id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.699 Rolnummer: A. 247601/VII-43187 Zaak: Cassatiebeschikking 16699 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-05 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-06-18 06:07 Fiche Beschikking nr 16.699 van 22 april 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.699 van 22 april 2026 in de zaak A. 247.601/VII-43.187 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefan Vanbesien kantoor houdend te 2222 Itegem Sint-Guibertusplein 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 maart 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 340.617 van 5 februari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 maart 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Noch artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), noch artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, is van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. VII-43.187-1/5 In de mate dat verzoeker een schending opwerpt van artikel 52 van de vreemdelingenwet (bepaling die reeds werd opgeheven met ingang van 22 maart 2018) en van het internationaal verdrag ‘betreffende de status van vluchtelingen’, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, zet hij niet uiteen op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig gesteld dat geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden vallen (zie EHRM (GK) 5 oktober 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK) 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008, Hussain/Roemenië; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België). Een schending van deze verdragsbepaling kan derhalve niet op ontvankelijke wijze worden opgeworpen tegen het bestreden arrest. Waar verzoeker zijn recht van verdediging geschonden acht, stellende dat de “wettelijke termijn van 5 dagen na het nemen van de beslissing door het Commissariaat- Generaal […] te kort [is] om effectief inzage te kunnen nemen van het administratief dossier op het Commissariaat-Generaal”, is zijn kritiek in wezen gericht tegen de wet, doch niet tegen het bestreden arrest en derhalve niet ontvankelijk.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering.
- Met betrekking tot verzoekers inzagerecht overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Er dient opgemerkt dat het inzagerecht verzoeker toelaat om zijn dossier op het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in te kijken en kennis te nemen van de inhoud teneinde zijn verdediging te organiseren indien hij van oordeel is dat informatie uit het dossier ontbreekt. In tegenstelling tot wat verzoeker in voorliggend verzoekschrift stelt, kon hij wel degelijk kennis nemen van deze informatie VII-43.187-2/5 aangezien verzoekers administratief dossier een kopie van zijn bij de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen bevat. Indien verzoeker bepaalde stukken niet zou hebben ontvangen, was het aan hem om (de dienst ‘Advocaten’ van) het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen hiervan op de hoogte te stellen en de bedoelde stukken in te zien. Verder duidt verzoeker niet aan welke ‘Stukken die het CGVS toevoegt aan het dossier ter staving van de beslissing’ hij bedoelt. Van de landeninformatie waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, is een weblink opgenomen in de beslissing zelf. Voorts kan redelijkerwijze worden aangenomen dat verzoeker zelf weet welke verklaringen hij in het verleden bij de Dienst Vreemdelingenzaken heeft afgelegd, temeer daar hij voor de beroepen die hij tegen de beslissingen van de gemachtigde van de (toenmalige) staatssecretaris en van de minister (zie supra, punt 4.4.1.) op dezelfde advocaat een beroep deed als degene die hem in het kader van onderhavige beroepsprocedure bijstaat. Waar hij stelt het niet eens te zijn met deze argumentatie en meent dat bovenstaande motivering uit het bestreden arrest onjuist is, toont verzoeker geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. In wezen vraagt hij op die manier een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Aangaande verzoekers betwisting dat zijn tweede (eerste volgend) verzoek om internationale bescherming laattijdig was ingediend, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Waar verder in het verzoekschrift wordt betoogd dat verzoeker geenszins laattijdig zijn tweede (eerste volgend) verzoek om internationale bescherming indiende, kan hij niet worden bijgetreden. Hij wijst er in zijn verzoekschrift immers zelf op dat zijn verblijfsrecht van onbeperkte duur reeds in 2023 werd ingetrokken en dat de Raad reeds op 9 juni 2023 uitspraak deed over zijn beroep tegen deze beslissing Dat verzoeker nadien nog een procedure opstartte voor gezinshereniging met zijn dochter, doet geen afbreuk aan het feit dat een procedure om internationale bescherming te bekomen een geheel andere doelstelling heeft dan een procedure voor gezinshereniging, terwijl verzoeker sedert 9 juni 2023 met zekerheid wist dat zijn eerder onbeperkt verblijfsrecht niet langer van toepassing was. Dat verzoeker in de gevangenis verbleef, vormt evenmin een verschoning voor verzoekers dralen om (voor een tweede maal) om internationale bescherming te verzoeken, aangezien dergelijk verzoek ook vanuit de gevangenis kan worden gedaan. Dat verzoeker zijn huidige raadsman pas op 30 december 2025 in het gesloten centrum te Brugge sprak, vormt eveneens geen afdoende verschoning. Deze raadsman stond verzoeker immers ook bij in het kader van zijn procedures tegen de beslissing van de (toenmalige) staatssecretaris en de minister in het kader van zijn verblijfsrechtelijke situatie in 2023 en
- Aldus had verzoeker wel degelijk de kans om zijn voorgehouden nood aan internationale bescherming omwille van zijn beweerde bekering tot het christendom reeds eerder kenbaar te maken. Dat hij dit heeft nagelaten en pas op 30 december 2025 een tweede (eerste volgend) verzoek om internationale bescherming omwille van dit asielmotief indient, terwijl hij reeds sedert november 2018 stelt te zijn bekeerd tot het christendom en hij reeds in 2023 zijn onbeperkt verblijfsrecht in België verloor, doet dan ook wel degelijk afbreuk aan de ernst en de VII-43.187-3/5 geloofwaardigheid van de door hem voorgehouden nood aan internationale bescherming.” Verzoekers algemene kritiek dat “[d]e argumentatie in de bestreden beslissing […] niet gevolgd [kan] worden”, omdat hij “praktisch niet in de mogelijkheid [was] om asiel aan te vragen in de penitentiaire instelling te Beveren” en dus dat de bovenstaande motivering uit het bestreden arrest op dit punt onjuist zou zijn, heeft geen uitstaans met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Bovendien gaat hij voorbij aan de andere overwegingen uit de bovenstaande motivering. Met de stelling dat hij het niet eens is met deze motivering, vraagt verzoeker ook op dit punt in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Met de algemene bewering dat het voor hem “praktisch” niet mogelijk zou zijn geweest om vanuit de gevangenis een verzoek om internationale bescherming in te dienen, maakt verzoeker evenmin aannemelijk dat zijn recht van verdediging zou zijn geschonden met het bestreden arrest. Bovendien gaat hij daarmee opnieuw voorbij aan de andere overwegingen uit de bovenstaande motivering.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.187-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig april tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.187-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.699 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div