← België

Cassatiebeschikking 16692 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/04/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.692 Rolnummer: A. 247162/VII-43152 Zaak: Cassatiebeschikking 16692 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-04 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-06-18 06:49 Fiche Beschikking nr 16.692 van 21 april 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.692 van 21 april 2026 in de zaak A. 247.162/VII-43.152 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart D’haene kantoor houdend te 2300 Turnhout Warandestraat 66 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 januari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 338.472 van 22 december 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 20 februari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoekers kritiek dat “[h]et CGVS in dit geval niet rechtlijnig is geweest door zich te baseren op artikel 55/3/1, § 2, 1°, van de [wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet)] en niet langer meer te verwijzen naar artikel 55/3/1, § 1” heeft geen betrekking op het bestreden arrest en is daarom kennelijk onontvankelijk. Verzoeker gaat eraan voorbij dat het bestreden arrest op grond van de devolutieve werking van het door hem bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen VII-43.152-1/2 ingestelde beroep in de plaats is gekomen van de beslissing van de verwerende partij van 22 december
  2. Verder verbiedt geen bepaling of beginsel dat de verwerende partij, gevolgd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zich voor de intrekking van de vluchtelingenstatus steunt op artikel 55/3/1, § 2, 1°, van de vreemdelingenwet nadat de verwerende partij zich daartoe voordien heeft gesteund op artikel 55/3/1, § 1, van die wet met twee beslissingen die zij vervolgens heeft ingetrokken en die derhalve zijn verdwenen uit het rechtsverkeer.
  3. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenentwintig april tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.152-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.692 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.