id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.642 Rolnummer: A. 246513/VII-43090 Zaak: Cassatiebeschikking 16642 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-19 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-06-18 06:38 Fiche Beschikking nr 16.642 van 10 maart 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.642 van 10 maart 2026 in de zaak A. 246.513/VII-43.090 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 november 2025, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 334.693 van 21 oktober 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 5 december 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Volgens verzoeker vindt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het “uiterst bevreemdend” dat verzoeker zijn vader “nooit heeft gevraagd naar zijn werkzaamheden”, hetgeen wijst op “een algemene desinteresse in uw asielrelaas”. Deze redenering zou niet zijn getoetst aan verzoekers persoonlijke omstandigheden en aldus zou de individuele beoordelingsplicht worden miskend. VII-43.090-1/7 De door verzoeker geciteerde zinsneden komen enkel voor in de beslissing van de verwerende partij van 26 juni 2023 (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) doch niet in de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf. Verzoeker gaat voorbij aan de volgende beoordeling in het bestreden arrest: “De verzoekende partij weet de Raad niet te overtuigen met haar aangehaalde verschoningsgronden. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt zeer duidelijk dat de verklaringen van de verzoekende partij aangaande de werkzaamheden van haar vader niet in overeenstemming waren met de documenten die de verzoekende partij heeft bijgebracht. Aangenomen dat deze documenten waarachtig zijn dan blijkt dat de vader van de verzoekende partij slechts een onderhouds-/klusjesman was. Zij slaagt er niet in te weerleggen dat het ongeloofwaardig is dat een ‘house manager’ zou ingezet worden om deel te nemen aan missies of als bodyguard zou werken voor commandanten. De functie die haar vader zou gehad hebben, samengenomen met de vage verklaringen van de verzoekende partij aangaande de taken en missies die haar vader zou vervuld hebben, maken dat de verklaringen van de verzoekende partij ongeloofwaardig zijn. Zoals de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen terecht aanhaalt is het zeer bevreemdend dat de verzoekende partij op geen enkel moment heeft geïnformeerd naar de job van haar vader, ook niet na haar vlucht uit Afghanistan. Betreffende de beperkte kennis van de verzoekende partij over de job van haar vader en haar verwijzing naar haar jeugdige leeftijd, wijst de Raad er aldus op dat noch uit een lezing van de notities van het persoonlijk onderhoud, noch uit een lezing van de bestreden beslissing blijkt dat er van de verzoekende partij een kennis over de functie van haar vader werd verwacht, die het begrip van een minderjarige te boven gaan. Er werden algemene vragen gesteld omtrent de door haar voorgelegde documenten en de tewerkstelling van haar vader. Het betreffen vragen waarvan verwacht kan worden dat iemand die verklaart te zijn gevlucht omwille van de job van haar vader, hierop coherente en correcte antwoorden kan formuleren, ongeacht de leeftijd. De Raad kan ook enkel vaststellen dat de verzoekende partij in gebreke blijft te concretiseren op welke wijze haar profiel als minderjarige (op het ogenblik van het verlaten van Afghanistan) de beoordeling van de commissaris-generaal aan het wankelen zou brengen. Dat de verzoekende partij omwille van haar leeftijd niet uitgebreid zou kunnen antwoorden op de vragen omtrent de tewerkstelling van haar vader, verschoont de uitermate gebrekkige kennis niet. De tewerkstelling van haar vader raakt de kern van haar vluchtrelaas, zodat mag worden verwacht dat zij zich hier meer over zou informeren, desgevallend via haar familie in Afghanistan met wie zij nog contact heeft […], teneinde een concrete inschatting te maken van het risico dat zij zelf loopt. Het feit dat de verzoekende partij zelf niet werkzaam was bij het Afghaanse leger, dat zij ook geen bijzondere interesse heeft in het leger of de politie en dat zij hier ook weinig affiniteit mee heeft, dat haar vader een gesloten persoon was en weinig praatte over zijn job, doet aan voormelde vaststellingen geen afbreuk. Opmerkelijk is ook dat de verzoekende partij voor het eerst in haar verzoekschrift stelt dat haar broer werkzaam was voor het leger, terwijl zij tijdens het persoonlijk onderhoud stelde dat al haar broers jonger waren dan haar […]. Ook wat betreft de aangehaalde beperkte intellectuele capaciteit van de verzoekende partij als verschoningsgrond kunnen vraagtekens geplaatst worden. De verzoekende partij verklaarde immers dat zij tot de 10de graad studeerde in Afghanistan, dat ze een computercursus en een Engelse cursus volgde en dat je normaal maar één klas per jaar kan volgen, maar dat zij omwille van haar getalenteerde examens twee klassen kon volgen in één jaar.” VII-43.090-2/7 Er wordt wel degelijk rekening gehouden met en gemotiveerd over verzoekers persoonlijke situatie bij de beoordeling van zijn verklaringen. Verzoekers kritiek mist in die mate feitelijke grondslag.
- Volgens verzoeker vindt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker “verschillende en onduidelijke verklaringen” heeft afgelegd, hetgeen “verdere twijfels” zou hebben doen rijzen. De door verzoeker geciteerde zinsneden komen enkel voor in de aanvankelijk bestreden beslissing doch niet in de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf. Naast de in punt 1 supra geciteerde overwegingen, gaat verzoeker ook voorbij aan de volgende beoordeling in het bestreden arrest: “De verzoekende partij betoogt dat zij naar best vermogen een antwoord heeft proberen te formuleren op de vragen die haar gesteld werden, waaruit blijkt dat zij dit op een afdoende manier heeft gedaan, dat er geen resultaatsverplichting kan worden opgelegd aan haar om alle gestelde vragen te beantwoorden, dat het erop aankomt om de geloofwaardigheid van haar verklaringen te toetsen aan haar persoonlijke situatie, waarbij op zorgvuldige wijze rekening moet worden gehouden met haar persoonlijkheid en achtergrond, zoals haar intellectelle capaciteiten. De Raad wijst erop dat de verzoekende partij met de boutade dat er geen resultaatsverplichting kan worden opgelegd om alle gestelde vragen te beantwoorden, de pertinente vaststellingen in de bestreden beslissing niet ombuigt. Ook waar zij aanstipt dat zij naar best vermogen een antwoord heeft proberen te formuleren op de vragen die haar gesteld werden, waaruit blijkt dat zij dit op een afdoende manier heeft gedaan, beperkt zij zich tot het uiten van kritiek, zonder in concreto aan te tonen welke verklaringen zouden zijn veronachtzaamd bij de totstandkoming van de bestreden beslissing en welke concrete verklaringen hierop een ander licht zouden kunnen werpen.”
- Volgens verzoeker stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat door de ongeloofwaardigheid van één element automatisch alle andere elementen ongeloofwaardig worden waar wordt geoordeeld: “[a]ls geen geloof gehecht kan worden aan dergelijke tewerkstelling, zijn ook eventuele problemen … niet geloofwaardig.” Opnieuw betreft het een zin die enkel voorkomt in de aanvankelijk bestreden beslissing doch niet in de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf. Daarenboven citeert verzoeker de zin onvolledig. Er volgt niet uit dat alle andere “eventuele problemen” ongeloofwaardig zouden worden doch enkel VII-43.090-3/7 eventuele problemen die hij of de familie “daardoor” zouden kennen, en dus enkel door de voorgehouden doch ongeloofwaardig bevonden tewerkstelling van verzoekers vader. Verzoekers kritiek mist in die mate feitelijke grondslag.
- De door verzoeker geciteerde zinsnede betreffende de bewijswaarde van documenten waarvan slechts kopieën worden voorgelegd, komt andermaal uit de aanvankelijk bestreden beslissing en niet uit de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verzoeker gaat voorbij aan de volgende beoordeling in het bestreden arrest, die na een meer omstandige motivering wordt gemaakt: “Bijgevolg moet worden nagegaan of de verklaringen van de verzoekende partij voldoende coherent, volledig, doorleefd, specifiek en aannemelijk zijn, opdat de relevante elementen van zijn vluchtrelaas, in het licht van de relevante informatie in verband met het land van herkomst en in samenhang met de voorgelegde documenten, geloofwaardig kunnen worden geacht. Documenten hebben enkel een ondersteunende werking, namelijk het vermogen om de intrinsieke bewijswaarde van een plausibel en geloofwaardig relaas kracht bij te zetten. Op zichzelf vermogen documenten evenwel niet de geloofwaardigheid van een ongeloofwaardig asielrelaas te herstellen. De verzoekende partij komt met betrekking tot de motivering in verband met de voorgelegde documenten niet verder dan de stelling dat er louter bewijswaarde wordt ontzegd omdat het om fotokopieën gaat die werden neergelegd. De verzoekende partij gaat hiermee duidelijk voorbij aan de pertinente motivering waaruit blijkt dat er niet enkel bewijswaarde wordt ontzegd omdat het om fotokopieën gaat. Zo werden de documenten aangaande de job van haar vader ook inhoudelijk bekeken en beoordeeld en dit in tegenstelling tot wat de verzoekende partij poogt voor te houden.” Verzoekers kritiek mist wat dat betreft feitelijke grondslag.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in verband met het door verzoeker ingeroepen voordeel van de twijfel: “Aangezien het relaas van de verzoekende partij bovendien ongeloofwaardig wordt bevonden is er in casu ook geen reden om haar het voordeel van de twijfel te gunnen. Er is immers geen twijfel omtrent de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van de verzoekende partij. De Raad wijst erop dat de verzoekende partij de motieven in de bestreden beslissing aan de hand van concrete en inhoudelijke argumenten dient te weerleggen. De verzoekende partij dient haar persoonlijke vrees voor vervolging dan wel reëel risico op ernstige schade in concreto aannemelijk te maken. De verzoekende partij blijft hier, gelet op hetgeen voorafgaat, evenwel in gebreke en maakt niet aannemelijk dat haar verklaringen voldoen aan de voorwaarden om het voordeel van de twijfel te genieten overeenkomstig artikel 48/6, §4 van de Vreemdelingenwet. Een theoretische uiteenzetting over het voordeel van de twijfel, die niet is toegespitst op de elementen in casu, volstaat hiertoe niet.” VII-43.090-4/7 Door uit een ongeloofwaardig bevonden asielrelaas af te leiden dat verzoeker niet in aanmerking komt voor het voordeel van de twijfel, schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen van de door verzoeker aangehaalde bepalingen.
- Volgens verzoeker wordt in het bestreden arrest verwezen naar een aantal criteria zoals “het gebied van herkomst, de conservatieve omgeving, de leeftijd, de duur van het verblijf … en de zichtbaarheid”, maar wordt niet aangetoond dat de opgesomde criteria effectief op verzoekers profiel zijn toegepast. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “In de bestreden beslissing motiveert de commissaris-generaal hierover onder meer het volgende: ‘In uw geval haalt u geen concrete elementen aan waaruit zou blijken dat u, in geval van terugkeer, dusdanig negatief zou worden gepercipieerd dat er gewag kan worden gemaakt van vervolging zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie of van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming. Evenmin blijkt uit uw verklaringen en uit de beoordeling ervan dat u voor uw komst naar België in de specifieke negatieve aandacht van de taliban stond of dat u een specifiek profiel heeft dat het risico loopt door de taliban te worden vervolgd, waardoor er redelijkerwijze van uitgegaan kan worden dat de taliban u niet zal viseren bij een terugkeer naar uw land van herkomst. Bovendien brengt uzelf geen concrete elementen aan waaruit blijkt dat u in geval van terugkeer vervolging zou dienen te vrezen. Het is in de eerste plaats aan de verzoeker om internationale bescherming om zijn vrees aannemelijk te maken. U dient zulks in concreto aannemelijk te maken. Hier blijft u echter in gebreke. Daarenboven moet worden vastgesteld dat u minstens tot 16-jarige leeftijd in Afghanistan hebt verbleven, waaruit kan worden afgeleid dat u in Afghanistan al een zekere maturiteit had en gevormd was naar de Afghaanse waarden en normen. Bovendien stelt u 6 à 7 jaar naar school gegaan te zijn in Afghanistan en nog in contact te staan met uw familie in Afghanistan. Hierdoor kan niet worden aangenomen dat u totaal vervreemd zou zijn van de Afghaanse waarden en normen, of dat u zich deze niet meer eigen zou kunnen maken bij terugkeer. Uit het geheel van bovenstaande vaststellingen blijkt dat het niet volstaat om op algemene wijze te verwijzen naar het feit dat men omwille van zijn verblijf in Europa als verwesterd gepercipieerd zal worden en bij terugkeer naar Afghanistan vervolgd zal worden. Deze vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade dient geïndividualiseerd en geconcretiseerd te worden. U bracht geen informatie aan waaruit het tegendeel blijkt.’ De verzoekende partij beperkt zich in haar enig middel op dit punt tot de loutere verklaring dat zij verwesterd zou zijn en zich niet meer zou kunnen aanpassen in Afghanistan, maar zij betwist voormelde motieven van de bestreden beslissing niet op enige concrete wijze. Zij brengt bovendien geen enkel concreet element aan dat op een dergelijke verwestering zou duiden. De verzoekende partij maakt dan ook niet aannemelijk dat bovenvermelde motieven van de bestreden beslissing kennelijk onredelijk zouden zijn. De Raad acht ze pertinent, en sluit zich aan bij het oordeel van de commissaris-generaal.” VII-43.090-5/7 Verzoeker gaat voorbij aan de voormelde motivering van het bestreden arrest en ontkracht ze dan ook niet. Hij geeft niet aan welke door hem aangevoerde elementen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze buiten beschouwing zou hebben gelaten.
- Verzoeker richt zich tegen de overweging dat hij, die na Griekenland, Kroatië, Slovenië, Italië en Frankrijk te zijn gepasseerd, pas in België om internationale bescherming heeft verzocht. Opnieuw betreft het een zinsnede uit de aanvankelijk bestreden beslissing en niet uit het bestreden arrest. Verzoeker geeft niet aan waar de voormelde overweging in het bestreden arrest zelf wordt gemaakt. Hoe dan ook kan, in het licht van de overige motieven, een gebeurlijke onwettigheid in de door verzoeker bekritiseerde overweging de strekking van het bestreden arrest niet hebben beïnvloed en bijgevolg niet tot de cassatie ervan leiden.
- Verzoeker geeft niet anders dan met de voormelde onontvankelijk dan wel ongegrond bevonden kritiek aan op welke wijze de ingeroepen bepalingen, voor zover van toepassing op het bestreden arrest, zouden zijn geschonden. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.090-6/7 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tien maart tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.090-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.642 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div