id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.691 Rolnummer: A. 247146/VII-43150 Zaak: Cassatiebeschikking 16691 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-06-18 06:49 Fiche Beschikking nr 16.691 van 21 april 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.691 van 21 april 2026 in de zaak A. 247.146/VII-43.150 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander Alenkin kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 390/13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 januari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 338.476 van 22 december 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 13 februari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste onderdeel van het enige middel: “rechtsfout – schending van de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 5 december 1980, van artikel 1A
(2)van het verdrag van Genève en van artikel 3 EVRM – rechtsfout inzake het begrip gegronde vrees en de beoordeling van het risico”.
- Verzoeker voert aan dat het bestreden arrest de in het middelonderdeel aangehaalde bepalingen schendt “doordat het de erkenning van een gegronde vrees voor VII-43.150-1/9 vervolging of van een reëel risico op het ondergaan van verboden behandelingen op onwettige wijze afhankelijk stelt van het bestaan van elementen van persoonlijke vervolging die zich reeds in het verleden zouden hebben voorgedaan”. Volgens verzoeker volstaat het ontbreken van (toereikende) eerdere daden van vervolging niet om het bestaan van een gegronde vrees uit te sluiten “wanneer het toekomstige risico wordt aangetoond of aannemelijk gemaakt door samenlopende en objectieve elementen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt eerst betreffende de algemene situatie voor Oeigoeren in Kirgizië: “Verzoeker stelt zijn land van herkomst te hebben verlaten en niet te kunnen terugkeren naar dit land omdat hij aldaar werd en/of zou riskeren te worden geviseerd of vervolgd omwille van zijn etnische aanhorigheid als Oeigoer. In de bestreden beslissing wordt in dit kader echter vooreerst met recht gemotiveerd: ‘Wat betreft de situatie van de Oeigoerse minderheid in Kirgizië moet vooreerst onderstreept worden dat uit landeninformatie waarover het CGVS beschikt niet geconcludeerd kan worden dat er in Kirgizië sprake is van systematische vervolging van de Oeigoerse gemeenschap omwille van hun origine. […] Daaruit volgt dat u een vrees voor vervolging omwille van uw etnische achtergrond individueel dient aan te tonen.’ Verzoeker slaagt er niet in om deze motieven te ontkrachten. De informatie die verzoeker aanhaalt en waaruit verzoeker citeert, ligt namelijk volledig in dezelfde lijn als en doet bijgevolg op generlei wijze afbreuk aan de informatie zoal gehanteerd door verweerder. Uit het geheel van de beschikbare landeninformatie blijkt dat hoegenaamd niet kan worden besloten dat de situatie in Kirgizië van zulke aard is dat aldaar sprake is van een veralgemeende en systematische vervolging van de Oeigoerse gemeenschap. Uit deze informatie kan niet worden afgeleid dat het loutere gegeven een Oeigoer te zijn en afkomstig te zijn van Kirgizië zou kunnen volstaan om in hoofde van verzoeker te besluiten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de vluchtelingenrechtelijke zin. Verzoeker dient het bestaan van zulke vrees voor vervolging aldus in concreto aan te tonen en aannemelijk te maken.” Vervolgens citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beoordeling uit de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende partij betreffende de door verzoeker aangehaalde elementen en bijgebrachte stukken om in concreto een gegronde vrees voor vervolging aannemelijk te maken, waarbij hij zich aansluit: “Verzoeker blijft op dit vlak echter kennelijk in gebreke. Dienaangaande, wordt in de bestreden beslissing namelijk op geheel gerechtvaardigde wijze gemotiveerd: ‘U blijft hier echter in gebreke omwille van een aantal redenen. Zo kon u geen enkel concreet voorbeeld geven van Oeigoeren die gediscrimineerd worden. U zei dat andere etniciteiten in Kirgizië in het algemeen vervolgd worden, zowel Russen, Oezbeken als Oeigoeren. Zakenmensen van die etniciteit moeten bijvoorbeeld meer belastingen of boetes betalen of hun zaak wordt afgenomen. Er vinden ook gevallen van plundering en brandstichting plaats in de Oezbeekse en Oeigoerse wijken. […] U laat echter na om eender welk bewijs neer te leggen om deze beweringen te concretiseren of te staven. U VII-43.150-2/9 verwees daarnaast naar twee aanslagen op uw leven omwille van uw Oeigoerse afkomst. […] De eerste keer was toen u onderweg was naar een hoorzitting en u in de gang van het gerechtsgebouw hard op uw hoofd werd geslagen. Men vertelde u nadien dat een familielid van het slachtoffer u had geslagen. Hoewel de rechter ervan op de hoogte werd gesteld, werd er niet op teruggekomen. […] Dit incident is echter niet zwaarwichtig of ernstig genoeg zodat er sprake zou zijn van vervolging in de vluchtelingrechtelijke zin, noch ernstige schade veroorzaakt zoals bedoeld in de context van subsidiaire bescherming. De tweede aanslag vond plaats toen u in […] zat. U had samen met vier of vijf andere gevangenen de officieuze interne regels van de gevangenis geschonden waardoor jullie door de leidinggevende groep vernederd werden. Iemand trok een mes en ze wilden jullie bang maken. Dit incident houdt echter geen verband met uw etniciteit. De oorzaak van de vete was het feit dat u en andere gevangenen de regels niet hadden gevolgd. Daarenboven waren de andere gedupeerden van Russische en Kirgizische afkomst, wat verder aantoont dat uw Oeigoerse etniciteit hier niets mee te maken had. […] Als voorbeeld van hoe u nog te maken kreeg met racisme, legde u uit dat u onterecht werd veroordeeld in een rechtszaak nadat u op 30 juni 2018 per ongeluk een man had aangereden die de dag erop overleed. U beweerde dat u omwille van uw etnie en inmenging van de familie van het slachtoffer onrechtmatig en buitenproportioneel gestraft werd. […] Het is echter niet aannemelijk dat uw etnie een rol speelde bij de veroordeling of het bepalen van de strafmaat. Ten eerste werd uw zaak door drie verschillende rechtbanken behandeld. Zowel de districtsrechtbank, de stedelijke rechtbank als het hof van beroep heeft zich uitgesproken over uw zaak, op respectievelijk 16 januari 2019, 2 april 2019 en 15 juli
- […] Het feit dat drie verschillende rechtbanken zich over uw dossier hebben gebogen, is een tegenindicatie dat u tijdens de rechtszaak geframed zou zijn. Ten tweede kan uit de door u voorgelegde documenten niet worden afgeleid dat de opgelegde straf onrechtmatig of disproportioneel was. U haalde aan dat dat u werd veroordeeld voor het toebrengen van zware schade met gevaar of de dood als gevolg. De wettelijk bepaalde straf voor dat wetsartikel is volgens u één tot drie jaar voorwaardelijke gevangenisstraf en een boete. Toch had de procureur om vijf jaar gevraagd, u denkt dat de familie van het slachtoffer dat met hem had afgesproken of dat ze hem onder druk zetten. De familie zou sterke connecties hebben met de procureur. […] De districtsrechtbank veroordeelde u op 16 januari 2019 op basis van artikel 281, lid 5 (editie 1997) uiteindelijk tot vijf jaar gevangenisstraf en twee of drie jaar rijverbod. (Uw advocaat vermeldt in zijn beroep 3 jaar, het hof van beroep 2 jaar […]) Daarnaast moest u een materiele schadevergoeding betalen ter waarde van 413.830 som en een morele schadevergoeding van 800.000 som. U legde geen enkel objectief bewijs neer om uw bewering te onderbouwen dat de wettelijk bepaalde straf voor de door u gepleegde feiten één tot drie jaar voorwaardelijke gevangenisstraf is. Uit het cassatieberoep van uw advocaat blijkt evenmin dat de opgelegde straf van 5 jaar gevangenisstraf onwettig was. Hij haalde immers aan dat volgens artikel 281, deel 5 het veroorzaken van een verkeersongeval door een bestuurder, met als gevolg ernstig letsel of de dood van een verkeersdeelnemer, bestraft wordt met een gevangenisstraf van drie tot vijf jaar en een rijverbod van één tot drie jaar. […] De strafmaat die u door de districtsrechtbank werd opgelegd, valt dus weldegelijk binnen de wettelijke bepaling. Omdat de familie van het slachtoffer niet tevreden was met het eerste vonnis, gingen ze in beroep bij de stedelijke rechtbank. […] U werd op 2 april 2019 door de stedelijke rechtbank veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf en twee/drie jaar rijverbod. (cf. supra i.v.m. verschil advocaat – hof van beroep) Het bedrag van de schadevergoeding bleef ongewijzigd. U toonde niet aan dat de hogere straf in beroep omwille van uw etnie was of het resultaat was van inmenging van de familie van het slachtoffer. Uit uw gerechtelijk dossier kan immers afgeleid worden dat de stedelijke rechtbank u, in tegenstelling tot de districtsrechtbank, veroordeelde voor VII-43.150-3/9 artikel 121, lid 2 (versie 1997). Dit heeft betrekking op het achterlaten van een slachtoffer zonder hulp, terwijl deze zich in een levens- of gezondheidsbedreigende toestand bevindt. […] De beoordeling van de stedelijke rechtbank werd bevestigd door het hof van beroep, dat stelde dat uit u dossier onomstotelijk blijkt dat u na de aanrijding de plaats van het ongeval verlaten hebt zonder hulp te verlenen aan het slachtoffer en u zich pas in het ziekenhuis meldde toen het slachtoffer werd geopereerd. […] De verlenging van de strafmaat tot zeven jaar opsluiting heeft dus alles te maken met verzwarende omstandigheden en niet met uw origine of inmenging van de familie van het slachtoffer. Daarnaast zijn er andere tegenindicaties voor de stelling dat u een strengere straf werd opgelegd omwille van de connecties of invloed van de familie van het slachtoffer. U vertelde dat de familie van het slachtoffer twaalf jaar gevangenisstraf wilde. Het feit dat de procureur desondanks vijf jaar vroeg en zich zodoende hield aan de wettelijk bepaalde strafmaat voor de gepleegde feiten (cf. supra) toont aan dat de invloed van de familie op de procureur toch eerder beperkt was. […] Verder bleek uit uw verklaringen dat de familie een grote som geld had gevraagd ter compensatie (volgens u 120.000 dollar). De rechtbank keurde dit echter niet goed omdat het een groot bedrag betrof. […] Uit het cassatieberoep van uw advocaat blijkt dat de familie een bedrag van 413.830 som aan materiële schade en 5.000.000 som aan morele schade had gevraagd. […] De districtsrechtbank beperkte de te betalen morele schadevergoeding uiteindelijk tot 800.000 som. […] Ook dit gegeven strookt niet met de idee dat de familie dermate invloedrijk was om uitspraken van de rechtbank naar believen te beïnvloeden. Het feit dat zowel de procureur als de districtsrechtbank de eisen van de familie niet volgden, indiceert een onafhankelijke werking tijdens de rechtszaak. Er moet geconcludeerd worden dat u niet hard kon maken dat u onterecht veroordeeld werd omwille van het auto-ongeluk, dat uw proces oneerlijk is verlopen of dat u disproportioneel gestraft werd omwille van uw Oeigoerse origine of door toedoen van de familie van het slachtoffer die niet kon aanvaarden dat u een andere afkomst hebt. U verklaarde verder dat u op illegale wijze bent vrijgekomen uit de gevangenis door het betalen van een grote som geld en om die reden bij terugkeer naar Kirgizië opnieuw opsluiting vreest. […] Er kan echter niet worden aangenomen dat uw vrijlating onwettig was. Uit de vertaling van het document dat u kreeg bij vrijlating blijkt immers dat u op 8 mei 2020 werd vrijgelaten op grond van amnestie. […] Informatie die werd toegevoegd aan uw administratief dossier […] bevestigt dat het in Kirgizië mogelijk is om amnestie aan te vragen en dat het een courante praktijk is om er voor te betalen. Het feit dat uw familie dus een grote som geld betaalde, verandert niets aan het feit dat u werd vrijgelaten nadat u officieel amnestie kreeg. Op het document dat u kreeg bij vrijlating staat dat u op 8 mei 2020 werd vrijgelaten. […] U beweerde zelf dat u op 6 september 2019 werd vrijgelaten maar zich tot 8 mei 2020 maandelijks moest gaan melden op een politiekantoor om aan te tonen dat u nog in het land was en de wet niet overtrad. Dit was een voorwaarde die uw was opgelegd door de gevangenis waar u gevangen had gezeten. […] Op 23 november 2021 reisde u legaal met het vliegtuig vanuit Kirgizië naar Istanbul. Het feit dat u op die manier het land kon verlaten, is een tegenindicatie dat u op dat moment gezocht werd door de autoriteiten. Niets wijst erop dat u probatievoorwaarden zou geschonden hebben en om die reden iets te vrezen hebt bij terugkeer naar Kirgizië. Gezien met uw vrijlating en het afronden van de periode waarin u zich maandelijks moest gaan melden de stafrechtelijke kous af was, is er geen reden om te veronderstellen dat u bij terugkeer naar Kirgizië door uw vrijlating of vertrek uit het land problemen zou krijgen met de autoriteiten. Dat wordt bevestigd door het feit dat u niet kon aantonen dat u momenteel gezocht wordt door de Kirgizische autoriteiten omwille van uw vrijlating. U heeft zich daar ook niet naar geïnformeerd. […] Uw desinteresse wijst erop dat u geen acute vrees heeft omwille VII-43.150-4/9 van uw vrijlating. Uw gedrag na aankomst in België staat eveneens haaks op het bestaan van een acute vrees voor de Kirgizische autoriteiten. U kwam aan in België op 26 november 2021 en heeft gewacht tot 11 januari 2022 om zich te wenden tot de asielinstanties. Gevraagd waarom u wachtte met het indienen van een verzoek om internationale bescherming, antwoordde u dat u zich wilde voorbereiden, niet begreep wat u moest doen en dat u dacht dat het geen zin had omdat u reeds eerder in België was geweest. […] Dit is echter geen afdoende verklaring voor het laattijdig indienen van uw asielaanvraag. Gezien uw moeder reeds in januari 2011 een asielaanvraag indiende in België […], wist u wat u te doen stond. Uw passieve houding relativeert danig uw vrees voor vervolging. Immers kan van een verzoeker om internationale bescherming redelijkerwijze worden verwacht dat hij meteen na aankomst in een veilig land op zoek gaat naar internationale bescherming, en ernstige inspanning onderneemt om deze te bekomen. Uit uw handelswijze blijkt aldus geen dwingende nood aan bescherming. U kon evenmin aantonen dat u bij terugkeer naar Kirgizië slachtoffer zou worden van bloedwraak vanwege de familie van het slachtoffer. […] Eerst en vooral waren uw verklaringen over de problemen die uw familieleden hebben gehad met de familie van het slachtoffer incoherent. Op het CGVS verklaarde u initieel dat uw ouders in 2020 vertrokken zijn uit Kirgizië omdat ze vervolgd werden door de familie van het slachtoffer. […] Later gaf u toe dat uw ouders eigenlijk niet bedreigd of vervolgd werden en er niets concreets is gebeurd. Uw nicht had echter wel problemen. […] U verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat men het huis van uw nicht al verschillende keren in brand had proberen steken en vernielingen had aangebracht. […] Op het CGVS legde u uit dat onbekenden ’s nachts naar het huis van uw nicht waren gekomen en de ramen vernielden. U linkte dit incident aan uw eigen problemen. […] In het document opgesteld door […] staat tevens vermeld dat u en uw familie tijdens de procedure te maken kregen met aanvallen, beledigingen, doodsbedreigingen en fysiek geweld. […] Erop gewezen dat u op de DVZ sprak van verschillende (pogingen tot) brandstichtingen, zei u dat u dat niet meer wist en verwees u opnieuw naar die keer toen ze de ramen vernielden. Gevraagd of uw nicht nog iets anders meemaakte, gezien u op de DVZ over ‘verschillende keren’ sprak, verwees u naar de intimidaties tijdens de rechtszittingen. Dit slaat echter op uw nicht T. (…). Uw nicht met het huis was immers niet aanwezig op de hoorzittingen. […] De uiteenlopende verklaringen over de problemen van uw familie doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw bewering dat u vandaag de dag in Kirgizië problemen te vrezen hebt omwille van de familie van het slachtoffer. Ten tweede bent u na uw vrijlating nog één à twee jaar in Kirgizië verbleven zonder problemen te ervaren met de familie van het slachtoffer. U beweerde dat u die periode ondergedoken leefde bij een vriend en uw oom en dat u omwille van veiligheidsredenen niet meer naar uw eigen huis kon terugkeren. […] Het is niet aannemelijk dat u effectief ondergedoken leefde. Zo ging u maandelijks nog steeds naar dorp […] om zich daar te melden na uw vrijlating. […] In het midden gelaten of u die periode in uw eigen huis verbleef of bij uw vriend en oom, blijkt uit uw verklaringen en uit de voorgelegde documenten dat u na vrijlating in het dorp verbleef waar u uw domicilieadres had, meer bepaald in […]. In de documenten van de rechtbank staat immers dat u daar uw adres had. […] Gezien dit informatie is waartoe de advocaten van de tegenpartij en bij uitbreiding dus ook de familie van het slachtoffer toegang hadden, maar u desondanks na uw vrijlating geen problemen hebt ervaren met de familie van het slachtoffer, kan aangenomen worden dat u ook bij terugkeer evenmin een vrees dient te koesteren ten opzichte van de familie van het slachtoffer. Ten derde blijkt dat u niet eens zeker weet of de familieleden van het slachtoffer op de hoogte zijn van uw vrijlating uit de gevangenis. U neemt aan dat ze het niet wisten toen u Kirgizië verliet, maar u vermoedt dat ze ondertussen wel op de hoogte zijn. […] U kon geen concrete aanwijzingen geven om aan te nemen dat de familie effectief op de VII-43.150-5/9 hoogte is. […] Daarnaast valt uw gedrag in België niet te rijmen met een acute en ernstige vrees voor de familie van het slachtoffer bij terugkeer naar Kirgizië. Zoals reeds aangehaald, diende u uw verzoek om internationale bescherming laattijdig in, wat niet het gedrag is van iemand die vreest vermoord te worden bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Zelfs al zou worden aangenomen dat de familie van het slachtoffer u op één of andere manier zou viseren bij terugkeer – quod non – dan nog toonde u niet aan dat de Kirgizische autoriteiten onwillig of niet bij machte zouden zijn om u indien nodig bescherming te bieden of maatregelen te treffen. Gevraagd waarom u in de toekomst niet op bescherming zou kunnen rekenen indien u door de familie zou worden lastig gevallen, antwoordde u dat de politie u zou zeggen dat het uw eigen zaak is. […] Dit is echter een loutere bewering die u op geen enkele manier onderbouwt. Daarnaast zou de politie volgens u ontdekken dat u vroeger bent vrijgekomen. […] Zoals hierboven reeds uiteengezet, heeft u niets te vrezen voor de autoritten omwille van uw vrijlating. Dit kan dan ook niet als reden beschouwd worden waarom u in de toekomst niet op bescherming zou kunnen rekenen van de nationale autoriteiten. Ten slotte kan nog toegevoegd worden dat er geen reden is om aan te nemen dat u niet in staat zou zijn om elders in Kirgizië te gaan wonen om op die manier te ontkomen aan mogelijke toekomstige problemen met de familie van het slachtoffer. De hierboven gedane vaststellingen versterken stuk voor stuk de beoordeling dat er geen geloof kan worden gehecht aan de problemen omwille van uw etniciteit. Bijgevolg maakt u geen nood aan internationale bescherming aannemelijk. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat ze afbreuk kunnen doen aan bovenstaande argumentatie. Uw Kirgizische paspoort bevat louter persoonsgegevens en toont uw nationaliteit aan, wat niet in twijfel getrokken wordt. De Cd-rom met videobeelden van het ongeval en de foto’s van het ongeval tonen het auto- ongeval waarin u betrokken was. Het feit dat u betrokken was bij een ongeval wordt door niemand betwist. De foto van uzelf in de rechtbank en de inhoud van de USB stick (zijnde twee filmpjes tijdens en hoorzitting en een Russisch transcript van een hoorzitting) onderbouwen het feit dat er na het ongeval een rechtszaak plaatsvond. Dat op zich doet niets af aan de vaststellingen die werden gedaan in verband met uw vrees voor vervolging. In de brief van de organisatie […] (met Engelse en Nederlandse vertaling) wordt gevraagd aan de bevoegde autoriteiten om tegen de familie van het slachtoffer op te treden voor de strafbare feiten die ze pleegden ten opzichte van u en uw familie op basis van jullie etniciteit, zoals bijvoorbeeld beledigingen en u proberen aan te vallen. Zoals eerder besproken, zijn de problemen van uw familie met de familie van het slachtoffer niet geloofwaardig en haalt het incident waarbij u in de rechtbank werd geslagen de drempel van vervolging niet. Hetzelfde geldt voor beledigingen naar u toe. De volgende documenten zijn stuk voor stuk gerelateerd aan het gerechtelijk onderzoek in verband met uw strafzaak en werden reeds besproken: het cassatieberoep voor het hooggerechtshof, het vonnis van het hooggerechtshof en het document dat u kreeg toen u de gevangenis verliet. Het document in verband met de bloedanalyse toont aan dat er in nasleep van het ongeval bij u een bloedname gebeurde. Dit gegeven op zich kan niet aantonen dat u vervolging omwille van uw etnie te vrezen hebt in Kirgizië. De twee bankuittreksels tonen aan dat u de schadevergoeding van 413.830 en 800.000 som heeft betaald. De brief van uw werkgever in België toont aan dat u sinds 23 mei 2022 tot op heden voltijds tewerkgesteld bent. Dit houdt geen verband met uw asielmotieven ten opzichte van Kirgizië. Geen van bovenstaande documenten kan bijgevolg een ander licht werpen op de bevindingen in uw asielrelaas.’ Verzoeker voert ter weerlegging van deze motieven blijkens een lezing van het verzoekschrift niet één concreet en dienstig argument aan. Hij vergenoegt zich er immers toe eenvoudigweg en op algemene, ongefundeerde, niet-gestaafde en niet nader VII-43.150-6/9 uitgewerkte wijze te herhalen dat hij slecht zou zijn behandeld door de Kirgizische justitie en dat de familie van het slachtoffer dat hij aanreed uit zou zijn op wraak. Verzoeker kan hiermee bezwaarlijk volstaan om afbreuk te doen aan of een ander licht te werpen op de veelheid aan voormelde, concrete motieven. Derhalve blijven deze motieven onverminderd overeind.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingaat op de algemene situatie voor Oeigoeren in Kirgizië en op de door verzoeker zelf aangehaalde concrete elementen en bijgebrachte stukken. Daarmee stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet als voorwaarde dat verzoeker reeds vervolging heeft ondergaan in Kirgizië maar beantwoordt hij enkel de argumenten waarop verzoeker zich zelf steunt om een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aannemelijk te maken. Verzoekers kritiek is in die mate gesteund op een foutieve lezing van het bestreden arrest. In de mate dat verzoeker een andere beoordeling van de elementen van het dossier voorstaat, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf. De Raad van State is hiervoor als cassatierechter echter niet bevoegd.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt op wettige wijze dat hij in het kader van een beroep tegen de weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus geen uitspraak doet over een maatregel tot terugleiding of verwijdering, dat de toetsing of verzoeker in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) dan wel de subsidiaire beschermingsstatus in de zin van artikel 48/4 van die wet integraal deel uitmaakt van het bestreden arrest en dat een bijkomend onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM dus niet aan de orde is. In artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet worden de bewoordingen van artikel 3 van het EVRM immers letterlijk overgenomen. Met de stelling dat het bestreden arrest “echter de grondslag tot een verwijderingsmaatregel” is, gaat verzoeker eraan voorbij dat de verwijderingsmaatregel een afzonderlijke beslissing is waartegen hij desgewenst een schending van artikel 3 van het EVRM kan opwerpen. VII-43.150-7/9 Tweede onderdeel van het enige middel: “schending van artikel 149 van de Grondwet - onvoldoende motivering met betrekking tot de neergelegde stukken en bewijselementen”
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Zoals blijkt uit het citaat uit het bestreden arrest in punt 1 supra, gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel concreet en omstandig in op de door verzoeker bijgebrachte elementen en documenten, door de desbetreffende motieven uit de beslissing van de verwerende partij over te nemen en er zich bij aan te sluiten. Verzoeker, die aanvoert dat het niet zou gaan om een “voldoende, precieze en begrijpelijke motivering” doch slechts om een “algemene en stereotiepe vaststelling”, toont dan ook geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. Verzoekers kritiek dat het bestreden arrest “ver van enige objectiviteit” is en “geen rekening [houdt] met concrete vrees tot vervolging in hoofde van de verzoeker” betreft opnieuw de beoordeling van de zaak zelf en houdt geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Derde onderdeel van het enige middel: “schending van de materiële motiveringsplicht”
- De materiëlemotiveringsplicht is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan. VII-43.150-8/9 Conclusie
- Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenentwintig april tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.150-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.691 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div