id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.665 Rolnummer: A. 247257/VII-43161 Zaak: Cassatiebeschikking 16665 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-16 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-06-18 06:46 Fiche Beschikking nr 16.665 van 27 maart 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.665 van 27 maart 2026 in de zaak A. 247.257/VII-43.161 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Staes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 122/14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 februari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 338.690 van 5 januari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 februari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel van het enige middel
- De bewijskracht van een akte, afgeleid uit de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek, bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen schriftelijk is vastgelegd in die akte. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die VII-43.161-1/6 er wel in voorkomt. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan.
- Te dezen verwijt verzoeker de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “een uitlegging [te geven] aan de mail van de raadsman van verzoekende partij d.d. 25.01.2024 die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan”. De Raad voor Vreemdelingebetwistingen stelt in het bestreden arrest dat “de raadsvrouw van verzoeker wel opmerkingen geformuleerd heeft in verband met het verloop van het onderhoud, maar niet over de inhoud op zich van het onderhoud”. Waar verzoekers raadsman in de e-mail van 25 januari 2024 schrijft dat “de raadsman tijdens het persoonlijk onderhoud meermaals heeft kunnen vaststellen dat ‘allerlei woorden vertaald werden die de P.O. niet gebruikte’” en dat “de vraag [wordt] gesteld of alles correct werd vertaald en om rekening te houden met de vertaalproblemen bij de beoordeling van eventuele tegenstrijdigheden”, betreft dit volgens verzoeker wel degelijk inhoudelijke kritiek. Hierdoor zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest “eveneens [ontkennen] dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt”. In de e-mail van 25 januari 2024 wijst verzoekers raadsman op een onenigheid met de tolk, zoals blijkt uit pagina’s 11 en 12 van de notities van het persoonlijk onderhoud en merkt hij op: “De manier waarop dit is neergeschreven is eerder gepolariseerd. De rol van de advocaat tijdens een verhoor betreft de rechten van de cliënt waarborgen. Als er zaken foutief worden vertaald heeft dit grote gevolgen. Tijdens het interview merkte ik op dat mijn cliënt vaak het woord ‘commandant’ gebruikte waarbij de tolk het woord ‘kapitein’ leek te gebruiken. Bij mijn tussenkomst, beaamde de P.O. dat hij dit ook zo hoorde. Dit wordt niet opgenomen in de notities. Zoals u kan lezen heb ik meerdere malen mijn excuses aangeboden, nogmaals wanneer de tolk poneerde ‘ik heb nog geen excuses van u mogen horen’. Deze excuses werden geuit met het oog op de verderzetting van het verhoor, echter wijs ik er nogmaals op dat deze initieel niet nodig waren, gelet op mijn rol als advocaat. Ik heb hierna geprobeerd de situatie te deëscaleren, zeker nadat ik hoorde dat de tolk allerlei woorden begon te vertalen die de P.O. niet heeft gebruikt. Dit door enkel een blik te werpen naar de P.O. Als ik hiermee verontwaardiging toon, lijkt mij dit niet meer dan normaal. De tolk heeft zeer onprofessioneel gereageerd. Het is maar de vraag of alles correct is vertaald. Mag ik vriendelijk vragen bij enige tegenstrijdigheid rekening te houden met dit voorval? Mijn cliënt moet niet de gevolgen dragen van de gedragingen van de tolk.” VII-43.161-2/6 Wat betreft de aangehaalde problemen met de tolk overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Verzoeker werpt problemen op met de tolk die tussenkwam tijdens zijn persoonlijk onderhoud. Uit de weergave van het persoonlijk onderhoud blijkt inderdaad dat er een incident plaatsvond tijdens dit onderhoud. Ook uit het mailverkeer en de bestreden beslissing zelf blijkt dit. Met name de bestreden beslissing gaat nader in op dit element en geeft weer dat er op het moment van de verklaringen voornamelijk over bepaalde termen in de militaire vocabulaire vragen gesteld werden bij de vertaling. De Raad kan hier echter niet uit afleiden dat dit aspect van het persoonlijk onderhoud een gevolg heeft gehad voor de uitkomst voor verzoeker. Immers geeft de bestreden beslissing op zich niet aan dat de positie van de broer van verzoeker betwist wordt, maar wel dat de betrokkenheid die verzoeker hier uit afleidt ongeloofwaardig is. Of de broer van verzoeker de ene of de andere rang bekleedde, is in dat opzicht niet van doorslaggevend belang. Er kan inderdaad in dezelfde mate niet ontkend worden dat de raadsvrouw van verzoeker wel opmerkingen geformuleerd heeft in verband met het verloop van het onderhoud, maar niet over de inhoud op zich van het onderhoud. Verzoeker heeft immers een kopij gekregen van de weergave van het persoonlijk onderhoud en hij heeft opmerkingen kunnen maken om aan te geven waar er eventueel fouten of onduidelijkheden zouden zitten en blijkens het administratief dossier achtte verzoeker het niet opportuun om dat te doen.” Hieruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent dat een incident heeft plaatsgevonden tijdens het onderhoud, doch oordeelt dat niet blijkt dat dit gevolgen had voor de uitkomst voor verzoeker. De positie van verzoekers broer wordt namelijk op zich niet betwist in de bestreden beslissing, maar wel de betrokkenheid die verzoeker hieruit afleidt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent eveneens dat verzoekers raadsman opmerkingen formuleerde, zij het dat deze enkel verband houden met het verloop van het onderhoud en niet met de inhoud ervan. Daarbij verduidelijkt hij nog dat verzoeker een kopij ontving van de weergave van het persoonlijk onderhoud maar heeft nagelaten om daarin eventuele fouten of onduidelijkheden aan te wijzen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hoefde verzoekers blote bewering in de voormelde e-mail dat het “maar de vraag [is] of alles correct is vertaald” dan ook niet te beschouwen als kritiek op de concrete inhoud van het onderhoud. Waar verzoeker nog wijst op de zinsnede: “zeker nadat ik hoorde dat de tolk allerlei woorden begon te vertalen die de P.O. niet heeft gebruikt”, heeft dit blijkens de pagina’s 11 en 12 van de notities van het persoonlijk onderhoud waarnaar verzoeker verwijst betrekking op het incident waarover de Raad voor vreemdelingenbetwistingen oordeelde dat het geen gevolgen heeft gehad voor de uitkomst voor verzoeker. Bovendien wordt hiermee geen concrete kritiek geformuleerd op de weergave van verzoekers persoonlijk onderhoud. Uit bovenstaande passage van het bestreden arrest blijkt niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de e-mail van 25 januari 2024 een VII-43.161-3/6 inhoud toekent die in strijd is met de bewoordingen ervan of ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt.
- Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede onderdeel van het enige middel
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering.
- In de mate dat verzoeker de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een “foutieve lezing van de standpunten van verzoekende partij wat betreft het gebrek aan garanties met betrekking tot de kwaliteit van de vertalingen door de tolk tijdens het persoonlijk onderhoud” en “een foutieve weergave van de argumenten van verzoekende partij” verwijt, heeft dit geen uitstaans met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Voor zover verzoeker een schending van de jurisdictionele motiveringsplicht tracht aan te tonen middels verwijzing naar de voormelde e-mail van 25 januari 2024 stellende dat deze “duidelijk inhoudelijke kritiek [bevat] op de vertalingen tijdens het persoonlijk onderhoud, en niet énkel op de vertaling van de rang van het beroep van de broer van verzoekende partij”, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middelonderdeel supra. Daarnaast is het bestreden arrest niet intern tegenstrijdig of dubbelzinnig waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij de beoordeling van het incident met de tolk vaststelt dat verzoeker geen opmerkingen heeft geformuleerd op de inhoud van het persoonlijk onderhoud en hij in een volgend punt ingaat op verzoekers argument dat hij ongeletterd is. Los van de vraag hoe het argument over verzoekers analfabetisme als inhoudelijke kritiek op het persoonlijk onderhoud kan worden beschouwd, VII-43.161-4/6 wordt dit argument overigens niet vermeld in de e-mail van 25 januari 2024 waarin verzoekers opmerkingen op het persoonlijk onderhoud worden geformuleerd. Aangaande de voorgehouden ongeletterdheid en communicatieproblemen overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Verzoeker wijst ook nog op zijn ongeletterdheid en het feit dat hij hierdoor niet alles op een gestructureerde wijze zou kunnen uitdrukken. Er werden aan verzoeker eenvoudige en duidelijke vragen gesteld, vragen werden herhaald of opnieuw omschreven en er werden, indien nodig, pauzes ingelast. De Raad is dan ook van oordeel dat uit de antwoorden van verzoeker tijdens de persoonlijke onderhouden niet bleek dat hij de gestelde vragen of de verwachtingen van de protection officer niet zou begrijpen. Verzoeker werd bovendien ondervraagd met vragen die aansluiten bij zijn eigen leefwereld, profiel en identiteit, zodat zelfs van iemand met een beperkt intelligentieniveau kan worden verwacht dat hij kan antwoorden op een aantal elementaire kennisvragen hierover. Het vastgestelde gebrek aan kennis heeft immers betrekking op elementen uit verzoeker zijn persoonlijke leefwereld of betreft kennis die in zijn dagelijkse leven kan worden opgemerkt en zonder voorafgaande kennis kan worden ervaren. Ook dit argument ontkracht de bevindingen van de bestreden beslissing niet. Uit lezing van de notities van het persoonlijk onderhoud blijkt niet dat er zich dermate communicatieproblemen hebben voorgedaan dat het verloop van het onderhoud zouden hebben beïnvloed. Gelet op wat voorafgaat kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de overlevering van de verklaringen op betrouwbare wijze is verlopen. Aldus kan worden vastgesteld dat de informatie en verklaringen verkregen tijdens het procedureverloop voor de DVZ evenals in het kader van verzoekers onderhoud op het CGVS betrouwbaar zijn en in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van verzoekers verzoek om internationale bescherming.” In tegenstelling tot wat verzoeker opmerkt, “negeert” de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met bovenstaande motivering niet “de overige, thans inhoudelijke, kritieken van verzoekende partij over het verloop van het persoonlijk onderhoud en de impact ervan op de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming en het gebrek aan garanties”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is daarentegen van oordeel dat uit de notities van het persoonlijk onderhoud niet blijkt dat er zich zodanige communicatieproblemen voordeden dat het verloop van het persoonlijk onderhoud erdoor werd beïnvloed. Zoals reeds gesteld onder punt 2 supra erkent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eerder in het bestreden arrest dat een incident met de tolk heeft plaatsgevonden tijdens het onderhoud, doch dat niet blijkt dat dit gevolgen had voor de uitkomst voor verzoeker en stelt hij vast dat verzoeker de mogelijkheid had, doch naliet om eventuele fouten of onduidelijkheden aan te wijzen in de weergave van het persoonlijk onderhoud. In het bestreden arrest geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk VII-43.161-5/6 en ondubbelzinnig aan waarom hij van oordeel is dat “[g]elet op wat voorafgaat […] redelijkerwijs [kan] worden aangenomen dat de overlevering van de verklaringen op betrouwbare wijze is verlopen. Verzoeker toont met zijn kritiek geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. In de mate dat verzoeker het niet eens is met de beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vraagt hij met zijn kritiek in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zevenentwintig maart tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.161-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.665 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div