← België

Cassatiebeschikking 16622 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 25 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.622 Rolnummer: A. 247164/VII-43154 Zaak: Cassatiebeschikking 16622 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-02 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-06-18 06:38 Fiche Beschikking nr 16.622 van 25 februari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.622 van 25 februari 2026 in de zaak A. 247.164/VII-43.154 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hind Elgazi kantoor houdend te 2000 Antwerpen Terninckstraat 13 bus C1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 januari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 338.985 van 8 januari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 februari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Met de opgeworpen schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden stelt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling voor van de behandeling van statushouders in Griekenland en van zijn individuele situatie, die niet correct zou zijn getoetst aan de vraag of verzoeker als “een begunstigde van internationale bescherming bij terugkeer naar een andere lidstaat een VII-43.154-1/4 reëel risico loopt om, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie”. Verzoeker vraagt op die wijze een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoeker, die enkel zijn eigen standpunt kort herhaalt, gaat bovendien voorbij aan de omstandige motivering van het bestreden arrest, zowel met betrekking tot de algemene situatie voor statushouders in Griekenland, die onder meer wordt getoetst aan de “bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid” overeenkomstig de rechtspraak van Hof van Justitie van de Europese Unie, als met betrekking tot verzoekers individuele situatie, die concreet en uitgebreid wordt onderzocht.
  3. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
  4. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en het zorgvuldigheidsbeginsel” zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan.
  5. Het tweede middel is kennelijk niet ontvankelijk. Derde middel
  6. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft meermaals gesteld dat artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet is gericht tot de lidstaten maar uitsluitend tot de instellingen, organen en instanties van de Unie. Verzoeker kan zich er dan ook niet dienstig op beroepen (HvJ 11 december 2014, Boudjlida, C-249/13; HvJ 5 november 2014, Mukaburega, C-166/13; HvJ 17 juli 2014, Ys e.a., C-41/12 en C-372/12).
  7. Naar luid van artikel 56/3, § 3, 3°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) kan de verwerende partij een verzoek om VII-43.154-2/4 internationale bescherming onontvankelijk verklaren indien “de verzoeker reeds internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie”. Het wordt niet betwist dat verzoeker internationale bescherming geniet in Griekenland. Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “zich beperkt tot abstracte, algemene en stereotiepe overwegingen, zonder een daadwerkelijke, concrete en geïndividualiseerde analyse te maken van verzoekers persoonlijke situatie, kwetsbaarheid en feitelijke mogelijkheden om zijn rechten in Griekenland uit te oefenen”. Hij herhaalt andermaal kort zijn eigen standpunt. Hierbij gaat verzoeker andermaal voorbij aan de omstandige en concrete overwegingen in het bestreden arrest betreffende zijn individuele situatie, waarbij ook wordt ingegaan op zijn psychische toestand en de vraag of hij in staat is zijn rechten af te dwingen in Griekenland. Hij toont dan ook niet aan dat zijn verzoek om internationale bescherming niet individueel zou zijn onderzocht.
  8. Het derde middel is in de aangegeven mate kennelijk niet ontvankelijk, dan wel kennelijk ongegrond. Vierde middel
  9. Het evenredigheidsbeginsel is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. De vraag of een beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen al dan niet evenredig is, vormt bovendien een feitelijke beoordeling. De Raad van State is als cassatierechter echter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Verzoeker verwijst naar de gevolgen van de toepassing van artikel 57/6, § 3, 3°, van de vreemdelingenwet, doch hij gaat opnieuw voorbij aan de omstandige motivering in het bestreden arrest betreffende verzoekers individuele situatie.
  10. Het vierde middel is kennelijk niet ontvankelijk. VII-43.154-3/4 BESLUIT:
  11. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  12. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijfentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.154-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.622 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.