← België

Cassatiebeschikking 16697 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/04/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.697 Rolnummer: A. 247622/VII-43189 Zaak: Cassatiebeschikking 16697 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-18 06:49 Fiche Beschikking nr 16.697 van 22 april 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.697 van 22 april 2026 in de zaak A. 247.622/VII-43.189 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven De Potter kantoor houdend te 2000 Antwerpen Léon Stynenstraat 70/2204 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 maart 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 340.566 van 5 februari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 maart 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Artikel 39/57, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) bepaalt dat “[d]e in artikel 39/2 bedoelde beroepen worden ingediend bij verzoekschrift binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze zijn gericht”. Wat de aanvang van deze beroepstermijn betreft, bepaalt artikel 39/57, § 2, eerste lid, van de vreemdelingenwet op zijn beurt: VII-43.189-1/5 “§
  2. De in paragraaf 1 bepaalde beroepstermijnen beginnen te lopen : 1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of op zijn gekozen woonplaats; 2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst; 3° wanneer de kennisgeving is gebeurd door afgifte tegen ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op de afgifte of de weigering tot ontvangst; 4° wanneer de kennisgeving is gebeurd per fax of bij elke andere bij deze wet toegelaten en niet in dit lid voorziene betekeningswijze, vanaf de eerste dag die volgt op die van de verzending.” Uit het rechtsplegingsdossier blijkt te dezen dat de kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing is gebeurd bij aangetekende brief, hetgeen verzoeker niet betwist, zodat artikel 39/57, § 2, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet van toepassing is om de aanvang van de beroepstermijn te bepalen. In de mate dat verzoeker van oordeel is dat de beroepstermijn volgens “het algemene principe ex artikel 39/57, § 1 Vreemdelingenwet alsook de beginselen die aan de rechtsbedelingen (gerechtelijk en bestuurlijk) gemeen zijn” aanvangt de dag na die van de effectieve kennisname door verzoeker, faalt zijn kritiek naar recht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest wat de concrete aanvang en berekening van de beroepstermijn betreft: “Uit de gegevens in het administratief dossier blijkt dat de brief met de bestreden beslissing op woensdag 1 oktober 2025 aan de postdiensten werd overhandigd voor een aangetekende zending, zoals omschreven in artikel 39/57, §2, eerste lid, 2°, van de Vreemdelingenwet, naar het adres waar verzoeker conform artikel 51/2 van de Vreemdelingenwet woonplaats heeft gekozen. Verzoeker betwist dit niet en toont het tegendeel niet aan. Bijgevolg neemt de Raad aan dat de bestreden beslissing op woensdag 1 oktober 2025 op correcte, regelmatige en rechtsgeldige wijze aangetekend werd verstuurd, zoals omschreven in artikel 39/57, § 2, eerste lid, 2°, van de Vreemdelingenwet. De geldige kennisgeving doet de beroepstermijn ingaan, zodat in casu maandag 6 oktober 2025 de eerste dag van de beroepstermijn is. Verzoeker toont ook hier het tegendeel niet aan. In het verzoekschrift wordt integendeel bevestigd dat verzoeker op maandag 6 oktober 2025 in kennis wordt gesteld van de bestreden beslissing. De uiterste datum voor het indienen van het verzoekschrift was bijgevolg dinsdag 4 november
  3. Zoals de verwerende partij ook aanvoert in haar nota met opmerkingen, is het verzoekschrift dat elektronisch werd verzonden op woensdag 5 november 2025 bijgevolg ingediend buiten de wettelijke termijn.” VII-43.189-2/5 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalt de dag van de overhandiging aan de postdiensten van de brief met de aanvankelijk bestreden beslissing op woensdag 1 oktober
  4. Deze vaststelling is gebaseerd op de stukken van het administratief dossier, waaronder een verzendlijst met vermelding van de zending aan verzoeker op de door hem gekozen woonplaats, die op 1 oktober 2025 werd afgestempeld door de postdiensten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat verzoeker niet betwist dat de brief op 1 oktober 2025 werd overhandigd aan de postdiensten, noch het tegendeel hiervan aantoont. In punt 2.
  5. van het bestreden arrest overweegt hij bovendien dat “[h]et verzoekschrift […] geen nadere informatie [bevat] omtrent de (laat)tijdigheid van het beroep. Verzoeker dient ook geen pleitnota in en verdedigt zich op dit punt derhalve niet”. Verzoeker bevestigt dit laatste, doch voert aan dat zijn betwisting van de datum van de afgifte aan de postdiensten voldoende zou blijken uit het door hem aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorgelegde stuk
  6. Dit stuk betreft een foto van (een deel van) een briefomslag waarop de datum 2 oktober 2025 staat vermeld. Los van de vraag of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uit de overlegging van dit stuk zonder enige toelichting vanwege verzoeker had moeten afleiden dat verzoeker de datum van afgifte aan de postdiensten betwistte, toont verzoeker met de loutere verwijzing naar dat stuk niet aan dat de brief pas op 2 oktober 2025 werd overhandigd aan de postdiensten. Evenmin betwist hij de echtheid van het stuk uit het administratief dossier waarop de datum 1 oktober 2025 staat vermeld. A fortiori, geeft verzoeker aan dat hij het administratief dossier zelfs “niet geraadpleegd heeft”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht dan ook zonder schending van artikel 39/57 van de vreemdelingenwet wettig vast te stellen dat de beroepstermijn begon te lopen op maandag 6 oktober 2025, zijnde de derde werkdag na die van de overhandiging aan de postdiensten van de brief op woensdag 1 oktober 2025, en dat de laatste dag van de termijn 4 november 2025 was, zodat het op 5 november 2025 door verzoeker ingestelde beroep laattijdig was.
  7. Verder verwijt verzoeker de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht van de voormelde stukken te hebben geschonden door de datum van overhandiging aan de postdiensten van de brief met de aanvankelijk bestreden beslissing te bepalen op 1 oktober
  8. De bewijskracht van een akte, afgeleid uit de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek, bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent de bewijskracht van een akte VII-43.189-3/5 indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Verzoeker, die stelt het administratief dossier niet te hebben geraadpleegd, verduidelijkt niet welke verklaring de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou toekennen aan de verzendlijst die deel uitmaakt van het administratief dossier en waarop een poststempel van 1 oktober 2025 werd aangebracht. Hij toont evenmin aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ontkent dat dit geschift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beroepstermijn berekent op basis van dat stuk en vaststelt dat verzoeker niet betwist en het tegendeel niet aantoont dat de brief met de aanvankelijk bestreden beslissing op 1 oktober 2025 werd overhandigd aan de postdiensten, verwijst hij in het bestreden arrest niet uitdrukkelijk naar verzoekers stuk waarop de datum 2 oktober 2025 vermeld staat. Zodoende heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook de bewijskracht van die akte niet geschonden.
  9. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. Verzoekers kritiek, die erop is gericht de onjuistheid van de motivering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan te tonen, heeft geen uitstaans met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
  10. In de mate dat verzoeker in het opschrift van het enige middel nog een schending aanvoert van artikel 51/2 van de vreemdelingenwet, zet hij niet uiteen, minstens niet anders dan met de voormelde ongegrond bevonden kritiek, op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Hetzelfde geldt voor de daarin opgeworpen schending van “[d]e rechten van verdediging”.
  11. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-43.189-4/5 BESLUIT:
  12. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  13. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig april tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.189-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.697 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.