← België

Cassatiebeschikking 16700 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/04/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.700 Rolnummer: A. 247542/VII-43181 Zaak: Cassatiebeschikking 16700 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-06 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-06-18 06:07 Fiche Beschikking nr 16.700 van 22 april 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.700 van 22 april 2026 in de zaak A. 247.542/VII-43.181 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vincent Neerinckx kantoor houdend te 9140 Temse Akkerstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 maart 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 340.194 van 28 januari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 13 maart 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. VII-43.181-1/3 In punt 2.1.
  2. van het bestreden arrest beoordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door verzoeker opgeworpen “onbevoegdheid van de steller van de akte”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt onder meer dat verzoeker wel kan worden gevolgd waar hij stelt dat de minister van Asiel en Migratie sinds 3 februari 2025 de voogdij heeft over de dienst Vreemdelingenzaken, doch niet kan worden betwist dat deze dienst belast is met de materie betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verder stelt hij vast dat de bestreden beslissing niet is genomen door de minister zelf, maar door een bevoegde ambtenaar. De aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund op artikel 74/11, §1, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ en verzoeker betwist niet dat de ambtenaar in kwestie bevoegd is om te beslissen dat op grond van deze bepaling een inreisverbod van meer dan drie jaar wordt opgelegd. Het administratief dossier bevat trouwens een machtiging van de directeur-generaal van de dienst Vreemdelingenzaken aan de betrokken ambtenaar om deze bevoegdheid uit te oefenen. Verzoeker is dan ook niet in zijn belangen geschaad, aldus het bestreden arrest. Ten slotte stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de vermelding “de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie” in de aanvankelijk bestreden beslissing een “materiële misslag” betreft die geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de betrokken ambtenaar. Met zijn algemene kritiek dat het bestreden arrest “geen bevredigend antwoord formuleert op de door partijen ontwikkelde argumenten”, toont verzoeker geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. In de mate dat verzoeker het niet eens is met de gemaakte beoordeling vraagt hij in wezen nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
  3. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.181-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig april tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.181-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.700 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.