id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 24 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.620 Rolnummer: A. 247082/VII-43137 Zaak: Cassatiebeschikking 16620 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-24 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-06-18 06:38 Fiche Beschikking nr 16.620 van 24 februari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.620 van 24 februari 2026 in de zaak A. 247.082/VII-43.137 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Simon Decoster kantoor houdend te 1030 Brussel Eugène Smitsstraat 28-30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 januari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 338.073 van 18 december 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 februari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker beroept zich op een psychologisch attest van 27 november
- Uit het rechtsplegingsdossier blijkt echter niet dat dit attest als stuk werd voorgelegd aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het stuk is nieuw en verzoeker kan er zich niet voor het eerst in graad van administratieve cassatie op beroepen. In de mate dat verzoeker “de motiveringsplicht geschonden [acht]”, alsook “de bewijskracht en draagwijdte van [het psychologisch attest] van […] 27 november 2024” kan zijn kritiek derhalve niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest. VII-43.137-1/4
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Wat betreft het medisch attest van 21 november 2022 overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Ter verschoning van zijn uiterst vage verklaringen over de omstandigheden van zijn tewerkstelling in de […] betoogt verzoeker in zijn middel dat hij weinig contact had met militairen, dat hij geheugenproblemen heeft en dat de feiten relatief oud zijn. Deze beweringen kunnen niet als rechtvaardiging gelden voor de vaststelling dat hij jarenlang met een 20 à 25-tal mensen nauw zou hebben samengewerkt, maar zo goed als geen enkele naam van een collega kan noemen […]. Als bijlage bij zijn aanvullende nota van 22 oktober 2025 voegt verzoeker weliswaar een attest van de psycholoog van het ‘E. S. F.’ van 21 november 2022 waarin gewag wordt gemaakt van ‘problèmes cognitifs’, maar hieruit kan niet worden besloten dat het voor verzoeker onmogelijk is om meer nauwkeurige verklaringen af te leggen over zijn voorgehouden jarenlange tewerkstelling op een grote legerbasis. […] […] Middels zijn aanvullende nota van 22 oktober 2025 voegde verzoeker een attest toe van één inburgeringscursus en een attest van de psychologe (Aanvullende nota verzoeker, 22 oktober 2025, bijlagen 3 en 4). Ter terechtzitting vult hij deze documenten aan met voorschriften voor medische onderzoeken en een attest waaruit blijkt dat hij sinds 22 augustus 2024 psychologisch wordt opgevolgd (Aanvullende nota verzoeker 23 oktober 2025, bijlagen 1 en 2). Verzoeker slaagt er ter terechtzitting niet in deze documenten in verband te brengen met zijn verzoek om internationale bescherming. Hij stelt ter terechtzitting dat hij aan kanker lijdt en ernstige rugproblemen heeft, maar de Raad merkt op dat er met betrekking tot medische problemen die in geval van terugkeer naar het land van herkomst aanleiding zouden geven tot een onmenselijke of vernederende behandeling, een specifieke procedure in de vreemdelingenwet werd VII-43.137-2/4 ingeschreven. Deze procedure heeft geen uitstaans met de procedure inzake internationale bescherming (zie HvJ 18 december 2014, nr. C-542/13, M’Bodj, §46 en HvJ 18 december 2014, C-562/13, Abdida, §§31-36).” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat verzoeker er niet in slaagt om het medisch attest van 21 november 2022 in verband te brengen met zijn verzoek om internationale bescherming. Daarnaast stelt hij dat het voormelde attest wel melding maakt van cognitieve problemen, doch daaruit niet noodzakelijk volgt dat het voor verzoeker onmogelijk is om meer nauwkeurige verklaringen af te leggen over zijn voorgehouden jarenlange tewerkstelling op een grote legerbasis. In de mate dat verzoeker het niet eens is met deze beoordeling toont hij met zijn kritiek geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Evenwel vraagt hij op die manier in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- De bewijskracht van een akte, afgeleid uit de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek, bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen schriftelijk is vastgelegd in die akte. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan. Uit de supra geciteerde passages van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan het medisch attest van 21 november 2022 geen inhoud toekent die in strijd is met de bewoordingen ervan, noch ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Waar het voormelde attest stelt: “[a]près observation, nous constatons les éléments suivants : problèmes cognitifs + PTSD + Dépression modéré ”, bevat het geen elementen die zouden ingaan tegen of tot een andere conclusie zouden moeten leiden dan de conclusie van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen dat “hieruit […] niet [kan] worden besloten dat het voor verzoeker onmogelijk is om meer nauwkeurige verklaringen af te leggen over zijn voorgehouden jarenlange tewerkstelling op een grote legerbasis”. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verkeerde feitelijke of juridische gevolgen zou trekken uit het voormelde attest, vormt overigens geen schending van de in de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek vervatte bewijskracht van akten. VII-43.137-3/4
- Verzoeker werpt in het opschrift van het enige middel nog de schending op van artikel 57/1 van de vreemdelingenwet maar laat na uiteen te zetten op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vierentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.137-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.620 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div