← België

Cassatiebeschikking 16650 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.650 Rolnummer: A. 246556/VII-43097 Zaak: Cassatiebeschikking 16650 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-31 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-06-18 06:41 Fiche Beschikking nr 16.650 van 16 maart 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.650 van 16 maart 2026 in de zaak A. 246.556/VII-43.097 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 1 december 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 336.250 van 19 november 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 december 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 december 2014 in de gevoegde zaken C-148/13 tot en met C-150/13, citeert verzoeker dat, “[h]oewel ondervragingen over stereotype opvattingen voor de bevoegde autoriteiten een nuttig element kunnen vormen bij deze beoordeling, […] de beoordeling van verzoeken om toekenning van de vluchtelingenstatus louter op basis van de met homoseksuelen verbonden VII-43.097-1/7 stereotype opvattingen niet [beantwoordt] aan de vereisten van de in het voorgaande punt genoemde bepalingen, daar die beoordeling deze autoriteiten niet in staat stelt rekening te houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de betrokken asielzoeker”, dat “het feit dat een asielzoeker niet in staat is om op dergelijke vragen te antwoorden, op zich geen voldoende grond [kan] opleveren voor de slotsom dat de asielzoeker niet geloofwaardig is, daar een dergelijke benadering in strijd is met de vereisten van artikel 4, lid 3, sub c, van richtlijn 2004/83 en van artikel 13, lid 3, sub a, van richtlijn 2005/85” en dat “uit het enkele feit dat deze persoon, wegens zijn terughoudendheid bij het onthullen van intieme aspecten van zijn leven, niet meteen heeft verklaard homoseksueel te zijn, niet de conclusie [kan] worden getrokken dat hij niet geloofwaardig is”. Na naar een aantal internationale rapporten te hebben verwezen en een aantal motieven uit het bestreden arrest te hebben geciteerd, laat verzoeker gelden “dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet alleen een gestereotypeerd bewustwordings- en aanvaardingsproces hanteert […], maar eveneens vertrekt van normatieve aannames omtrent het sociaal gedrag dat van een homoseksuele man afkomstig uit een repressieve context verwacht zou mogen worden”, waardoor verzoekers individuele situatie zou zijn miskend, dit in strijd met artikel 48/6, § 5, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’.
  2. In de eerste plaats gaat verzoeker voorbij aan de volgende motieven in het bestreden arrest, waarvan hij a fortiori niet de onwettigheid aantoont: “Vooreerst overweegt de adjunct-commissaris in de bestreden beslissing terecht dat verschillende elementen in verzoekers dossier erop wijzen dat zijn komst naar Europa niet ingegeven was door een vrees voor vervolging, maar eerder door andere motieven geïnspireerd was. De adjunct-commissaris motiveert dienaangaande op goede gronden als volgt: […] De verwijzing in het verzoekschrift naar enkele beginselen van UNHCR is in casu niet dienstig. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat verzoekers verzoek om internationale bescherming niet louter wordt afgewezen omwille van de laattijdige indiening ervan. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven dat de adjunct-commissaris heeft doen besluiten dat aan verzoekers voorgehouden vrees voor vervolging geen geloof kan worden gehecht. Verder blijkt uit de notities van het persoonlijk onderhoud dat verzoeker wel degelijk werd gevraagd waarom hij geen internationale bescherming vroeg in de andere Europese landen die hij doorkruiste alvorens hij naar België kwam, doch zijn antwoord dat hij niets wist over asielprocedures en zich niet op zijn gemak voelde, kan zijn nalaten een verzoek om internationale bescherming in te dienen in één van deze landen niet verschonen. Verzoeker werd ook gevraagd waarom hij pas in september 2025 een verzoek om internationale bescherming indiende in België, waar hij zich al sinds eind 2023 bevindt, waarop hij opnieuw verwees naar het feit dat hij eerst niet op zijn VII-43.097-2/7 gemak was om over zijn geaardheid en problemen te praten. De adjunct-commissaris wijst er in de bestreden beslissing terecht op dat verzoeker verklaart dat hij ongeveer een jaar na zijn aankomst in België besefte dat hij hierover vrij kon praten, en dat bijgevolg verwacht kan worden dat hij geen twee jaar zou wachten met het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming […]. Verzoeker laat deze pertinente overweging geheel onverlet in zijn verzoekschrift en brengt hiertegen niet het minste argument aan. Verzoeker beperkt zich verder tot een algemeen betoog over ‘talrijke objectieve en menselijke redenen […] die deze aanvankelijke stilzwijgendheid kunnen verklaren’ en verwijst specifiek wat zijn eigen situatie betreft naar de homofobe omgeving waarin hij is opgegroeid en die gekenmerkt werd door angst en stigmatisering. Verzoeker stelt dat zijn ervaring met de Algerijnse autoriteiten ertoe geleid heeft dat ‘hij een diepgeworteld wantrouwen ontwikkelde ten aanzien van elke vorm van staatsgezag, ook van buitenlandse aard’, doch hij laat na dit nader te concretiseren. De Raad ontwaart in verzoekers dossier evenmin elementen die doen blijken van negatieve ervaringen met de Algerijnse autoriteiten die verzoekers vermeende wantrouwen ten aanzien van statelijke actoren zouden kunnen verklaren. Verzoeker kan dan ook niet overtuigen in zoverre hij zijn nalaten om zijn seksuele geaardheid aan te kaarten tegenover ambtenaren van de Europese landen die hij doorkruiste, toeschrijft aan dit vermeende wantrouwen. Waar verzoeker verder aanvoert dat dit aanvankelijke wantrouwen nog werd versterkt door ‘een gebrek aan kennis van de asielprocedures, taalbarrières en een psychologisch trauma dat het gevolg is van het geweld en de afwijzing die hij in zijn land had ondergaan’ en dat hij door zijn persoonlijke situatie van intersectionele kwetsbaarheid niet de kracht vond om zich open te stellen tot hij in een gesloten centrum werd geplaatst met het oog op zijn repatriëring naar Algerije, blijft hij in gebreke een aannemelijke en toereikende verklaring te bieden voor de laattijdige indiening van zijn verzoek om internationale bescherming, in acht genomen zijn niet-betwiste verklaring dat hij al na een jaar in België besefte dat hij hier vrij over zijn geaardheid kon praten.”
  3. Wat het voorleggen van bewijskrachtige elementen betreffende verzoekers voorgehouden seksuele geaardheid betreft, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het algemeen: “Er kan redelijkerwijze worden verwacht dat er minstens doorleefde verklaringen worden afgelegd over de eigen bewustwording, ervaringen en relaties en de eigenheid van de homoseksuele geaardheid die verder reiken dan stereotiepe opvattingen over homoseksualiteit. Van een verzoeker die zichzelf identificeert als homoseksueel en omwille van deze geaardheid beweert een vrees te hebben of een risico te lopen in zijn land van oorsprong kan worden verwacht dat hij dit overtuigend aantoont. Bijgevolg, hoewel iemands seksuele geaardheid betrekking heeft op zeer intieme gevoelens en de ontdekking ervan een persoonlijk proces is, komt het aan de verzoeker om internationale bescherming toe om zijn beweerde homoseksualiteit aannemelijk te maken aan de hand van geloofwaardige verklaringen, die op hun beurt (onder meer) moeten worden gezien in het licht van het al dan niet homofobe karakter van de samenleving waaruit de verzoeker om internationale bescherming afkomstig is.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt te dezen echter vast “dat verzoeker zijn homoseksuele geaardheid niet aannemelijk maakt, daar hij geen VII-43.097-3/7 aannemelijke en doorleefde verklaringen heeft afgelegd over de ontdekking, bewustwording, beleving en aanvaarding van zijn vermeende homoseksuele geaardheid in het licht van de homofobie die heerst binnen de Algerijnse samenleving”. In een omstandig en concreet onderbouwde analyse stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer vast dat “verzoeker in de bestreden beslissing niet [wordt] verweten dat hij de ontdekking van zijn homoseksuele geaardheid niet precies in de tijd kan situeren, maar wel dat zijn verklaringen hierover niet coherent zijn en steeds wisselen naarmate hij hierover verder wordt bevraagd”, dat “verzoeker ook omtrent de bewustwording van zijn homoseksuele geaardheid en de gedachten die verzoeker hierbij had geen coherente verklaringen heeft afgelegd”, dat “expliciet rekening wordt gehouden met de persoonlijke context waarin verzoeker zich als Algerijnse moslimman uit een homofobe familie bevond” en dat, wat de verwijzing betreft naar het homofobe karakter van de Algerijnse samenleving en geloofsgemeenschap waartoe verzoeker behoort, “verzoekers betoog in het verzoekschrift dat rekening moet worden gehouden met de invloed van sociale en religieuze normen op het vermogen van verzoekers om hun geaardheid te uiten in casu niet dienstig [is], aangezien de gedane vaststellingen geen betrekking hebben op de uiting van verzoekers geaardheid, noch op zijn pogingen om deze te verbergen voor zijn familie of de gemeenschap, maar wel op zijn innerlijke beleving ervan”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dan ook: “Verzoekers verklaringen worden door de adjunct-commissaris in de bestreden beslissing met reden als oppervlakkig en niet-doorleefd aangemerkt en verzoeker slaagt er met de algemene kritiek in zijn verzoekschrift, onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat het CGVS ‘een stereotiepe en abstracte analysemethode’ heeft toegepast niet in deze appreciatie in een ander daglicht te stellen. In tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt, blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing dat het CGVS expliciet rekening houdt met “de culturele en religieuze eigenheden die het profiel van de verzoeker kenmerken.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt verder: “Waar verzoeker in zijn verzoekschrift poneert dat de beoordeling van zijn verklaringen met betrekking tot zijn homoseksuele contacten en relaties berust op ‘stereotiepe en gedecontextualiseerde verwachtingen omtrent homoseksueel gedrag’, stelt de Raad vast dat de algemeen homofobe maatschappelijke context waarin verzoeker deze contacten en relaties zou zijn aangegaan, alsook verzoekers eigen verklaringen volgens dewelke hij altijd bang was en niemand vertrouwde, door de adjunct-commissaris uitdrukkelijk in rekening zijn genomen. Dat verzoeker als zeventienjarige plots het initiatief zou hebben genomen om seks te hebben met een onbekende jongen die te gast was bij hem thuis terwijl zijn ouders zich in het huis ernaast bevonden, louter omdat hij zichzelf niet kon inhouden, kan in de gegeven context en omstandigheden niet overtuigen […]. Het argument in het verzoekschrift dat het gebruik van niet-gespecialiseerde platforms, waar de communicatie plaatsvindt via toespelingen en impliciete signalen, overeenstemt met VII-43.097-4/7 een gangbare praktijk die gedocumenteerd is in contexten waar elke vorm van zichtbaarheid tot arrestatie kan leiden, neemt niet weg dat verzoeker zich aan een ernstig risico blootstelt door aan gesprekspartners op sociale media de vraag te stellen of ze op mannen of vrouwen vallen. Verzoeker merkt zijn eerste relatie met een onbekende op zeventienjarige leeftijd, alsook zijn gebruik van algemene berichtenapplicaties om andere mannen te ontmoeten in zijn verzoekschrift aan als ‘omzeilings- en overlevingsstrategieën die kenmerkend zijn voor homoseksuele milieus in een repressieve context’, doch weerlegt geenszins de terechte vaststelling dat zijn gedragingen niet aannemelijk zijn gelet op het aanzienlijke risico dat hij zou worden betrapt of verklikt. De suggestie dat er sprake zou zijn geweest van een verminderde risicoperceptie in hoofde van verzoeker en dat zijn verlangen naar menselijk contact en intimiteit zwaarder zouden hebben gewogen dan zijn angst voor het gevaar, vindt geen steun in de notities van het persoonlijk onderhoud, waaruit blijkt dat hij altijd bang was en niemand vertrouwde en dat hij zelfs na zijn eerste homoseksuele contact heel bang en voorzichtig bleef omdat hij vreesde dat zijn partner het aan anderen zou vertellen […]. Met zijn algemene en niet-geconcretiseerde kritiek dat de adjunct-commissaris verwachtingen stelt die berusten op westerse opvattingen over oprechtheid en emotionele expressie, kan verzoeker verder niet verhullen dat hij hoegenaamd niets concreets kan vertellen over zijn relatie met […] en meermaals naast de kwestie antwoordt wanneer hem gevraagd wordt naar de manier waarop zij hun interesse voor elkaar kenbaar maakten en de manier waarop [...] zijn seksualiteit ontdekte en beleefde […]. De argumentatie dat in een omgeving die gekenmerkt wordt door repressie, affectieve banden vaak op een sobere, soms zelfs zwijgzame manier tot uitdrukking worden gebracht, neemt niet weg dat van verzoeker mag worden verwacht dat hij op doorleefde wijze kan vertellen hoe hij en […] hun wederzijdse affectie kenbaar maakten, quod non. Waar verder redelijkerwijze kan worden aangenomen dat in samenlevingen waar homoseksualiteit strafbaar is en maatschappelijk wordt veroordeeld, relaties worden opgebouwd in discretie, angst en voorzichtigheid, mag tevens worden verwacht dat eenmaal sprake is van een relatie, de betrokken partners elkaar in vertrouwen nemen en inlichten over de ontdekking en beleving van de eigen seksualiteit. Verzoeker kan dan ook geenszins worden gevolgd in zoverre hij meent dat de adjunct-commissaris, door dergelijke intieme kennis van hem te verwachten, ‘een westers relatie-model oplegt, gebaseerd op normen van zichtbaarheid en communicatie, die niet stroken met de realiteit van een leven in de clandestiniteit’. Waar de adjunct-commissaris het in de bestreden beslissing niet aannemelijk acht dat verzoeker en […], wanneer zij voor intimiteit naar de verhuurcabines op het strand gingen, helemaal geen voorzorgsmaatregelen namen om het risico op ontdekking te vermijden, is de Raad van oordeel dat dit motief niet determinerend is en verzoekers kritiek hierop dan ook niet kan leiden tot hervorming van de bestreden beslissing. Tot slot herhaalt verzoeker met het verweer dat de vermelding van een huwelijk en een kind een sociale camouflagestrategie is in essentie zijn eerdere verklaringen dat hij verzon dat hij een vrouw en kind heeft zodat mensen niet zouden weten dat hij homo is […]. Zoals hoger, onder punt 3.2.4.2.1., is uiteengezet, voert verzoeker geen afdoende verschoningsgronden aan voor zijn nalaten om in andere Europese landen een verzoek om internationale bescherming in te dienen op basis van zijn homoseksuele geaardheid, noch voor de laattijdige indiening van zijn verzoek om internationale bescherming op die grond in België. Door louter te volharden in zijn betoog dat hij aanvankelijk uit angst, wantrouwen of schaamte vreesde om zijn seksuele geaardheid te onthullen maar de nakende repatriëring hem ertoe aanzette zijn vrees in dit verband alsnog tot uiting te brengen, en hieraan het aannemen van een ‘heteroseksuele façade’ te koppelen, brengt verzoeker geen overtuigende elementen aan die zijn ongeloofwaardige verklaringen in een ander daglicht kunnen stellen.” VII-43.097-5/7
  4. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers kritiek betreffende het gebruik van “een gestereotypeerd bewustwordings- en aanvaardingsproces” en van “normatieve aannames omtrent het sociaal gedrag dat van een homoseksuele man afkomstig uit een repressieve context” wel degelijk beantwoordt en uitdrukkelijk rekening houdt met de criteria uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 december 2014 in de gevoegde zaken C-148/13 tot en met C-150/
  5. Overigens heeft het Hof hierin slechts gesteld dat de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming niet “louter” op basis van ondervragingen over stereotype opvattingen mag gebeuren doch dat deze wel “een nuttig element” kunnen vormen en dat op grond van “het enkele feit” dat iemand niet meteen heeft verklaard homoseksueel te zijn, niet tot de ongeloofwaardigheid mag worden besloten. Deze omstandigheden mogen dus wel mee in aanmerking worden genomen, hetgeen in het bestreden arrest ook gebeurt. Nu het bestreden arrest op een ruimere beoordeling is gesteund dan “louter” op stereotype opvattingen en “enkel” het niet meteen verklaren homoseksueel te zijn, mist verzoekers kritiek in die mate feitelijke grondslag. De verwijzing door verzoeker naar een aantal rapporten en algemene standpunten doen geen afbreuk aan de in het bestreden arrest gemaakt individuele en omstandig ontwikkelde beoordeling. Die standpunten betreffen overigens de grond van de zaak, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Waar verzoeker in het middel in wezen een andere beoordeling van de zaak zelf voorstelt, dient te worden herhaald dat de Raad van State hiervoor als cassatierechter niet bevoegd is.
  6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  8. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.097-6/7 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zestien maart tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.097-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.650 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.