id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.644 Rolnummer: A. 246475/VII-43087 Zaak: Cassatiebeschikking 16644 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-19 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-06-18 06:38 Fiche Beschikking nr 16.644 van 10 maart 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.644 van 10 maart 2026 in de zaak A. 246.475/VII-43.087 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Freddy Landuyt kantoor houdend te 8730 Beernem Bloemendalestraat 147 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 november 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 334.408 van 16 oktober 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 5 december 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Noch artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), noch de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. VII-43.087-1/3
- In de mate dat verzoeker in het opschrift van het middel de schending aanvoert van artikel 74/14, §3, 3°, van de vreemdelingenwet en van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, zet hij niet uiteen op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest.
- Waar verzoeker na een theoretische uiteenzetting stelt een schending aan te tonen van “artikel 55/5/1, § 2, 1°, iuncto artikel 55/4, § 1, c), van de vreemdelingenwet, gelezen samen met artikel 19.3, a), iuncto 17.1, b), van richtlijn 2011/95”, laat hij na in concreto aan te geven op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Met zijn uiteenzetting over de situatie voor (verwesterde of als dusdanig gepercipieerde) terugkeerders naar Afghanistan en zijn standpunt dat hij concreet heeft aangetoond verwesterd te zijn dan wel als dusdanig te zullen worden beschouwd, vraagt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. In de uiteenzetting van het middel geeft verzoeker aan dat een prejudiciële vraag moet worden gesteld, gelet op de duidelijke inhoud van de voormelde richtlijnbepalingen en de duidelijke rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dienaangaande. Daargelaten de vaststelling dat het onduidelijk is waarom een prejudiciële vraag zou moeten worden gesteld over duidelijke bepalingen en een duidelijke rechtspraak, vermeldt verzoeker nergens welke vraag dan wel zou moeten worden gesteld.
- Het enige middel is kennelijk niet ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.087-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tien maart tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.087-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.644 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div