id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.687 Rolnummer: A. 247111/VII-43143 Zaak: Cassatiebeschikking 16687 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-28 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-18 06:49 Fiche Beschikking nr 16.687 van 17 april 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.687 van 17 april 2026 in de zaak A. 247.111/VII-43.143 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Sint-Quentinstraat 3/3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 januari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 338.362 van 19 december 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 februari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste onderdeel van het eerste middel 1. Verzoeker voert een schending aan van de artikelen 2 en 772 van het Gerechtelijk Wetboek. De overweging uit het bestreden arrest dat “nieuwe gegevens ten laatste op de door de Raad vastgestelde rechtsdag worden aangebracht” betreft “een fout in rechte”, omdat de mogelijkheid wel degelijk is voorzien om ook tijdens het beraad het debat te VII-43.143-1/9 heropenen “in het bijzonder wanneer er nieuwe stukken of feiten van overwegend belang opduiken die niet bekend waren op de rechtsdag”, aldus verzoeker. Artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek luidt: “De in dit wetboek gestelde regels zijn van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek.” Artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, kan zij, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van de debatten vragen.” Artikel 39/76, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) bepaalt dat de partijen tot de sluiting van het debat door middel van een aanvullende nota nieuwe elementen ter kennis kunnen brengen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dat niet in de aanvullende nota vervatte nieuwe elementen ambtshalve uit de debatten worden geweerd. Omtrent verzoekers vraag om het debat te heropenen overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Op 25 november 2025 bezorgt verzoeker via J-BOX een ‘Verzoekschrift tot heropening van de debatten’, waarin hij conform artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek om de heropening van de debatten verzoekt en waaraan hij een schrijven toevoegt van een consortium van Griekse middenveldorganisaties aan verweerder d.d. 19 november 2025 met betrekking tot de COI Focus ‘Aide aux migrants’ van Cedoca van 25 juli 2025. De Raad stelt evenwel vast dat deze COI Focus in casu niet werd bijgebracht, noch door verweerder, noch door verzoeker. In zoverre verzoeker in zijn verzoekschrift tot heropening van de debatten betoogt dat het schrijven van de Griekse middenveldorganisaties tevens aantoont dat zij met een chronisch gebrek aan middelen kampen waardoor hun dienstverlening beperkt is, dat er problemen rijzen bij het verkrijgen van een (actieve) AMKA en dat er obstakels zijn bij de toegang tot gezondheidszorg, stelt de Raad vast dat verzoeker deze elementen ook reeds in zijn verzoekschrift en zijn aanvullende nota heeft aangebracht en ter terechtzitting heeft toegelicht. Met deze elementen wordt in onderhavige beoordeling dan ook terdege rekening gehouden. VII-43.143-2/9 Indien wegens de voorlegging van nieuwe gegevens de heropening der debatten zou moeten worden bevolen, moet een nieuwe rechtsdag worden vastgesteld en moet de tegenpartij in de gelegenheid worden gesteld de voorgebrachte nieuwe gegevens te onderzoeken en hieromtrent standpunt in te nemen. Dergelijke vertraging valt niet te verenigen met de door de wetgever gewilde snelle afhandeling van de asieldossiers. De wetgever heeft niet alleen de behandelingstermijn heel kort gehouden, doch heeft tevens gewild dat nieuwe gegevens ten laatste op de door de Raad vastgestelde rechtsdag worden aangebracht. Eén en ander leidt tot het besluit dat de Raad de wil van de wetgever zou miskennen wanneer hij de debatten zou heropenen om reden dat de verzoeker om internationale bescherming tijdens het beraad nieuwe gegevens heeft ontdekt (RvS 8 oktober 2008, nr.186.908; zie ook RvS 19 augustus 2024, nr. 260.503). De door verzoeker bijgebrachte brief van de Griekse middenveldorganisaties van 19 november 2025 werd aan de Raad overgemaakt na de sluiting der debatten. Gezien het geheel van de voorgaande vaststellingen acht de Raad het te dezen niet aangewezen om in casu de debatten te heropenen.” Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt uit de voorgaande motieven van het bestreden arrest dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het verzoek om het debat te heropenen wel degelijk heeft onderzocht en beoordeeld. Naast de verwijzing naar de wil van de wetgever stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat het stuk waarop verzoeker zijn verzoek ent betrekking heeft op een COI Focus die te dezen niet door de partijen werd voorgelegd aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Voor zover verzoeker betoogt dat het nieuwe stuk aantoont dat “[de Griekse middenveldorganisaties] met een chronisch gebrek aan middelen kampen waardoor hun dienstverlening beperkt is, dat er problemen rijzen bij het verkrijgen van een (actieve) AMKA en dat er obstakels zijn bij de toegang tot gezondheidszorg” oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker deze elementen reeds aankaartte in zijn verzoekschrift, zijn aanvullende nota en ter terechtzitting zodat ze reeds terdege worden betrokken in zijn beoordeling. Hiermee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in wezen aan dat “[het] schrijven […] van een consortium van Griekse middenveldorganisaties aan verweerder d.d. 19 november 2025 met betrekking tot de COI Focus ‘Aide aux migrants’ van Cedoca van 25 juli 2025” geen “nieuw stuk of feit van overwegend belang” is dat aanleiding kan vormen voor de heropening van het debat. Hij concludeert dat “[g]ezien het geheel van de voorgaande vaststellingen” de heropening van het debat te dezen niet aangewezen is. De artikelen 2 en 772 van het Gerechtelijk Wetboek zijn niet geschonden met het bestreden arrest. Tweede en vijfde onderdeel van het eerste middel 2. Verzoeker verwijst naar de supra geciteerde motivering uit het bestreden arrest over zijn verzoek om het debat te heropenen en stelt dat de Raad voor VII-43.143-3/9 Vreemdelingenbetwistingen “een snelle afhandeling van een verzoek om internationale bescherming prioriteert boven een behoorlijke en volledige behandeling van dat verzoek”. Hieruit leidt hij een schending af van artikel 57/6, § 3, van de vreemdelingenwet “op richtlijnconforme wijze geïnterpreteerd in het licht van artikel 33, lid 2,
- a)van richtlijn 2013/32/EU”. Bovendien schendt het bestreden arrest “het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zoals gewaarborgd door artikel 13 van het EVRM en artikel 47 van het EU- Handvest” door verzoekers vraag om het debat te heropenen om die reden af te wijzen. Verzoeker vertrekt van de premisse dat de weigering om het debat te heropenen, impliceert dat zijn verzoek om internationale bescherming niet behoorlijk en volledig werd behandeld en dat geen “volledig en ex nunc onderzoek [plaatsvond] van zowel de feitelijke als juridische gronden”, doch toont zulks niet aan. Bovendien gaat hij voorbij aan de overige motieven waarop die weigering is gestoeld. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen soeverein oordeelt over de vraag of hij voldoende is voorgelicht en of het al dan niet aangewezen is het debat te heropenen om een partij de mogelijkheid te bieden bijkomende stukken aan te brengen. Uit de bovenstaande motivering van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het verzoek om het debat te heropenen heeft onderzocht en geoordeeld dat dit niet aangewezen was. Derde onderdeel van het eerste middel 3. Ook in het derde middelonderdeel uit verzoeker kritiek op de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om het debat niet te heropenen. Wat dat betreft, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste, tweede en vijfde middelonderdeel supra. 4. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. VII-43.143-4/9 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest over de opgeworpen schending van artikel 57/6, § 3, derde lid, van de vreemdelingenwet onder meer dat de erin voorgeschreven termijn van vijftien werkdagen een “louter indicatieve ordetermijn betreft”, dat verzoeker niet aantoont benadeeld te zijn door de langere duur van de procedure, dat de wet geen sanctie voorziet voor een overschrijding van de voormelde termijn, dat geen wettelijke bepaling of beginsel de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toelaat een vreemdeling als vluchteling te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen indien de voormelde termijn wordt overschreden, dat de aanvankelijk bestreden beslissing geen motivering hoeft te bevatten over de overschrijding van de voorgeschreven termijn, dat deze overschrijding niet tot gevolg heeft dat het verzoek om internationale bescherming ontvankelijk moet worden verklaard, dat de termijnoverschrijding niet leidt tot verlies van bevoegdheid in hoofde van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en dat verzoeker dan ook geen schending aannemelijk maakt van de voormelde bepaling of van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Voorts wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie en in het bezit is van Griekse verblijfsdocumenten. Verzoeker toont volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet aan dat hij actueel niet langer over een beschermingsstatus in Griekenland beschikt zodat wordt vermoed dat hij geen nood heeft aan internationale bescherming in België. Met deze omstandige motivering antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op de door verzoeker opgeworpen schending van artikel 57/6, § 3, derde lid, van de vreemdelingenwet. Waar verzoeker verwijst naar zijn aanvullende nota en voor zover hij meent dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft geantwoord op de daarin vervatte kritiek dat de lange duurtijd van de procedure het ernstig risico op onmenselijke en vernederende behandeling in Griekenland vergroot, gaat hij voorbij aan de beoordeling van zijn individuele situatie in het bestreden arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt onder meer: “[…]Verzoeker brengt geen concrete elementen aan waaruit blijkt dat hij, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt of is terechtgekomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften. De Raad kan slechts vaststellen dat verzoeker op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Griekenland alle mogelijke middelen zou hebben benut, laat staan uitgeput, om zijn rechten als begunstigde van internationale bescherming te doen gelden. VII-43.143-5/9 [...] Verzoeker toont niet aan, ook al kan worden aangenomen dat zijn situatie door onzekerheid of een verslechtering van zijn levensomstandigheden gekenmerkt wordt, dat hij bij een terugkeer naar Griekenland in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling (HvJ 19 maart 2019, Ibrahim e.a., pt. 91). Hij toont niet aan dat hij persoonlijk in een situatie zou belanden die kan worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Alles samen genomen toont verzoeker niet aan dat hij ernstige pogingen heeft ondernomen om zijn rechten als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland te doen gelden. Verzoeker brengt verder geen concrete elementen aan waaruit blijkt dat hij als gevolg van de onverschilligheid van de Griekse overheden, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt of is terechtgekomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften. De Raad kan slechts vaststellen dat verzoeker op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Griekenland alle mogelijke middelen zou hebben uitgeput om zijn rechten als begunstigde van internationale bescherming te doen gelden. In voorliggend geval blijkt, na een individueel en inhoudelijk onderzoek van het geheel van de elementen die voorliggen, dat verzoeker niet aantoont dat de bescherming, die hem in Griekenland werd verleend, ontoereikend zou zijn. Verzoeker kan evenmin in alle redelijkheid stellen dat er in zijn hoofde sprake is van buitengewone omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat hij wegens een bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht zal komen, die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid, noch dat hij zou worden blootgesteld aan onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en van artikel 4 van het Handvest. […] Het vermoeden dat zijn grondrechten als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zullen worden geëerbiedigd, wordt niet weerlegd. Er worden geen feiten of elementen aangetoond die de toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet op de individuele situatie van verzoeker in de weg staan. Zijn beschermingsverzoek dient bijgevolg op basis van deze rechtsgrond niet-ontvankelijk te worden verklaard. Een schending van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet blijkt niet. Een schending van artikel 4 van het Handvest en van artikel 3 van het EVRM wordt niet aangetoond. De Raad wijst er hierbij bovendien nog op dat de bestreden beslissing op zich geen verwijderingsmaatregel inhoudt.” Verzoeker toont met zijn kritiek geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. 5. In de mate dat verzoeker de artikelen 39/76, § 3 en 57/6, § 3, van de vreemdelingenwet geschonden acht door de overschrijding van de daarin vervatte termijnen, wijst hij er zelf op dat het gaat om termijnen van orde. Deze termijnoverschrijdingen kunnen derhalve niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest. VII-43.143-6/9 Vierde onderdeel van het eerste middel 6. Verzoeker verwijt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat hij in het bestreden arrest “niet op duidelijke en ondubbelzinnige wijze uiteen[zet] hoe [hij] enerzijds weigert de debatten te heropenen omdat het nieuwe stuk betrekking zou hebben op elementen waar reeds terdege rekening mee gehouden wordt, en anderzijds tot een conclusie komt die de negatie vormt van diezelfde elementen”. In punt 5.9. van het bestreden arrest maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een omstandige analyse van “de situatie […] van personen die internationale bescherming genieten in Griekenland en dit op basis van de meest recente en volledige landenrapporten waarover de Raad in de huidige fase van de procedure beschikt”. Op basis van deze analyse, waarin hij de elementen waarnaar verzoeker verwijst betrekt, concludeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat “in de huidige stand van zaken […] niet kan worden geconcludeerd dat (
- i)de levensomstandigheden van statushouders in Griekenland van die aard zijn dat elke statushouder bij terugkeer naar dat land a priori een reëel risico loopt om terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig (zouden) staan en dat (
- ii)een meer diepgaande individuele beoordeling niet langer nodig is. De hoger vermelde informatie over de situatie in Griekenland is op zichzelf niet voldoende om zonder meer te concluderen dat de bescherming die wordt geboden aan iedereen die daar internationale bescherming heeft verkregen, niet langer effectief of voldoende zou zijn, noch dat alle statushouders bij een terugkeer naar Griekenland zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie daar gekenmerkt door grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden”. Vervolgens onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers individuele situatie, waarvoor kan worden verwezen naar de beoordeling van het derde middelonderdeel supra. Door te stellen dat in de beoordeling van het bestreden arrest “terdege rekening [wordt] gehouden” met de elementen die verzoeker aanhaalt, doch op basis van een analyse van de situatie van statushouders in Griekenland aan de hand van landenrapporten tot de voormelde conclusie te komen, motiveert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn arrest niet tegenstrijdig. Conclusie VII-43.143-7/9 7. Het eerste middel is in zijn vijf onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel 8. Verzoeker beperkt zich tot algemene kritiek, doch toont hiermee niet aan dat de gegeven motieven niet zouden volstaan dan wel tegenstrijdig zouden zijn in het licht van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. In de mate dat verzoeker het niet eens is met de gemaakte beoordeling vraagt hij in wezen nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. 9. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Het loutere feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoeker verkeerde feitelijke of juridische gevolgtrekkingen zou hebben getrokken, houdt geen verband met de bewijskracht van akten zoals deze voortvloeit uit de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek. Verder vraagt verzoeker in de uiteenzetting van het middel wat de door hem bijgebrachte stukken betreft in wezen een nieuwe en andere beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoeker vermag op die manier geen schending aan te tonen van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet, noch van “het procedurele luik van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU-Handvest”. 10. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-43.143-8/9 BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien april tweeduizend zesentwintig door: Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De staatsraad Bryan Geerts Frédéric Vanneste VII-43.143-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.687 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div