige middel gaat hij slechts in op een aantal van deze bepalingen. Verzoekers kritiek wordt hierna in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen is op kennelijk niet ontvankelijke wijze opgeworpen. VII-43.107-1/7 Eerste onderdeel van het enige middel 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepaling. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat “[n]iemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen”. Deze bepaling stemt letterlijk overeen met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). 3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt in punt 5.6. van het bestreden arrest op grond van “de meeste recente en volledige landenrapporten waarover [hij] in de huidige fase van de procedure beschikt”, waarbij hij tevens verwijst naar “de door beide partijen aangebrachte verschillende rapporten”, een omstandige analyse van de situatie van begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland. Hierin gaat hij uitgebreid in op de noodzaak van een ADET (Griekse verblijfsvergunning) en de moeilijkheden om deze te verkrijgen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent “dat de situatie van statushouders in Griekenland op dit ogenblik nog steeds bijzonder problematisch is” en hij merkt op dat de bureaucratische hindernissen, de lengte van een procedure voor de afgifte of vernieuwing van documenten, de politieke visie van de Griekse autoriteiten, de gebrekkige uitvoering van integratieprogramma’s, het gebrek aan tolken en de discriminatie bij de toegang tot socialezekerheidsuitkeringen “barrières [vormen] die ervoor zorgen dat statushouders binnen de Griekse samenleving in (zeer) precaire omstandigheden VII-43.107-2/7 kunnen leven”. Na te hebben verwezen naar de vereiste van het bereiken van “een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid […], wat afhangt van alle gegevens [van] de zaak”, vervolgt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Rekening houdend met de ter beschikking gestelde informatie overweegt de Raad in de huidige stand van zaken dat er niet kan worden geconcludeerd dat (
- i)de levensomstandigheden van statushouders in Griekenland van die aard zijn dat elke statushouder bij terugkeer naar dat land a priori een reëel risico loopt om terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig (zouden) staan en dat (
- ii)een meer diepgaande individuele beoordeling niet langer nodig is. De hoger vermelde informatie over de situatie in Griekenland is op zichzelf niet voldoende om zonder meer te concluderen dat de bescherming die wordt geboden aan iedereen die daar internationale bescherming heeft bekomen, niet langer effectief of voldoende zou zijn, noch dat alle statushouders bij een terugkeer naar Griekenland zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie daar gekenmerkt door grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden. Het bovenstaande neemt niet weg dat statushouders zich in of bij terugkeer naar Griekenland in een zeer precaire situatie kunnen bevinden, waardoor de grootste voorzichtigheid en zorgvuldigheid zijn geboden bij de beoordeling van beschermingsverzoeken van begunstigden van internationale bescherming in Griekenland. In dit verband moet rekening worden gehouden met ‘alle gegevens van de zaak’ (HvJ 19 maart 2019, gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim e.a. / Bundesrepublik Deutschland, pt. 89) en is het noodzakelijk om het verzoek om internationale bescherming van verzoeker op basis van zijn individuele omstandigheden te beoordelen. In deze moet bijzondere aandacht worden besteed aan het bestaan van een eventuele kwetsbaarheid van de verzoekers, aan hun individuele profiel en hun vermogen om rechten te doen gelden, stappen te ondernemen en in hun eigen basisbehoeften te voorzien. Wat deze individuele omstandigheden verder betreft, blijken de recente wetswijzigingen een daadwerkelijke toegang voor statushouders tot hun rechten en voordelen verder te bemoeilijken. In het bijzonder lijken ze voor statushouders wiens ADET is verstreken deze toegang in sommige gevallen zelfs te verhinderen. Het komt verzoekende partij toe om in dit verband de nodige concrete elementen aan te reiken die van aard zijn om het vermoeden dat zij zich op de beschermingsstatus die haar in Griekenland werd verleend en de daaruit voortvloeiende rechten kan beroepen en dat zij niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie te weerleggen.” Met het voorgaande geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan dat en op grond van welke informatie hij van oordeel is: - dat niet voor iedere begunstigde van internationale bescherming in Griekenland kan worden besloten dat hij bij een terugkeer naar Griekenland zou dreigen terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor zijn situatie zou kunnen worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals vereist door het VII-43.107-3/7 Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 19 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland; - dat “een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden” niet volstaat voor zover de “zeer verregaande materiële deprivatie” niet wordt bereikt; - dat met alle omstandigheden van de zaak rekening moet worden gehouden; - dat het daarom “noodzakelijk [is] om het verzoek om internationale bescherming van verzoeker op basis van zijn individuele omstandigheden te beoordelen”. Verzoeker beperkt zich tot algemene kritiek doch toont hiermee niet aan dat de gegeven motieven niet zouden volstaan in het licht van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Zo gaat verzoeker eraan voorbij dat tal van overwegingen betreffende de algemene situatie voor statushouders in Griekenland betrekking hebben op de noodzaak om een ADET te verkrijgen en de problemen om ze te verkrijgen, terwijl uit de individuele beoordeling net blijkt dat verzoeker beschikt over een geldige verblijfsvergunning (ADET) die geldig is tot en met 26 januari 2026, hetgeen hem toelaat toegang te verkrijgen tot andere essentiële documenten en basisvoorzieningen. Dat verzoeker zijn fysieke (gedrukte) Griekse verblijfsdocumenten heeft vernietigd, doet hieraan volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen afbreuk nu nergens wordt aangetoond dat verzoeker in de onmogelijkheid zou verkeren om bij terugkeer naar Griekenland een duplicaat aan te vragen. Verzoeker gaat ook volledig voorbij aan de verdere individuele beoordeling van zijn situatie. Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de voorgaande beoordeling een betekenis zou hebben gegeven aan bepaalde stukken die niet overeenstemt met de bewoordingen of de inhoud ervan. Het loutere feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoeker verkeerde feitelijke of juridische gevolgtrekkingen zou hebben getrokken, houdt geen verband met de bewijskracht van akten zoals deze voortvloeit uit de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek. Daarmee toont hij evenmin aan dat de voormelde motieven tegenstrijdig zouden zijn De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schendt niet artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie door te oordelen dat, ook al kan sprake zijn van een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken personen, niet blijkt dat de begunstigden van VII-43.107-4/7 internationale bescherming in Griekenland zullen terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor hun situatie kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling. Verzoeker gaat hierbij ook voorbij aan de beoordeling van zijn individuele situatie. In de mate dat verzoeker het niet eens is met die analyse, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. 4. Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede onderdeel van het enige middel 5. Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt: “[e]enieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie”. Deze bepaling stemt letterlijk overeen met artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Wat betreft de door verzoeker opgeworpen schending van zijn recht op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “[…] In deze benadrukt de Raad dat het doel van de asielprocedure er niet in bestaat om het recht op eerbiediging van het gezinsleven te horen bevestigen. Wel heeft een asielprocedure als opzet internationale bescherming te verlenen aan personen die in hun land van herkomst een vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin koesteren of er een reëel risico lopen op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming, of zoals in casu na te gaan of de verzoekende partij zich in de Europese lidstaat die haar reeds internationale bescherming verleende, in casu Griekenland, niet langer kan beroepen op de bescherming die haar reeds werd toegekend. Bovendien toont verzoekende partij evenmin aan dat zij als persoon die de vluchtelingenstatus heeft in Griekenland in deze lidstaat geen gerechtelijke of andere stappen zou kunnen ondernemen indien zij meent dat haar recht op privé- en gezinsleven onder artikel 8 van het EVRM door deze beperkingen zou zijn geschonden. Ten slotte herinnert de Raad er aan dat een procedure gezinshereniging en een procedure verzoek om internationale bescherming twee onderscheiden procedures zijn met geheel andere en uiteenlopende doeleinden en voorwaarden. In zoverre verzoekende partij aanvoert dat zij de inbreuk op haar gezinsleven niet kon aanvaarden en dat een terugkeer naar Griekenland een schending zou uitmaken van artikel 8 van het EVRM, wijst de Raad er op dat dit niet het voorwerp uitmaakt van de procedure voor de Raad en haar betoog niet dienstig is. De bestreden beslissing strekt er niet toe haar gezinsleven te verhinderen of te bemoeilijken maar houdt enkel in dat haar verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard nu zij reeds internationale bescherming geniet in een andere EU-lidstaat. Bovendien betreft de bestreden beslissing geen verwijderingsbeslissing.” VII-43.107-5/7 Het bestreden arrest heeft betrekking op een beslissing houdende niet- ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming. Anders dan hoe verzoeker het ziet, wordt met die beslissing derhalve geen einde gesteld aan een bestaand gezinsleven noch houdt ze een verwijderingsmaatregel in, zoals ook door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt vastgesteld in het bestreden arrest. De bescherming geboden door artikel 8 van het EVRM kan er overigens niet toe leiden dat een verzoeker om internationale bescherming de vluchtelingenstatus wordt toegekend indien hij niet voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van die status. Met zijn kritiek dat “het recht op gezinsleven” wordt geschonden waar het bestreden arrest “verzoekers familieleven niet in aanmerking neemt bij de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming” gaat verzoeker voorbij aan de bovenstaande motivering uit het bestreden arrest, waarvan hij evenmin aantoont dat deze niet zou volstaan in het licht van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.107-6/7 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig februari tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.107-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.619 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div