id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.666 Rolnummer: A. 247562/VII-43182 Zaak: Cassatiebeschikking 16666 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-16 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-06-18 06:46 Fiche Beschikking nr 16.666 van 27 maart 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.666 van 27 maart 2026 in de zaak A. 247.562/VII-43.182 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marthe Vandewalle kantoor houdend te 9000 Gent Koopvaardijlaan 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 maart 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 341.166 van 13 februari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 13 maart 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn niet van toepassing op jurisdictionele beroepen zoals het bestreden arrest. Hetzelfde geldt voor de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de materiëlemotiveringsplicht.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, VII-43.182-1/5 het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest over verzoekers voorgehouden bijzondere kwetsbaarheid: “Verzoekende partij maakt evenmin aannemelijk dat zij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die haar zou verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenland, of waardoor zij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. In haar verzoekschrift en aanvullende nota wijst verzoekende partij op haar medische en psychische gezondheidstoestand, in het bijzonder haar epilepsie en psychische problemen, doch de Raad stelt vast dat uit de voorgelegde medische/psychologische stukken niet kan blijken dat er in hoofde van verzoekende partij sprake is van medische en/of psychische problemen (en/of andere elementen) die belangrijke negatieve gevolgen zouden hebben voor haar zelfstandig functioneren. Uit de stukken blijkt dat zij medisch en psychologisch wordt opgevolgd, dat zij epileptische aanvallen heeft (ongeveer twee keer per jaar) en dat zij hiervoor medicatie neemt. Verder wordt in de attesten een opsomming gegeven van de psychische symptomen waarmee verzoekende partij zou kampen, doch kan uit de bijgebrachte attesten niet worden afgeleid in welke mate deze vaststellingen zijn gebaseerd op haar eigen verklaringen dan wel op diepgaand onderzoek. Waar in het psychologisch rapport d.d. 25/08/2025 – waarvan de bevindingen nog steeds actueel zijn volgens haar psycholoog – wordt vastgesteld dat zij zou lijden aan een ernstige depressie en een posttraumatische stressstoornis, blijkt uit het attest niet dat er daadwerkelijk een diagnose werd gesteld na diepgaand onderzoek. Uit het attest blijkt dat er slechts drie consultaties plaatsvonden waarbij een eerder summier onderzoek lijkt te hebben plaatsgevonden. In de bijgebrachte medische en psychologische attesten wordt voorts nergens enige concrete toelichting gegeven omtrent de eventuele impact van de erin beschreven medische/psychische problemen op het zelfstandig functioneren van verzoekende partij. Uit de attesten kan niet worden afgeleid dat de gezondheidstoestand van verzoekende partij van die aard en/of ernst is dat deze belangrijke negatieve gevolgen zou hebben voor haar zelfredzaamheid en VII-43.182-2/5 autonomie. Evenmin kan zulks worden afgeleid uit de eigen verklaringen van verzoekende partij. Zij verklaarde dat zij ‘soms’ een epileptische aanval heeft alsook kampt met psychische problemen, al van toen zij nog in Gaza verbleef […], doch kan uit haar verklaringen nergens worden afgeleid dat zulks belangrijke negatieve gevolgen zou hebben voor haar zelfstandig functioneren. Waar verzoekende partij in haar verzoekschrift en aanvullende nota dan ook voorhoudt niet in staat te zijn om te werken, dient door de Raad te worden vastgesteld dat dit nergens blijkt uit de neergelegde medische/psychologische stukken noch uit de verklaringen die verzoekende partij aflegde op het Commissariaat-generaal. Uit haar verklaringen tijdens haar persoonlijk onderhoud op het Commissariaat-generaal kan daarentegen worden afgeleid dat zij zichzelf wel degelijk in staat acht om te werken. Immers verklaarde zij dat zij in Griekenland trachtte werk te vinden alsook in België op zoek is naar werk […]. Daarnaast blijkt tevens dat zij tijdens haar verblijf in Turkije werkzaam was in een bedrijf als verpakker van brood […] alsook in Griekenland gedurende vijf dagen in de bouw werkte […]. Op geen enkel moment werd door haar aangegeven niet te kunnen werken wegens haar gezondheidstoestand. In haar aanvullende nota stelt zij dat zij in België enkele dagen trachtte te werken, doch dat zij hiertoe niet in staat bleek te zijn. Doch brengt zij hieromtrent niet het minste bewijs bij. Dient voorts ook hier te worden opgemerkt dat, hoewel aangenomen kan worden dat de situatie in Gaza een psychologische impact heeft op verzoekende partij, evenwel, gelet op het voorgaande, in casu niet blijkt dat verzoekende partij persoonlijk dermate psychische problemen ondervindt dat deze haar zelfstandig functioneren beïnvloeden. Ten slotte wordt evenmin aangetoond dat verzoekende partij nood heeft aan zware zorg en/of complexe monitoring die in Griekenland niet beschikbaar zou zijn. Verzoekende partij maakt dan ook niet aannemelijk dat zij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die haar zou verhinderen om haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status in Griekenland. Er kan worden aangenomen dat verzoekende partij voldoende autonoom en zelfredzaam is om zich bij terugkeer naar Griekenland zelfstandig te handhaven. Verzoekende partij regelde haar vertrek uit Gaza zelf […] en verbleef vervolgens meer dan een jaar in Turkije waar zij werkte in een bedrijf als verpakker van brood […]. Verder blijkt uit haar verklaringen dat zij tijdens haar kort verblijf in Griekenland gedurende vijf dagen in de bouw werkte […]. Zij bekwam deze job via haar Palestijns netwerk in Griekenland […]. Ook slaagde zij erin haar verblijfsvergunning (ADET) en reispaspoort te bekomen, i.e. documenten die niet automatisch worden afgegeven maar waartoe de nodige administratieve procedures dienen te worden doorlopen. Tevens dient te worden opgemerkt dat verzoekende partij na een kort verblijf in Griekenland met de hulp van andere Palestijnen via Italië doorreisde naar Duitsland om aldaar opnieuw een verzoek om internationale bescherming in te dienen […]. Nadat haar verzoek geweigerd werd in Duitsland, kwam zij naar België om er een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Uit haar verklaringen blijkt dan ook dat verzoekende partij beschikt over een zekere mate van zelfredzaamheid, keuzemogelijkheden en de capaciteit om complexe stappen te ondernemen. Tevens blijkt dat zij in Griekenland kon rekenen op ondersteuning van haar Palestijns netwerk aldaar, via hetwelk zij een job vond alsook het land kon verlaten. Verzoekende partij toont niet aan dat zij bij een terugkeer naar Griekenland niet opnieuw (tijdelijk) op dit netwerk een beroep zou kunnen doen, mocht dit nodig blijken te zijn.” Met deze omstandige motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan dat en waarom hij van oordeel is dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die hem zou VII-43.182-3/5 verhinderen om zijn rechten te doen gelden, verbonden aan zijn status in Griekenland of waardoor hij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die strijdig zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst daarbij expliciet naar verzoekers verzoekschrift, zijn aanvullende nota, zijn verklaringen en “de voorgelegde medische/psychologische stukken”. Wat deze medische en psychologische stukken betreft, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer vast dat verzoeker medisch en psychologisch wordt opgevolgd, dat hij last heeft van epileptische aanvallen waarvoor hij medicatie neemt en dat “in de attesten een opsomming [wordt] gegeven van de psychische symptomen waarmee [verzoeker] zou kampen”. Met zijn kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarbij geen melding maakt van verzoekers “diagnose psychotische stoornis type schizofrenie in context van zijn epilepsie”, zijn “overige medische problemen: verhoogde bloeddruk, cholesterol en diabetes” of nog “alle medicatie dat verzoeker dient te nemen” toont verzoeker niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening hield met deze elementen. A fortiori toont verzoeker niet aan dat de bovenstaande motivering niet zou volstaan in het licht van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de motivering uit het bestreden arrest niet afdoende, niet deugdelijk of niet correct is, heeft dit bovendien geen uitstaans met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Voor zover verzoeker met zijn kritiek een andere beoordeling voorstelt van de voorhanden zijnde elementen, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.182-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventwintig maart tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.182-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.666 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div