id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.713 Rolnummer: A. 246900/VII-43124 Zaak: Cassatiebeschikking 16713 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-07 Raadplegingen: 44 - laatst gezien 2026-06-18 11:22 Fiche Beschikking nr 16.713 van 6 mei 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.713 van 6 mei 2026 in de zaak A. 246.900/VII-43.124 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 december 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 337.414 van 9 december 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 februari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Met betrekking tot verzoekers beschermingsstatus en verblijfsstatuut in Griekenland overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker in Griekenland op 13 februari 2023 een verzoek om internationale bescherming ingediend heeft, hij op 8 juni 2023 de vluchtelingenstatus werd toegekend en hij in bezit gesteld werd van een Griekse verblijfsvergunning, geldig van 8 juni 2023 tot 7 juni 2026 […]. Voorgaande is in overeenstemming met de landeninformatie waaruit blijkt dat erkende vluchtelingen VII-43.124-1/11 in Griekenland een verblijfsrecht krijgen voor drie jaar met mogelijke verlenging (Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken, Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland, d.d. september 2024, p. 13; AIDA/ECRE, Country Report: Greece. Update 2023, p. 243). Door louter te betogen dat geen informatie voorligt waaruit blijkt dat zijn status nog actueel is en erop te wijzen dat hij sinds juli 2024 niet meer in Griekenland woont, brengt verzoeker geen concrete elementen aan waaruit blijkt dat hij actueel niet meer over een beschermingsstatus zou beschikken. Hij brengt geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bij die aantonen dat er sprake zou zijn van een intrekking of opheffing van de hem verleende status, noch bevat het administratief dossier enige concrete aanwijzing in die zin. Bijgevolg wordt vermoed dat verzoeker geen nood heeft aan internationale bescherming in België, precies omdat hij reeds internationale bescherming geniet in een ander land, met name Griekenland. Om deze reden werd verzoekers beschermingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de Vreemdelingenwet. Deze bepaling vormt de omzetting naar Belgisch recht van het wederzijds vertrouwensbeginsel, vervat in artikel 33, lid 2, a) van de richtlijn 2013/32/EU.” […] […] Verzoeker geeft aan dat hij zijn Griekse verblijfsvergunning vernietigd heeft […]. Gelet op het belang van dit verblijfdocument is het weinig aannemelijk. Dit betreft overigens niet meer dan een loutere en ongestaafde bewering, gezien geen attest van verlies voorligt. Wat er ook van zij, betwist verzoeker niet dat zijn Griekse verblijfsvergunning nog geldig is tot 7 juni
- In de bestreden beslissing verduidelijkt de commissaris-generaal in dit verband op goede gronden dat een persoon die internationale bescherming geniet in Griekenland en zijn afgedrukte verblijfsvergunning (het document dat aantoont dat hij in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning) niet meer in zijn bezit heeft, niet te maken krijgt met de specifieke moeilijkheden waarmee personen die internationale bescherming genieten in Griekenland en van wie de verblijfsvergunning is verlopen en die naar deze lidstaat moeten terugkeren, worden geconfronteerd. De commissaris-generaal wijst erop dat het mogelijk is een duplicaat te krijgen als de gedrukte verblijfsvergunning (ADET) verloren is gegaan of gestolen en geeft ook de te volgen procedure mee: ‘Hiervoor moet men zich naar een asielbureau begeven om het verlies van het document te melden en een verklaring van verlies te verkrijgen, die aan de politie moet worden overgelegd. De politie geeft de betrokkene een kennisgeving. Het Asielbureau moet van deze kennisgeving in kennis worden gesteld en ongeveer vier maanden na de kennisgeving neemt het een nieuwe beslissing over de afgifte van een verblijfsvergunning. Zodra de beslissing is genomen, moet een afspraak worden gemaakt bij het bevoegde politiebureau om de nieuwe gedrukte verblijfsvergunning te verkrijgen. De procedure is vergelijkbaar in geval van beschadigde documenten (Refugee Info Greece - How to renew and replace lost, damaged or expired documents, 6 april 2024, beschikbaar op greece.refugee.info/en-us/articles/4985619341335; Recognised Refugees
- Access to documents and socio-economic rights gepubliceerd door RSA d.d. april 2025 en beschikbaar op https://rsaegean.org/wpcontent/uploads/2025/04/RSA_BIP_Report_E N.pdf ). Hoewel de informatie over de situatie van personen die internationale bescherming genieten in Griekenland melding maakt van de specifieke moeilijkheden waarmee personen worden geconfronteerd die geen geldige verblijfsvergunning meer hebben wanneer zij terugkeren, maakt deze objectieve informatie geen melding van soortgelijke problemen waarmee personen worden geconfronteerd die geen gedrukte verblijfsvergunning meer hebben. Zelfs indien verzoeker niet langer in het bezit zou zijn VII-43.124-2/11 van zijn geprinte verblijfsvergunning, hetgeen niet zonder meer kan worden aangenomen gezien zijn blote beweringen dienaangaande, blijkt hieruit dan ook niet dat hij geconfronteerd zou worden met de moeilijkheden die statushouders ondervinden die geen geldige verblijfsvergunning meer hebben. Verzoekers betoog in zijn aanvullende nota, waarbij hij verwijst naar de cijfers van de RSA voor de eerste helft van 2025 betreffende de vertraging waarmee statushouders geconfronteerd worden bij de vernieuwing van hun verblijfsdocumenten, is niet dienstig gezien deze situatie niet op hem van toepassing is. Immers beschikt hij op heden nog steeds over een geldige Griekse verblijfsvergunning die nog meer dan zes maanden geldig is. Verzoeker betwist niet dat hij zich beperkt tot een blote bewering waar hij aanvoert dat de afgifte van zijn Griekse verblijfsvergunning zou zijn vertraagd wegens een fout in zijn naam. Uit de beschikbare objectieve informatie blijkt dat zijn verblijfsvergunning reeds ongeveer vier maanden na zijn aankomst in Griekenland werd afgeleverd […], zodat zijn verklaring dat hij meer dan één jaar en drie maanden op dit document moest wachten niet aannemelijk is […]. […] Verzoeker stelt bij de DVZ initieel dat hij in Griekenland geen AMKA of AFM had verkregen, maar legt hieromtrent tegenstrijdige verklaringen af, waardoor hij dit niet aannemelijk maakt. Immers, wanneer hij erop gewezen wordt dat hij verklaard had dat er een fout was in de schrijfwijze van deze documenten, antwoordt hij dat zijn boekhouder hem vertelde dat zijn AFM ongeldig was en hij geld moest betalen, wat erop lijkt te wijzen dat hij wel degelijk een AFM verkregen had. Met betrekking tot de AMKA stelt hij dat hij een bewijs nodig had van zijn werkgever […]. Bij het CGVS geeft hij aan dat zijn AFM en AMKA vanwege de problemen met de naamswijziging ook moesten worden gewijzigd. Hij erkent dat de AFM hem automatisch werd gegeven bij het afleveren van zijn verblijfstitel, maar stelt dat hij een nieuwe AFM nodig had nadat hij zijn aanvraag had ingediend om zijn gegevens te wijzigen en dat er dan andere voorwaarden waren om de AFM te ontvangen […]. Verzoeker maakt echter, gelet op hetgeen in punt 8.5.
- uiteengezet werd, niet aannemelijk dat de gegevens op de AFM zouden moeten gewijzigd worden vanwege een probleem met zijn naam. Daarnaast kan geen geloof gehecht worden aan zijn bewering dat het voor hem onmogelijk was om zijn AMKA aan te vragen of te activeren. Immers werd hij bijgestaan door een advocaat […] en toont hij niet aan dat hij verdere stappen heeft ondernomen of beroep heeft gedaan op een bevoegde instantie om ondersteuning te krijgen. Zijn uitleg dat hij geen AMKA kon activeren wegens financiële vereisten, het ontbreken van een huurcontract of een werkformulier (ibid.), kan aldus niet overtuigen. Wat er ook van zij, wijst de commissaris-generaal er met betrekking tot verzoekers verklaringen aangaande de AMKA en AFM terecht op dat de AFM blijkens objectieve informatie geldig blijft zolang de verblijfsvergunning (ADET) ook geldig is. Als de ADET verloopt, wordt het AFM gedeactiveerd totdat de ADET wordt verlengd (RSA- rapport, maart 2025, p. 21: ‘the AFM is automatically deactivated upon the expiry of the residence permit and cannot be used until the ADET is renewed’). Het is de geldigheid van de verblijfsvergunning die belangrijk is, niet het al dan niet kwijt zijn van de gedrukte verblijfsvergunning. Aangezien verzoekers verblijfsvergunning geldig is tot 7 juni 2026, is zijn AFM dus ook geldig tot die datum. Hetzelfde geldt voor zijn sociale zekerheidsnummer (AMKA). De AMKA wordt, in tegenstelling tot wat hij aanvoert in zijn verzoekschrift, pas gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt: ‘According to the latest JMD F80320/109864/14.12.2023, the Social Security Number (AMKA) is deactivated a day after the residence permit expires’ (AIDA-rapport, juni 2024, p. 248). In dit verband wijst de beschikbare landeninformatie alleszins niet op bijzondere problemen waar verzoeker in geval van terugkeer naar Griekenland de procedure om een AMKA te verkrijgen nog zou dienen te voltooien. Verzoeker toont niet aan dat hij dit bij terugkeer VII-43.124-3/11 naar Griekenland niet in orde zou kunnen brengen. Waar verzoeker de vereiste benadrukt van het aanleveren van bewijs van verblijf, alsook van een arbeidscontract of een wervingscertificaat alvorens een actieve AMKA wordt uitgereikt, zoals uiteengezet in het RSA-rapport van maart 2025, maakt hij niet aannemelijk dat hij in geval van terugkeer naar Griekenland geen werk en huisvesting zal kunnen vinden en hij de vereiste documenten niet zal kunnen voorleggen voor het verkrijgen en/of het activeren van een AMKA, zoals bijvoorbeeld door het neerleggen van een werkbelofte. Verzoeker heeft voorts, zoals blijkt supra, geen bijzondere kwetsbaarheid die belangrijke negatieve gevolgen heeft op het vlak van zijn zelfredzaamheid en autonomie en die het hem dermate moeilijk maakt om zich staande te houden. Uit de informatie waaraan in de bestreden beslissing gerefereerd wordt, blijkt voorts dat verzoeker in geval van terugkeer naar Griekenland en in afwachting van het verkrijgen van zijn AMKA, wanneer hij daartoe de nodige stappen zet, niet verstoken zal zijn van toegang tot gezondheidszorg, met name spoedeisende hulp en medicatie (gratis of tegen een kleine vergoeding), op voorwaarde dat hij naar een openbaar ziekenhuis of medisch centrum gaat: ‘If you do not have an AMKA, but you have a prescription from a doctor at a public hospital or medical centre, even if it is hand written, you can get your medicines for free from the pharmacy at the hospital where the doctor provided the prescription’ (UNHCR Greece, ‘Living In Greece – Access to healthcare’, beschikbaar op: https://help.unhcr.org/greece/living-in-greece/access-to-healthcare; ‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’, september 2024, p. 49-50). Psychologische en psychiatrische gezondheidszorg is ook gedekt: mensen die noch een voorlopig sociale zekerheidsnummer (PAAYPA), noch een sociaalzekerheidsnummer (AMKA) hebben, kunnen gratis psychiatrische en neurologische geneesmiddelen krijgen als deze worden voorgeschreven door een psychiater of neuroloog die werkzaam is in een openbaar of particulier ziekenhuis en/of in lokale eerstelijnszorgeenheden of - centra (UNHCR, Information Guide for Beneficiaries of International Protection, november 2023, p. 42-43). NGO’s beheren ook medische centra en poliklinieken die verschillende medische diensten aanbieden aan statushouders. Daarnaast hebben veel gemeenten medische centra waar statushouders en asielzoekers, ook degenen zonder AMKA, gebruik van kunnen maken (Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken, Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland, september 2024, p. 50). Zelfs indien verzoeker stappen moet ondernemen om een duplicaat van zijn gedrukte verblijfsvergunning te verkrijgen, blijft hij gedurende de wachttijd toegang houden tot de sociale zekerheid, de arbeidsmarkt, een bankrekening en de huur van goederen. Verzoekers betoog dat hij hier geen toegang toe zou hebben kan dus geenszins worden gevolgd. Verzoeker toont dan ook niet aan dat hij in geval van terugkeer naar Griekenland en in de mate hij nood heeft aan medische en/of psychologische opvolging, hij hiervan verstoken zal blijven en hij zou worden geconfronteerd met een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM wegens de moeilijkheden om toegang te krijgen tot medische verzorging of artikel 4 van het Handvest. De Raad herinnert er hierbij overigens aan dat verzoeker zich niet beroept op een bijzondere mentale of fysieke kwetsbaarheid die een zware, complexe en regelmatige behandeling zou vereisen. Verzoeker brengt geen concrete en geobjectiveerde elementen bij die hier anders over doen denken. […] […] Daar verzoeker internationale bescherming geniet in Griekenland, is er in België geen behoefte aan internationale bescherming. Aangezien verzoeker reeds een internationale beschermingsstatus werd toegekend in Griekenland die als toereikend werd beoordeeld, diende de commissaris-generaal niet opnieuw te bepalen of hij nood heeft aan een dergelijke status. De beoordeling of de verzoeker een gegronde vrees heeft VII-43.124-4/11 voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade in zijn land van herkomst, dient slechts te worden gemaakt indien het vermoeden, dat de aan verzoeker toegekende bescherming in Griekenland effectief is, wordt ontkracht. Verzoeker is op dit punt in gebreke gebleven. Gelet op het voorgaande, kan hij niet gevolgd worden waar hij aanvoert dat zijn volledig asieldossier dient opgevraagd te worden bij de bevoegde Griekse autoriteiten.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoeker voorhoudt, zijn onderzoek niet beperkt tot de vaststelling dat verzoeker op 8 juni 2023 in Griekenland werd erkend als vluchteling. Hij overweegt dat verzoeker beschikt over een verblijfsvergunning, geldig tot 7 juni 2026, hetgeen verzoeker niet betwist, dat verzoeker geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bijbrengt die aantonen dat zijn status in Griekenland is ingetrokken of opgeheven en het administratief dossier evenmin concrete aanwijzingen in die zin bevat, dat verzoeker stelt zijn Griekse verblijfsvergunning vernietigd te hebben, doch dit een loutere bewering betreft die niet wordt gestaafd door een attest van verlies, en dat in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verduidelijkt dat personen die internationale bescherming genieten in Griekenland bij verlies van hun gedrukte verblijfsvergunning niet dezelfde moeilijkheden zullen ondervinden als bij het verlopen van die verblijfsvergunning. Bovendien kan verzoeker in geval van verlies of diefstal een duplicaat bekomen van de gedrukte ADET. Verder in het bestreden arrest, waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de algemene situatie voor begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland bespreekt, wordt onder andere nog vastgesteld dat voor asielzoekers sinds 31 december 2020 automatisch een fiscaal registratienummer (AFM) wordt aangemaakt bij hun beschermingsverzoek, dat dit fiscaal registratienummer (het openen van) een bankrekening, de huur van onroerende goederen en het verkrijgen van een sociale zekerheidsnummer (AMKA), dat toegang verleent tot de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt, mogelijk maakt en dat het fiscaal registratienummer en het sociale zekerheidsnummer volgens de beschikbare informatie automatisch worden gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt.
- Op grond van de voormelde elementen acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bewezen dat verzoeker nog steeds internationale bescherming geniet in Griekenland. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve zonder schending van artikel 57/6, § 3, 3°, van de vreemdelingenwet oordelen dat het vervolgens aan verzoeker toevalt het bewijs te leveren dat hij geen of geen effectieve internationale bescherming meer geniet in Griekenland. VII-43.124-5/11 In de mate dat verzoeker een andere beoordeling voorstelt van de voorhanden zijnde elementen, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Volgens verzoeker stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de erkenning als vluchteling in Griekenland gelijk met het bestaan van “actuele en effectieve bescherming”, om vervolgens de bewijslast van het tegendeel bij verzoeker te leggen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 5.
- van het bestreden arrest omstandig in op de “situatie […] van personen die internationale bescherming genieten in Griekenland”, waarbij hij met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland, (hierna: arrest Ibrahim) besluit dat de beschikbare landeninformatie “op zichzelf niet [volstaat] om zonder meer te concluderen dat de bescherming die wordt geboden aan iedereen die daar internationale bescherming heeft verkregen, niet langer effectief of voldoende zou zijn, noch dat alle statushouders bij een terugkeer naar Griekenland zullen terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie er gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden”, dat verzoeker “[m]et de loutere verwijzing naar de bijgebrachte en beschikbare algemene landeninformatie […] dus niet aan[toont] dat elke begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zich in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zoals geduid door het Hof van Justitie bevindt of dat hij of zij er bij terugkeer automatisch in zal belanden” en dat “[e]en individuele beoordeling […] dus aan de orde [blijft]”. In punt 5.
- van het bestreden arrest onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens de concrete persoonlijke situatie van verzoeker. Vooreerst oordeelt hij dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die hem zou verhinderen om zijn rechten te doen gelden, verbonden aan zijn status in Griekenland (punt 5.8.1.). Vervolgens treedt hij verzoeker niet bij waar hij voorhoudt dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet binnen een redelijke termijn werd genomen (punt 5.8.2.). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst tevens naar verzoekers Griekse verblijfsvergunning, die nog geldig is tot 7 juni 2026, hetgeen verzoeker niet betwist (punt 5.8.3.) en stelt vast dat de verwerende partij in de aanvankelijk bestreden beslissing op basis van objectieve informatie terecht heeft geoordeeld dat zowel het AFM als VII-43.124-6/11 de AMKA pas worden gedeactiveerd wanneer de ADET verloopt en dat verzoeker, zelfs indien hij stappen moet ondernemen om een duplicaat van zijn gedrukte ADET te verkrijgen, tijdens die wachttijd toegang zal hebben tot de sociale zekerheid, de arbeidsmarkt, een bankrekening en de huur van goederen (punt 5.8.4.). In punt 5.8.
- van het bestreden arrest overweegt hij dat verzoeker slechts beperkte stappen zette op het vlak van huisvesting en tewerkstelling zodat hij bezwaarlijk kan stellen dat hij geen kans maakt om een job, onderdak of toegang tot medische zorgen te verkrijgen. Verzoeker had geen oprechte intentie om een duurzaam bestaan op te bouwen in Griekenland en slaagt er niet in aan te tonen dat zijn rechten als statushouder in Griekenland niet werden geëerbiedigd. Evenmin toont verzoeker volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan dat hij niet de nodige zelfredzaamheid zou hebben om in zijn levensbehoeften te kunnen voorzien (punt 5.8.6.). Hij stelt in punt 5.8.
- van het bestreden arrest vast dat verzoeker de beoordeling uit de aanvankelijk bestreden beslissing dat zijn aanvaring met vijf dieven niet beschouwd kan worden als een onmenselijke of vernederende behandeling die een terugkeer naar Griekenland verhindert, niet betwist. Ten slotte benadrukt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 5.8.
- van het bestreden arrest dat loutere verwijzingen naar algemene landenrapporten niet volstaan om aan te tonen dat een verzoeker, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt of is terechtgekomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meeste elementaire behoeften. Zulks dient in concreto aannemelijk te worden gemaakt door verzoeker, die daartoe evenwel in gebreke blijft. Bovendien verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar het arrest Ibrahim alsook naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 maart 2019 in de zaak C-163/17, Jawo tegen Duitsland en oordeelt hij onder meer dat een mogelijk kwaliteitsverschil tussen EU-lidstaten op het vlak van gezondheidszorg, sociale bescherming en aangepast onderwijs niet volstaat om te besluiten dat verzoeker bij terugkeer naar Griekenland zal belanden in een situatie die kan worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zowel met algemene landeninformatie als met verzoekers individuele situatie rekening heeft gehouden. Verzoeker wijst op de vereiste van een individueel en actueel onderzoek, maar hij beperkt zich daarbij tot algemene opmerkingen, zonder in het licht van de concrete motieven van het bestreden arrest aannemelijk te maken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalde elementen op onwettige wijze buiten VII-43.124-7/11 beschouwing zou hebben gelaten of bepaalde kritiek niet of onvoldoende zou hebben beantwoord.
- Wat verzoekers zelfredzaamheid betreft en aangaande de inspanningen die hij leverde om zijn levensomstandigheden in Griekenland te verbeteren, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “[…] Zoals in de bestreden beslissing terecht wordt gesteld volstaat het gegeven dat verzoeker bepaalde moeilijkheden ondervond zoals op het vlak van werkgelegenheid of huisvesting, niet om te besluiten dat hij door de onverschilligheid van de Griekse overheden en voor zover hij volledig afhankelijk zou zijn van overheidssteun, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, is terechtgekomen in een situatie van verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt te voorzien in zijn meest elementaire behoeften zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid, noch zijn er concrete indicaties dat dit het geval zou zijn bij een terugkeer naar Griekenland. Het is niet onredelijk om van verzoeker, die in Griekenland erkend werd als vluchteling, te verwachten dat hij inspanningen levert om zijn levensomstandigheden aldaar te verbeteren en er een bestaan uit te bouwen. Uit de verklaringen en het gedrag van verzoeker blijkt evenwel niet dat hij doorgedreven pogingen heeft ondernomen om werk en onderdak te zoeken. De houding en het handelen van verzoeker duiden er daarentegen op dat hij geenszins van plan was om in Griekenland een duurzaam leven en een toekomst uit te bouwen. Verzoeker heeft zich louter geïnformeerd bij vrienden en fabrieken en ging langs straten op zoek naar werk […], maar heeft zich hiervoor nooit gewend tot organisaties, uitzendbureaus of officiële instanties die hem hadden kunnen bijstaan bij zijn toegang tot de arbeidsmarkt. Zijn verklaring dat dergelijke organisaties hem hoogstwaarschijnlijk niet zouden hebben geholpen omdat hij geen AMKA of AFM had […], berust op loutere veronderstellingen en kan niet dienen als een daadwerkelijke poging om zijn rechten als statushouder in Griekenland te doen gelden. Bovendien strookt dit niet met wat supra uiteengezet werd over de afgifte van een AMKA en AFM. Hoe dan ook is hij er wel degelijk in geslaagd om gedurende een korte periode, zij het onofficieel, te werken, maar gebruikte hij zijn loon om zijn vertrek naar België te bekostigen in plaats van om in zijn levensonderhoud of huisvesting in Griekenland te voorzien […]. Het geheel van deze elementen bevestigt dat verzoeker geen afdoende en geloofwaardige inspanningen heeft geleverd om werk te vinden in Griekenland, ondanks dat hij internationale bescherming genoot en in staat werd geacht om, met de nodige inzet, toegang te verkrijgen tot de arbeidsmarkt. Voorts maakt verzoeker zijn moeilijkheden op het vlak van huisvesting niet aannemelijk. Hij verklaart dat hij eerst bij een vriend verbleven heeft en dan afwisselend verbleef in een verlaten woning en in een accommodatie in […] als hij inkomsten had uit een tewerkstelling […]. Zelfs indien deze huisvestingsomstandigheden niet ideaal waren, blijkt niet dat hij er tijdens zijn verblijf niet in geslaagd was om er in zijn basisvoorzieningen te voorzien en hij er terecht was gekomen in een situatie van verregaande materiële deprivatie. Hij beschikte wel degelijk over toegang tot basisvoorzieningen zoals water en elektriciteit en kon voedsel krijgen via een vriend […]. Voorts toont hij niet aan dat hij concrete stappen heeft ondernomen om zijn VII-43.124-8/11 woonsituatie te verbeteren of hulp te zoeken bij bevoegde instanties of organisaties. Hij heeft het opvangcentrum vrijwel onmiddellijk na zijn erkenning als vluchteling verlaten, zonder enige voorbereiding of regeling voor zijn verdere verblijf […]. Dat het in […] zeer moeilijk was om huisvesting te vinden wegens een gebrek aan werkgelegenheid (ibid.), overtuigt niet, gelet op de beperkte inspanningen die hij heeft geleverd om daadwerkelijk werk te vinden. Nu verzoeker beperkte stappen heeft gezet op het vlak van huisvesting en tewerkstelling, kan hij bezwaarlijk stellen dat hij geen kans maakte op het verkrijgen van een job of onderdak of toegang tot medische zorgen. Het algemeen betoog in zijn verzoekschrift en aanvullende nota’s doet hier geen afbreuk aan. Aangezien geen oprechte intentie kan blijken om een duurzaam bestaan op te bouwen in Griekenland, is het voor verzoeker onmogelijk om conclusies te trekken omtrent de mogelijkheden op vlak van huisvesting, werkgelegenheid, gezondheidszorg of het aanbieden van taalcursussen in Griekenland en slaagt hij er op geen enkele manier in om aan te tonen dat zijn rechten als statushouder er niet werden geëerbiedigd. […] Verder toont verzoeker, die aldus geen blijk geeft van een bijzondere kwetsbaarheid, niet aan dat hij niet de nodige zelfredzaamheid heeft om in zijn levensbehoeften te voorzien. Zoals reeds supra uiteengezet, slaagde hij er in om zich staande te houden in Griekenland en zijn er verder geen elementen aanwezig in het administratief dossier die het tegendeel doen besluiten. Voorts blijkt zijn zelfredzaamheid ook uit het feit dat hij erin slaagde om Gaza op legale wijze te verlaten […], in Griekenland de procedure te doorlopen om een reispas te verkrijgen en een advocaat onder de arm te nemen […] en uit het feit dat hij gedurende zijn verblijf in Turkije in staat was om werk te vinden […]. Hij beschikte eveneens over een netwerk van vrienden van wie hij af en toe geld kon lenen […]. Bovendien is hij wel degelijk bij machte om een andere taal te leren, nu hij erkent een beetje Engels te praten […]. De motieven in verband met zijn zelfredzaamheid weergegeven in de bestreden beslissing worden door verzoeker niet in concreto weerlegd, waardoor deze, bij gebrek aan dienstig verweer en daar zij pertinent en draagkrachtig zijn, integraal worden bijgetreden.” Met zijn algemene kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de “[u]nierechtelijke toets […] vereng[t]” door hem “een algemene verplichting tot ‘uitputting’ van alle stappen” op te leggen, gaat verzoeker voorbij aan de omstandige beoordeling van zijn persoonlijke situatie in punt 5.
- en verder van het bestreden arrest (zie supra). Hij toont op die manier geen schending aan van de bepalingen waarop hij zich beroept. Op basis van de omstandige beoordeling van verzoekers persoonlijke situatie concludeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 5.
- van het bestreden arrest dat hij “[a]lles samengenomen […] van oordeel [is] dat verzoeker geen elementen heeft aangebracht waaruit blijkt dat van hem niet redelijkerwijs zou kunnen worden verwacht dat hij zich beroept op de beschermingsstatus die hem in Griekenland reeds werd toegekend en de rechten die daaruit voortvloeien” en in punt 5.
- dat “[h]et vermoeden dat zijn grondrechten als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zullen worden geëerbiedigd, […] niet [wordt] weerlegd”. VII-43.124-9/11
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. Opnieuw gaat verzoeker met zijn kritiek voorbij aan de omstandige motivering die het bestreden arrest bevat over zijn persoonlijke situatie. Verzoeker toont niet aan dat die motivering tegenstrijdig zou zijn of niet zou volstaan in het licht van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste, doch hij vraagt in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Verzoeker haalt nog aan dat het gegeven “[d]at verzoeker destijds geen (of onvoldoende) beroep deed op een programma […], op zichzelf, niet [kan] volstaan om het huidige risico bij terugkeer uit te sluiten” en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijt “een irrelevante procedurele weg [in te roepen] om de toetsing onder artikel 3 EVRM / artikel 4 Handvest uit te sluiten” door te verwijzen naar artikel 9ter van de vreemdelingenwet en niet afdoende te motiveren waarom de “reële praktische drempels tot zorg” in combinatie met verzoekers relaas en stukken “nooit tot een risico-inschatting kunnen leiden”. Ook met deze kritiek gaat verzoeker voorbij aan de omstandige beoordeling van zijn persoonlijke situatie in het bestreden arrest. Hij toont niet aan welke omstandigheden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze buiten beschouwing zou hebben gelaten noch op welke aangevoerde elementen niet zou zijn geantwoord in strijd met artikel 149 van de Grondwet. In de mate dat verzoeker het niet eens is met de door de eerste rechter gemaakte feitelijke beoordeling, dient te worden herhaald dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling treedt van de zaak zelf.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-43.124-10/11 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zes mei tweeduizend zesentwintig, door: Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De staatsraad Bryan Geerts Frédéric Vanneste VII-43.124-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.713 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div