id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.698 Rolnummer: A. 247661/VII-43194 Zaak: Cassatiebeschikking 16698 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-18 06:49 Fiche Beschikking nr 16.698 van 22 april 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.698 van 22 april 2026 in de zaak A. 247.661/VII-43.194 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Venceslas Woronoff kantoor houdend te 1030 Brussel Roodebeeklaan 44 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 maart 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 341.039 van 12 februari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 maart 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- In de mate dat verzoeker een schending opwerpt van “het recht op een eerlijke en doeltreffende voorziening in rechte gewaarborgd door” de artikelen 3, 8 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en de artikelen 4, 18 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zet hij niet uiteen op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. VII-43.194-1/4
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “het arrest niet goed [heeft] gemotiveerd”. Hij komt echter tot deze conclusie door te verwijzen naar enkele motieven uit het bestreden arrest en vervolgens te stellen waarom deze motieven onjuist of onwettig zouden zijn. Zodoende toont verzoeker geen schending aan van de hierboven omschreven jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Waar verzoeker nog stelt dat “[d]e rechten van de verdediging worden aangetast daar de Dienst Vreemdelingenzaken van oordeel is dat verzoeker schuldig is, zonder hem de mogelijkheid te geven zich te verdedigen”, betreft dit geen kritiek op het bestreden arrest.
- De bewijskracht van een akte, afgeleid uit de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek, bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen schriftelijk is vastgelegd in die akte. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan. Met de kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “de inhoud en bewijskracht van de procedurestukken neergelegd [tijdens] de procedure [miskent] door te overwegen dat verzoeker toch een inreisverbod moet krijgen”, dat verzoeker “de juistheid van de vaststellingen van de Raad daaromtrent [nog betwist]” en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “ten onrechte een negatieve beslissing [heeft] genomen”, toont VII-43.194-2/4 verzoeker geen schending aan van de bewijskracht van een akte. Het betreft immers enkel de feitelijke of juridische gevolgtrekkingen die de rechter uit de akte maakt. In het bestreden arrest overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over verzoekers “bijkomende stukken”: “Op 22 januari 2026 dient verzoeker ‘bijkomende stukken’ in, zonder hierover meer uitleg te verstrekken. Vooreerst is het niet aan de Raad om die stukken te gaan inpassen in het verzoekschrift ten behoeve van verzoeker. Alleszins kan de Raad geen rekening houden met stukken die niet voorlagen op het ogenblik dat verweerder de bestreden akte trof, zoals ter terechtzitting al werd meegedeeld. Stuk 1, een familiecertificaat, dateert van 9 januari 2026, stuk 4, een schoolattest van [...], van 10 september 2025 en stuk 5, een huurovereenkomst, is opgesteld op 19 augustus 2025 en dus kan verweerder niet worden verweten geen rekening te hebben gehouden met deze stukken. Uit stuk 4 kan niet worden afgeleid dat het verzoekers zoon betreft – er wordt geen geboorteattest overgemaakt noch een stuk waaruit blijkt dat verzoeker de vader is van [...] – en dit stuk kan ook niet zeggen dat [...] op legale wijze in het Rijk verblijft. Stuk 2 betreft een kopie van een tijdelijke verblijfsvergunning geldig tot 17 augustus 2026 van een persoon genaamd [...]. Verzoeker duidt niet waarom hij dit niet eerder kon overmaken. Hij verduidelijkt ook niet wanneer het stuk werd uitgereikt en dus kan de Raad niet nagaan of het dateert van voor het treffen van de bestreden beslissing. De Raad kan uit dit stuk ook niet afleiden dat het verzoekers echtgenote betreft en voor zover dit ten overvloede toch wel het geval zou zijn, kan dit stuk op zich niet zeggen dat hij in België een daadwerkelijk gezinsleven met haar leidt. Stuk 3, een huwelijksattest, werd niet vertaald, waar ter terechtzitting al op gewezen werd, zodat de Raad er geen rekening mee kan houden (artikel 8 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: indien de stukken in een andere taal dan deze van de rechtspleging werden opgesteld, dienen zij vergezeld te zijn van een voor eensluidend verklaarde vertaling). Bovendien betreft het een louter manueel ingevuld attest dat enkel voornamen vermeldt. Dit stuk kan niet zeggen dat verzoeker is getrouwd met [...]. Stuk 6 ten slotte betreft een kopie van diploma’s van verzoeker. De Raad ziet niet in en verzoeker legt ook niet uit waarom dit wijst op een schending van artikel 8 van het EVRM.” Verzoeker beweert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geen verenigba[re] uitlegging heeft gegeven” aan verzoekers bijkomende stukken en wijst erop dat zijn echtgenote en hun gemeenschappelijke zoon legaal in België verblijven. Verzoeker laat echter na te concretiseren aan welk stuk de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest een verklaring toeschrijft die het niet bevat dan wel ontkent dat dat stuk een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verkeerde feitelijke of juridische gevolgen zou trekken uit verzoekers “bijkomende stukken”, vormt bovendien geen schending van de in de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek vervatte bewijskracht van akten. VII-43.194-3/4
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig april tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.194-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.698 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div