← België

Cassatiebeschikking 16640 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.640 Rolnummer: A. 247513/VII-43177 Zaak: Cassatiebeschikking 16640 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-19 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-06-18 06:38 Fiche Beschikking nr 16.640 van 9 maart 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.640 van 9 maart 2026 in de zaak A. 247.513/VII-43.177 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies Van Den Bruel kantoor houdend te 2300 Turnhout Wouwerstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 februari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 340.376 van 30 januari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 maart 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch het zorgvuldigheids-, vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur” zijn van toepassing op jurisdictionele beroepen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen VII-43.177-1/3 uitspraak is gedaan met hervormingsbevoegdheid over een beroep tegen de weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig gesteld dat geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) vallen (zie EHRM (GK) 5 oktober 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK) 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008, Hussain/Roemenië; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België). Een schending van deze verdragsbepaling kan derhalve niet op ontvankelijke wijze worden opgeworpen tegen het bestreden arrest. Verder vraagt verzoeker in de uiteenzetting van het middel wat de door hem afgelegde verklaringen betreft en wat de door hem bijgebrachte stukken betreft in wezen een nieuwe en andere beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoeker vermag op die manier geen schending aan te tonen van de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’.
  3. Het eerste middel is kennelijk niet ontvankelijk. Tweede middel
  4. Verzoeker acht de artikelen 2 en 3 van het EVRM geschonden, omdat “[d]e algemene situatie in Pakistan […] geheel [wordt] ondermijnd in de beslissingen”, “[d]e onveilige situatie […] tevens niet [wordt] ontkend, [d]e beslissing […] geheel voorbij[gaat] aan deze realiteit” en “de vaststellingen dat er geen tegenstrijdigheden in de verklaringen van verzoeker kunnen worden bevestigd doch enkel volgens eigen interpretatie ongeloofwaardige verklaringen met hieraan een negatieve beslissing gekoppeld [bovendien] een schending uit[maakt] van art. 3 EVRM gelet op het door verzoeker aangehaald risico op onmenselijke behandelingen”. Met het bestreden arrest wordt geen uitspraak gedaan over een verwijderingsmaatregel. In de mate dat de inhoud van artikel 3 van het EVRM overeenstemt VII-43.177-2/3 met artikel 48/4 van de vreemdelingenwet, beperkt verzoeker zich tot een algemene stelling waarmee hij geen schending aantoont van de voornoemde verdragsbepalingen.
  5. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negen maart tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.177-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.640 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.