id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.711 Rolnummer: A. 247591/VII-43186 Zaak: Cassatiebeschikking 16711 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-19 Raadplegingen: 44 - laatst gezien 2026-06-18 06:54 Fiche Beschikking nr 16.711 van 28 april 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.711 van 28 april 2026 in de zaak A. 247.591/VII-43.186 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter-Jan De Block kantoor houdend te 1060 Brussel Sint-Bernardusstraat 96-98 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 maart 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 340.965 van 11 februari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 april 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. VII-43.186-1/5 Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
- Over verzoekers voorgehouden vrees voor vervolging overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Het vluchtrelaas van verzoeker kan als volgt worden samengevat. Verzoeker vreest gedood te worden door de taliban omdat zijn oom een voormalig arbaki commandant was en omdat hij de vlag van de taliban heeft verbrand. Verzoeker heeft ook verklaard dat de taliban een vinger hebben afgesneden omdat hij had gestemd bij de nationale verkiezingen. Verweerder oordeelt in de bestreden beslissing dat verzoeker er niet in geslaagd is een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag aannemelijk te maken en komt hiertoe op grond van onder meer de volgende vaststellingen: - verzoeker gaf tijdens het interview met verweerder aan dat zijn hoofd niet goed werkte. Verzoeker verklaart geslagen te zijn geweest, duizelig te worden als hij te veel spreekt en zaken te mixen in zijn hoofd als er veel gesproken wordt. Verzoeker legde echter geen medisch stuk dienaangaande voor. Verzoeker legde wel een document neer waaruit blijkt dat hij een afspraak heeft voor een CT-scan van de maag/buik, maar er liggen geen resultaten voor van deze CT-scan; - Aangaande het betoog van verzoeker dat de taliban zijn vinger afsneden, werd verzoeker gevraagd of hij hiervoor een klacht heeft neergelegd. Verzoeker antwoordde dat hij klacht was gaan neerleggen en hiervoor naar het districthuis van […] was gegaan (liggend in het districtscentrum van […]). Dit is opmerkelijk aangezien verzoeker voordien had verklaard nooit in het districtscentrum van […] te zijn geweest. Geconfronteerd met zijn eerdere verklaring, antwoordde verzoeker opnieuw dat hij wel in het districtscentrum komt om rond te hangen en te zwemmen, wat geen aannemelijke uitleg is voor de vastgestelde tegenstrijdigheid; - Verzoeker maakte volgens verweerder ook het profiel en de moord op zijn oom als arbaki commandant niet aannemelijk. Zo stelt verzoeker dat zijn oom geen opleiding heeft gevolgd voordat hij commandant werd, echter legde verzoeker een opleidingscertificaat neer van zijn oom; - De verklaringen omtrent het overlijden van de oom van verzoeker zijn eveneens tegenstrijdig. In een eerste verklaring verklaarde verzoeker dat zijn oom aan het patrouilleren was in de regio, dat zijn moto kapot ging in B. en dat zijn oom in de namiddag door de taliban geraakt werd vanuit de velden. In de tweede verklaring verklaarde verzoeker dat zijn oom werd beschoten in B. en met zijn moto tegen de muur reed. In de derde verklaring verklaarde verzoeker dat de moto niet kapot ging in B. maar kapot ging op weg naar de shop van [...]. En in de vierde verklaring verklaarde verzoeker dat zijn oom door de taliban beschoten werd, dat hij van zijn moto viel, dat hij terugkeerde en dat de taliban hem vervolgens van dichtbij vermoordden. De verschillende verklaringen leiden ertoe dat er geen geloof gehecht kan worden aan de omstandigheden van de dood van de oom van verzoeker. De Raad stelt vast dat deze motieven steun vinden in het gehoorverslag en rechtsplegingsdossier. Verder blijkt ook uit het gehoorverslag dat verzoeker herhaaldelijk de nadruk legde op het feit dat het in hoofdzaak de moord op zijn oom VII-43.186-2/5 was, die gemaakt heeft dat hij Afghanistan is ontvlucht. Zo leest de Raad ‘als hij levend zou zijn, had [sic] ik niet naar hier gekomen’ (gehoor p. 10/25). Of verder ‘als ze mijn paternale oom niet hadden gedood, was ik niet naar hier gekomen.’ (gehoor p. 18/25). Dit relativeert dan ook de vrees voor vervolging omwille van het deelnemen aan de verkiezingen, of het in brand steken van de vlag. Om voormelde redenen volgt de Raad evenwel verweerder dat momenteel de context van de moord op de oom niet afdoende aannemelijk of geloofwaardig is gemaakt. Ook het nieuwe stuk dat verzoeker dienaangaande via de aanvullende nota op zitting heeft neergelegd, kan de Raad niet overtuigen, om de procedurele reden dat het een onvertaald stuk betreft. Op basis van artikel 8 van het procedurereglement van de Raad is hij niet verplicht dit document zonder vertaling in overweging te nemen. De Raad stelt vast dat, anders dan verzoeker voorhoudt in het verzoekschrift, de hoger weerhouden motieven betrekking hebben op tegenstrijdigheden en inconsistenties in verband met de kern van het asielrelaas en volstaan om te schragen dat het relaas van verzoeker niet afdoende aannemelijk wordt geacht om vast te stellen dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft. Hij dient dan ook niet in te gaan op het verweer van verzoeker ten aanzien van andere motieven van verweerder. De Raad gaat infra nog verder in op het aspect van verwestering. Het geheel aan documenten, objectieve landeninformatie en de verklaringen van verzoeker in acht genomen en bezien in hun onderlinge samenhang alsook in het licht van algemene situatie in Afghanistan, is voldoende determinerend om te besluiten dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt Afghanistan te hebben verlaten omwille van een gegronde vrees voor vervolging. Daarmee is dan ook komen vast te staan dat de cumulatieve voorwaarden van artikel 48/6, § 4 van de Vreemdelingenwet niet zijn voldaan en dat derhalve het voordeel van de twijfel niet kan worden verleend aan verzoeker. Aldus blijkt niet dat verzoeker voor zijn komst naar België in de specifieke negatieve aandacht van de taliban stond. Evenmin zijn daartoe andere concrete indicaties. Waar verzoeker erop wijst dat hij al verschillende jaren in België verblijft en bij terugkeer naar Afghanistan het risico loopt om als verwesterd te worden beschouwd, kan op basis van de beschikbare objectieve landeninformatie, volgende analyse worden gemaakt” Vervolgens maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “op basis van de beschikbare objectieve landeninformatie” een uitgebreide analyse van de situatie van Afghanen die uit het Westen terugkeren naar hun land van herkomst, waarin hij onder meer de Country Focus Afghanistan van het EUAA van november 2024 betrekt waarnaar verzoeker verwijst in zijn aanvullende nota. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “blijkt heden niet dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen”, doch aanvaardt hij als risicoprofielen “personen ‘die de religieuze, morele en/of sociale normen hebben overschreden’, dan wel hiervan worden beticht, ongeacht of deze handelingen of gedragingen plaatsvonden in Afghanistan, dan wel in het buitenland en […] personen die zijn beïnvloed door buitenlandse waarden of als zodanig worden gezien, ook wel benoemd als personen die ‘verwesterd’ zijn, of als dusdanig worden gepercipieerd omwille van, bijvoorbeeld, hun activiteiten, gedrag, VII-43.186-3/5 uiterlijk en geuite meningen, die kunnen worden gezien als niet-Afghaans of niet-Islamitisch, waarbij dit tevens doelt op personen die terugkeren naar Afghanistan, na een verblijf in westerse landen”. Volgens het bestreden arrest komt het “aan verzoeker toe concreet aan te tonen dat hij is verwesterd dan wel als verwesterd zal worden beschouwd of als een persoon die de religieuze, morele of sociale normen heeft overschreden”. Wat dit betreft overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “De Raad neemt het betoog van verzoeker niet aan dat elke Afghaan die terugkeert uit Europa of twee jaar in het Westen heeft verbleven, totaal zal veranderd zijn, zal verwesterd zijn of een verwestering zal worden toegedicht. Er blijkt bovendien dat verzoeker op het ogenblik van zijn verklaarde vertrek uit Afghanistan, hetgeen hij plaatst in 2018, reeds 29 jaar oud was. Ook al kan niet ontkend worden dat verzoeker reeds lang Afghanistan verklaard verlaten te hebben, had hij toch reeds de leeftijd waarop hij was gevormd naar Afghaanse waarden en normen, waarvan niet kan aangenomen worden dat deze automatisch na enkele jaren verblijf in het Westen zijn veranderd, in die mate dat hem verwestering zal worden toegedicht. Het komt aan verzoeker toe om zijn vrees voor vervolging omwille van een (toegeschreven) verwestering te concretiseren. In casu kan de Raad slechts vaststellen dat de aangereikte elementen daarvoor niet volstaan. Concreet beperkt verzoeker zich tot het voorleggen van het bewijs dat hij een alfabetiseringscursus heeft gevolgd en werd ingeschreven voor Franse taallessen. Daarnaast ligt ook een ‘attestation d’affiliation’ voor bij de ‘caisse d’assurances sociales pour travailleurs indépendants’. Dit document stelt evenwel dat het enkel attesteert dat verzoeker is aangesloten, niet dat verzoeker ook als zelfstandige een professionele activiteit uitoefent. De Raad ziet evenwel niet hoe verzoeker door zijn taallessen Frans en eventuele tewerkstelling als onderhoudspersoneel in een fabriek in België, tewerkstelling die op zich niet echt aangetoond is, in een slecht daglicht zou komen te staan bij de taliban. Het kwam verzoeker toe om dit meer concreet toe te lichten.” Verzoeker toont met zijn algemene kritiek niet aan dat deze omstandige motivering uit het bestreden arrest niet zou volstaan in het licht van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt uit de bovenstaande motieven dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk rekening heeft gehouden met verzoekers aanvullende nota en de daarbij gevoegde stukken die hij ter terechtzitting heeft neergelegd. Specifiek aangaande de “appreciatiebrief van 27 oktober 1395” overweegt hij dat dit stuk “de Raad niet [kan] overtuigen, om de procedurele reden dat het een onvertaald stuk betreft. Op basis van artikel 8 van het procedurereglement van de Raad is hij niet verplicht dit document zonder vertaling in overweging te nemen”. In de mate dat verzoeker het ten gronde niet eens is met de gemaakte beoordeling, houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht, doch vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. VII-43.186-4/5
- Met de herhaling van de voormelde ongegrond bevonden algemene kritiek, maakt verzoeker evenmin aannemelijk dat zijn recht van verdediging zou zijn geschonden met het bestreden arrest.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achtentwintig april tweeduizend zesentwintig, door: Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De staatsraad Bryan Geerts Frédéric Vanneste VII-43.186-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.711 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div