← België

Cassatiebeschikking 16652 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.652 Rolnummer: A. 246764/VII-43111 Zaak: Cassatiebeschikking 16652 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-31 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-18 06:41 Fiche Beschikking nr 16.652 van 17 maart 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD16.652 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2026 ecli_ordre ORD16.652 ecli_typedec ORD16 ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - Invalid type decision ORD16 ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD16.652 invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - Invalid type decision ORD16 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.652 van 17 maart 2026 in de zaak A. 246.764/VII-43.111 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 december 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 336.079 van 17 november 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 30 december 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Met betrekking tot verzoekers beschermingsstatus in Griekenland overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Uit de bestreden beslissing en de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekende partij internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie, namelijk Griekenland. ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD16.652 VII-43.111-1/8 Blijkens de verklaringen van verzoekende partij en de stukken in het administratief dossier werd verzoekende partij op 21 april 2023 een vluchtelingenstatus toegekend in Griekenland en werd zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning, ADET genaamd, die drie jaar geldig is (van 21/04/2023 tot 20/04/2026) […]. Waar in het verzoekschrift opgeworpen wordt dat de commissaris-generaal heeft nagelaten afdoende te onderzoeken of zij actueel internationale bescherming geniet in Griekenland, onderstreept de Raad dat uit voormelde gegevens afdoende blijkt dat aan verzoekende partij een internationale beschermingsstatus werd toegekend in Griekenland. Er dient in dit verband op te worden gewezen dat de bewijslast met betrekking tot de eerder verleende internationale bescherming(sstatus) in toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet bij de commissaris-generaal berust, doch eens hieraan is voldaan, komt het de verzoeker die de actualiteit of effectiviteit van deze bescherming ter discussie stelt, persoonlijk toe om aan te tonen dat hij niet (meer) op deze bescherming kan rekenen. Derhalve komt het aan verzoekende partij zelf en niet aan verwerende partij toe om het bewijs te leveren dat verzoekende partij in Griekenland niet langer internationale bescherming geniet, alwaar zij echter geheel in gebreke blijft. Zij brengt geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bij die wijzen op een intrekking of opheffing van de haar verleende status, noch bevat het administratief dossier enige concrete aanwijzing in die zin. Er kan dan ook worden aangenomen dat haar internationale beschermingsstatus in Griekenland nog steeds geldig is.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er dus op dat verzoeker op 21 april 2023 werd erkend als vluchteling en in het bezit werd gesteld van een verblijfsvergunning (ADET), geldig tot 20 april 2026, dat verzoeker “geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bij[brengt] die wijzen op een intrekking of opheffing van de [hem] verleende status” en dat het administratief dossier ook geen aanwijzingen bevat die daarop wijzen. Hij geeft daarmee aan waarom hij van oordeel is dat verzoeker nog steeds internationale bescherming geniet in Griekenland, ondanks verzoekers betoog dat hij er sedert zijn vertrek op 12 november 2023 geen domicilie meer heeft en de beschermingsstatus sindsdien ook ingetrokken of beëindigd “kan” zijn. Nu hij het aldus bewezen acht dat verzoeker nog steeds internationale bescherming geniet in Griekenland, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder schending van artikel 57/6, § 3, 3°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) oordelen dat het vervolgens aan verzoeker toevalt het bewijs te leveren dat hij geen of geen effectieve internationale bescherming meer geniet in Griekenland, bewijs dat volgens het bestreden arrest niet geleverd is. In de mate dat verzoeker de gemaakte beoordeling als onzorgvuldig of onterecht beschouwt, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD16.652 VII-43.111-2/8
  2. Hierna gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van de voorhanden zijnde landeninformatie in op de algemene situatie voor statushouders in Griekenland: “Uit de door beide partijen bijgebrachte landeninformatie kan verder niet worden afgeleid dat de levensomstandigheden van begunstigden van een internationale beschermingsstatus in Griekenland zodanig zijn dat deze begunstigden, als zij naar daar zouden terugkeren, a priori allemaal automatisch zullen worden geconfronteerd met een reëel risico om terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig (zouden) staan. De situatie is niet van die aard dat elke statushouder zich in of bij terugkeer naar Griekenland in een staat van zeer verregaande materiële deprivatie bevindt, die het onmogelijk maakt om in zijn of haar elementaire levensbehoeften te voorzien. Dit neemt niet weg dat er in Griekenland sprake is van een zeer precaire situatie waardoor de grootste voorzichtigheid en zorgvuldigheid zijn geboden bij de beoordeling van beschermingsverzoeken van statushouders in Griekenland. De situatie voor statushouders in en bij terugkeer naar Griekenland is ernstig en moeilijk hetgeen onder andere het gevolg is van de administratieve obstakels waarmee zij worden geconfronteerd waardoor zij in zware en schrijnende levensomstandigheden kunnen terecht komen met belemmeringen inzake de toegang tot o.a. socio-economische en medische hulp. In dit verband moet rekening worden gehouden met ‘alle gegevens van de zaak’ (HvJ 19 maart 2019, Ibrahim e.a., pt. 89) en is het noodzakelijk op basis van de individuele omstandigheden van verzoekende partij haar verzoek te beoordelen, waarbij het aan verzoekende partij toekomt om in dit verband de nodige concrete elementen aan te reiken die van aard zijn om het vermoeden dat zij zich kan beroepen op de beschermingsstatus die haar in Griekenland werd verleend en de rechten die daaruit voortvloeien zodanig zijn dat zij niet terechtkomt in een staat van zeer verregaande materiële deprivatie te weerleggen.” Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de zeer precaire situatie in Griekenland erkent, is hij van oordeel dat niet elke statushouder in een staat van verregaande materiële deprivatie terechtkomt, doch dat rekening moet worden gehouden met verzoekers individuele omstandigheden om te oordelen of hij al dan niet in zulke staat terechtkomt. Hij oordeelt echter dat verzoeker in casu niet aantoont “dat [hij] bij een terugkeer naar Griekenland in een situatie terecht zal komen die zo ernstig is dat [zijn] toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling”, hetgeen hij verder in het bestreden arrest omstandig en concreet motiveert. Door hierbij ervan uit te gaan dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwichtigheid niet wordt bereikt in situaties die, ook al worden zij gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon, geen zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor deze persoon in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling, is het ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD16.652 VII-43.111-3/8 bestreden arrest in overeenstemming met de door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 19 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C- 438/17, Ibrahim e.a. tegen Duitsland, gegeven interpretatie aan artikel 33.2, a), van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ iuncto artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
  3. Het bestreden arrest bevat een omstandige motivering betreffende verzoekers verblijfsvergunning (ADET), geldig tot 20 april 2026, het belang van dat document, en de mogelijkheid om een duplicaat te verkrijgen in geval van (het door verzoeker voorgehouden) verlies ervan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat, ook als wordt aangenomen dat verzoeker niet meer beschikt over zijn afgedrukte verblijfsvergunning, quod non, hieruit niet blijkt dat hij zou worden geconfronteerd met de problemen die statushouders ondervinden die geen geldige verblijfsvergunning meer hebben. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat verzoeker beschikt over een AFM-nummer in Griekenland: “Verder acht de Raad het niet aannemelijk dat verzoekende partij in Griekenland niet over een AFM zou hebben beschikt, zoals zij beweert […]. Immers blijkt uit de informatie waarnaar verwerende partij in haar beslissing verwijst dat mensen die na 31 december 2020 een aanvraag voor internationale bescherming indienen automatisch een AFM-nummer krijgen wanneer ze hun kaart als verzoeker van internationale bescherming krijgen. Tevens blijkt dat de AFM enkel wordt gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt. Er kan dan ook worden aangenomen dat verzoekende partij, die op 21 maart 2023 in Griekenland een verzoek om internationale bescherming indiende en nog steeds beschikt over een geldige verblijfsvergunning […], over een AFM-nummer beschikte/beschikt waarmee zij toegang had/heeft tot de arbeidsmarkt, het openen van een bankrekening en het huren van een woning.” Verder gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in op de vraag of verzoeker beschikt over een AMKA in Griekenland en op de gevolgen voor statushouders die hier niet over zouden beschikken: “Verzoekende partij geeft tevens aan in Griekenland niet in het bezit te zijn gesteld van een AMKA […]. Echter stelt de Raad vast dat zulks geheel te wijten is aan haar eigen nalaten. Waar verzoekende partij immers stelt dat zij niet wist dat dit bestond […], duidt de Raad erop dat uit haar verklaringen een grote mate van zelfredzaamheid blijkt (zie ook infra) en dat aldus aangenomen kan worden dat zij in staat was/is om zelf informatie in te winnen over het bekomen van een AMKA. Daarenboven blijkt uit de voorliggende ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD16.652 VII-43.111-4/8 informatie dat begunstigden van internationale bescherming die niet over een AMKA beschikken in Griekenland niet geheel verstoken zijn van gezondheidszorg. Immers hebben zij gratis toegang tot medische noodhulp. Verder zijn er medische centra en poliklinieken in het beheer van ngo’s die verschillende medische diensten aanbieden aan statushouders. Ook hebben veel gemeenten medische centra waar ook statushouders zonder AMKA terechtkunnen. Tevens kunnen statushouders zonder AMKA gratis of tegen een kleine vergoeding toegang krijgen tot de benodigde medicijnen indien er een recept is voorgeschreven door een arts in een openbare instelling, zoals een ziekenhuis of een medisch centrum (‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’, september 2024, p. 49-50; ‘Recognised Refugees
  4. March
  5. Access to documents and socio-economic rights’ gepubliceerd door RSA in april 2025, p. 35).” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat dus wel degelijk in op verzoekers individuele situatie wat het bezit van een ADET, een AFM-nummer en een AMKA betreft en de gevolgen daarvan op de toegang tot huisvesting, een inkomen en medische zorgen.
  6. Behalve op verzoekers “zelfredzaamheid”, gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in op de voorzienbare leefomstandigheden voor verzoeker bij een terugkeer naar Griekenland. Dit blijkt reeds uit de supra geciteerde overwegingen betreffende verzoekers verblijfsvergunning, AFM-nummer en AMKA. Verder overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Waar verzoekende partij gewag maakt van bepaalde moeilijkheden op het vlak van werkgelegenheid en veiligheid tijdens haar verblijf in Griekenland als begunstigde van internationale bescherming […], onderstreept de Raad, in navolging van de commissaris-generaal, dat zij evenwel niet aantoont dat haar situatie als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland van die aard was dat zij door de onverschilligheid van de Griekse autoriteiten, en voor zover zij volledig afhankelijk zou zijn geweest van overheidssteun, buiten haar wil en haar persoonlijke keuzes om, terecht is gekomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die haar niet in staat stelde om te voorzien in haar meest elementaire behoeften zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor haar fysieke of mentale gezondheid of haar in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Evenmin zijn er concrete indicaties dat dit het geval zou zijn bij een terugkeer naar Griekenland. Bovendien toont verzoekende partij, in het licht van de ervaringen waarmee zij naar eigen zeggen geconfronteerd werd, niet aan dat zij haar rechten ter zake niet zou kunnen doen gelden, nu immers vastgesteld moet worden dat zij hiertoe eerder beperkte stappen heeft gezet. Dient in dit kader te worden herhaald dat verzoekende partij haar verzoek om internationale bescherming na 31 december 2020 heeft ingediend, waardoor zij in Griekenland beschikte over een fiscaal registratienummer (AFM) waarmee zij toegang had tot de arbeidsmarkt, het openen van een bankrekening en het huren van een woning. Er kan dan ook worden aangenomen dat zij in staat was om bepaalde stappen te ondernemen om werk te vinden en in haar levensonderhoud te voorzien. ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD16.652 VII-43.111-5/8 Verzoekende partij verklaarde dat zij tijdens haar verblijf in Griekenland werkte voor lage salarissen en slecht werd behandeld door haar werkgevers […]. Zij het evenwel onderstreept dat dit illegaal werk betrof en dat nergens uit haar verklaringen blijkt dat zij ernstige pogingen ondernam om legaal werk te bekomen. Evenmin toont verzoekende partij aan dat zij, bijvoorbeeld in de conflicten met haar werkgevers, ooit stappen had ondernomen om hulp te krijgen van de Griekse autoriteiten, dan wel dat zij ongewillig zouden zijn om haar te helpen. Ook waar zij verwijst naar een situatie van algehele slechte verbale behandeling en onveiligheid op straat […], blijkt nergens dat zij enige stappen heeft ondernomen om hulp te krijgen van de Griekse autoriteiten. Gelet op hoger genoemd vermoeden dat haar grondrechten als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland geëerbiedigd worden, hetgeen tevens impliceert dat de aldaar aanwezige autoriteiten in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden, mag van verzoekende partij evenwel worden verwacht dat zij zich voor hulp of bescherming richt tot de bevoegde instanties en alle mogelijke middelen uitput die het recht in Griekenland haar biedt.” Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft geschonden door ook de volgende vaststellingen in zijn beoordeling te betrekken: “Dient verder nog te worden opgemerkt dat uit de verklaringen van verzoekende partij een grote mate van zelfredzaamheid naar voren komt, alsook blijkt dat zij beschikt over een ondersteunend netwerk. In de bestreden beslissing wordt hieromtrent immers dienstig op het volgende gewezen: ‘Uit het geheel van uw verklaringen blijkt dat u voldoende autonoom en zelfredzaam bent om bij terugkeer naar Griekenland uw plan te trekken. Zo kon u tijdens uw verblijf in Turkije, waar u nota bene niet in het bezit was van geldige verblijfsdocumenten, zelfstandig werk en woonruimte vinden […]. Ook in Griekenland was u hiertoe in staat […]. Tevens zocht u zelf contact met een advocaat om uw paspoort en verblijfsvergunning te regelen […], waaruit blijkt dat u in staat bent om administratieve procedures te doorlopen. Voor het betalen van uw paspoort en uw reis naar België kreeg u geld van uw broer, die eveneens in België woont […], waaruit blijkt dat u op hem kunt rekenen voor materiele steun. In België bent u er eveneens in geslaagd om werk te vinden via een vriend […], ditmaal op legale wijze, waaruit opnieuw blijkt dat u zelf in staat bent de administratieve procedures te doorlopen die hiervoor vereist zijn (bijv. het verkrijgen van een oranje kaart)’. Hieruit blijkt dan ook dat verzoekende partij een zekere mate van zelfredzaamheid heeft, dat zij de capaciteiten bezit om complexe stappen te ondernemen en dat zij bovendien beschikt over een ondersteunend netwerk. Derhalve blijkt uit niets dat verzoekende partij bij een terugkeer naar Griekenland niet in staat zou zijn om haar leven op te bouwen. De Raad benadrukt dat het aan de begunstigde(n) van internationale bescherming toekomt om de nodige inspanningen te doen om zich te integreren in de samenleving waar hij/zij internationale bescherming heeft bekomen, door er onder meer werk en huisvesting te zoeken en de taal te leren. Er kan van verzoekende partij verwacht worden dat zij de nodige procedures doorloopt en geduld uitoefent vooraleer hieromtrent conclusies te trekken. Zulke inspanningen kunnen niet genoegzaam blijken uit verzoekende partij haar verklaringen en gedragingen. Uit de verklaringen van verzoekende partij blijkt immers dat zij relatief korte tijd na de toekenning van de status ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD16.652 VII-43.111-6/8 vertrokken is uit Griekenland, wat niet getuigt van een oprechte intentie om een duurzaam bestaan in Griekenland op te bouwen. Immers verkreeg zij de vluchtelingenstatus op 21 april 2023 en verliet zij Griekenland reeds in november 2023 […]. Het is voor verzoekende partij niet mogelijk om op basis van dit eerder kortstondig verblijf na het verkrijgen van internationale bescherming en de juiste documenten, conclusies te trekken omtrent de mogelijkheden op vlak van huisvesting, werkgelegenheid, medische zorgen of het aanbieden van taalcursussen in Griekenland. Uit bovenstaande bevindingen in verband met haar zoektocht naar werk, huisvesting en medische hulp blijkt bovendien dat zij slechts beperkte stappen ondernomen heeft om haar rechten als begunstigde van internationale bescherming te doen gelden in Griekenland en om aldaar een leven uit te bouwen.” Het besluit is immers dat verzoeker niet aantoont “dat [hij] bij een terugkeer naar Griekenland in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat [zijn] toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling (HvJ 19 maart 2019, Ibrahim e.a., pt. 91)”, noch “dat [hij] bij een terugkeer naar Griekenland persoonlijk in een situatie zou belanden die kan worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.” Bij deze beoordeling vermag de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening te houden met alle omstandigheden van de zaak.
  7. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD16.652 VII-43.111-7/8 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien maart tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD16.652 VII-43.111-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.652 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.