← België

Cassatiebeschikking 16625 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.625 Rolnummer: A. 247325/VII-43164 Zaak: Cassatiebeschikking 16625 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-03 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-06-18 06:38 Fiche Beschikking nr 16.625 van 27 februari 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.625 van 27 februari 2026 in de zaak A. 247.325/VII-43.164 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eva Madessis kantoor houdend te 5530 Yvoir Avenue de Fidevoye 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 februari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 340.029 van 23 januari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 februari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door verzoekster aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn, net als de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van State als cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die VII-43.164-1/3 beginselen of bepalingen zou hebben geschonden, de Raad van State kan zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter stellen om zelf te oordelen of de voornoemde beginselen of bepalingen waren geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing of niet. Verzoekster kan derhalve in de graad van administratieve cassatie niet op ontvankelijke wijze aanvoeren dat de aanvankelijk bestreden beslissing op onzorgvuldige wijze werd genomen, onredelijk was of niet afdoende was gemotiveerd en dat het bestreden arrest dit had moeten vaststellen. In de mate dat verzoekster haar voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geformuleerde kritiek tegen de aanvankelijk bestreden beslissing herhaalt, is het middel niet gericht tegen het bestreden arrest en derhalve niet ontvankelijk.
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. Met haar kritiek dat de “opvatting” van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “juridisch onjuist is”, dat hij “de toetsingsnorm die hij diende toe te passen verkeerd heeft gedefinieerd” en dat hij “een rechtsfout begaat door te oordelen dat de Dienst Vreemdelingenzaken het voorschrift van de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen heeft nageleefd”, toont verzoekster geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
  3. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  5. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.164-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zevenentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.164-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.625 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.