id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.714 Rolnummer: A. 246901/VII-43125 Zaak: Cassatiebeschikking 16714 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-12 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-18 11:22 Fiche Beschikking nr 16.714 van 8 mei 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.714 van 8 mei 2026 in de zaak A. 246.901/VII-43.125 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 december 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 337.940 van 17 december 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 februari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Met betrekking tot verzoekers beschermingsstatus en verblijfsstatuut in Griekenland overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker in Griekenland op 5 september 2023 een verzoek om internationale bescherming ingediend heeft, hem op 12 oktober 2023 de vluchtelingenstatus werd toegekend en hij in bezit gesteld werd van een Griekse verblijfsvergunning, geldig van 12 oktober 2023 tot 11 oktober 2026 en een Grieks reispaspoort, geldig van 15 februari 2024 tot 14 februari 2029 […]. Voorgaande VII-43.125-1/9 is in overeenstemming met de landeninformatie waaruit blijkt dat erkende vluchtelingen in Griekenland een verblijfsrecht krijgen voor drie jaar met mogelijke verlenging (Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken, Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland, d.d. september 2024, p. 13; AIDA/ECRE, Country Report: Greece. Update 2023, p. 243). Door louter te betogen dat geen informatie voorligt waaruit blijkt dat zijn status nog actueel is en erop te wijzen dat hij sinds april 2024 niet meer in Griekenland woont, brengt verzoeker geen concrete elementen aan waaruit blijkt dat hij actueel niet meer over een beschermingsstatus zou beschikken. Hij brengt geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bij die aantonen dat er sprake zou zijn van een intrekking of opheffing van de hem verleende status, noch bevat het administratief dossier enige concrete aanwijzing in die zin. Bijgevolg wordt vermoed dat verzoeker geen nood heeft aan internationale bescherming in België, precies omdat hij reeds internationale bescherming geniet in een ander land, met name Griekenland. Om deze reden werd verzoekers beschermingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de Vreemdelingenwet. Deze bepaling vormt de omzetting naar Belgisch recht van het wederzijds vertrouwensbeginsel, vervat in artikel 33, lid 2, a) van de richtlijn 2013/32/EU.” […] […] Verzoeker betwist niet dat zijn verblijfsvergunning in Griekenland, zijn ADET, nog geldig is tot 11 oktober 2026 […]. Zijn louter blote bewering, dat hij zijn ADET verloren is en zijn reispas weggegooid heeft […], overtuigt niet, te meer nu hij ter staving ervan geen attest van verlies of enige aangifte voorlegt. Wat er ook van zij en zelfs indien aangenomen wordt dat verzoeker zijn ADET verloren is geraakt, wordt op goede gronden toegelicht dat een persoon die internationale bescherming geniet in Griekenland en zijn afgedrukte verblijfsvergunning (het document dat aantoont dat hij in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning) niet meer in zijn bezit heeft, niet te maken krijgt met de specifieke moeilijkheden waarmee personen die internationale bescherming genieten in Griekenland en van wie de verblijfsvergunning is verlopen en die naar deze lidstaat moeten terugkeren, worden geconfronteerd. De commissaris-generaal wijst erop dat het mogelijk is een duplicaat te krijgen als de gedrukte verblijfsvergunning (ADET) verloren is gegaan of gestolen en geeft ook de te volgen procedure mee: ‘Hiervoor moet men zich naar een asielbureau begeven om het verlies van het document te melden en een verklaring van verlies te verkrijgen, die aan de politie moet worden overgelegd. De politie geeft de betrokkene een kennisgeving. Het Asielbureau moet van deze kennisgeving in kennis worden gesteld en ongeveer vier maanden na de kennisgeving neemt het een nieuwe beslissing over de afgifte van een verblijfsvergunning. Zodra de beslissing is genomen, moet een afspraak worden gemaakt bij het bevoegde politiebureau om de nieuwe gedrukte verblijfsvergunning te verkrijgen. De procedure is vergelijkbaar in geval van beschadigde documenten (Refugee Info Greece - How to renew and replace lost, damaged or expired documents, 6 april 2024, beschikbaar op greece.refugee.info/en- us/articles/4985619341335; Recognised Refugees
- Access to documents and socio-economic rights gepubliceerd door RSA d.d. april 2025 en beschikbaar op https://rsaegean.org/wpcontent/uploads/2025/04/RSA_BIP_Report_E N.pdf ). Hoewel de informatie over de situatie van personen die internationale bescherming genieten in Griekenland melding maakt van de specifieke moeilijkheden waarmee personen worden geconfronteerd die geen geldige verblijfsvergunning meer hebben wanneer zij terugkeren, maakt deze objectieve informatie geen melding van soortgelijke problemen waarmee personen worden geconfronteerd die geen gedrukte verblijfsvergunning meer hebben. Zelfs indien verzoeker niet langer in het bezit zou zijn VII-43.125-2/9 van zijn geprinte verblijfsvergunning, hetgeen niet zonder meer kan worden aangenomen gezien zijn blote beweringen dienaangaande, blijkt hieruit dan ook niet dat hij geconfronteerd zou worden met de moeilijkheden die statushouders ondervinden die geen geldige verblijfsvergunning meer hebben. Verzoekers betoog in zijn aanvullende nota, waarbij hij verwijst naar de cijfers van de RSA voor de eerste helft van 2025 betreffende de vertraging waarmee statushouders geconfronteerd worden bij de vernieuwing van hun verblijfsdocumenten, is niet dienstig gezien deze situatie niet op hem van toepassing is. Immers beschikt hij tot op heden nog steeds over een geldige Griekse verblijfsvergunning die nog tien maanden geldig is. Niets staat verzoeker eraan in de weg zijn verlenging tijdig aan te vragen. […] Verzoeker verklaart geen AFM of AMKA ontvangen te hebben. Hij voegt toe dat hij dacht dat dit nutteloos was en dat ze dit nooit gevraagd hebben bij de organisaties waar hij langs geweest is […]. Verzoeker koos er aldus zelf voor geen gebruik te maken van de AMKA en AFM en maakt niet aannemelijk dat zijn rechten in zijn hoedanigheid van begunstigde van internationale bescherming in dit verband geschonden werden in Griekenland. De commissaris-generaal wijst er in dit verband terecht op dat blijkens objectieve informatie personen die na 31 december 2020 een verzoek om internationale bescherming indienen, zoals verzoeker, automatisch een fiscaal registratienummer (AFM) krijgen wanneer zij hun kaart als verzoeker om internationale bescherming ontvangen (RSA-rapport, maart 2025, p. 20; Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland, september 2024, p. 19-20: “Statushouders die in of na december 2020 een aanvraag hebben ingediend, zouden in principe dus een AFM moeten hebben.”). Het fiscaal registratienummer geeft toegang tot de arbeidsmarkt, het openen van een bankrekening en het huren van een woning (Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland, september 2024, p. 19). Toen verzoeker in Griekenland was, had hij derhalve een fiscaal registratienummer ontvangen waarmee hij toegang had tot de arbeidsmarkt, het openen van een bankrekening en het huren van een woning. Hierbij wordt benadrukt dat, zelfs indien verzoeker stappen zou moeten ondernemen om een duplicaat van zijn gedrukte verblijfsvergunning te verkrijgen, hij gedurende de wachttijd toegang blijft houden tot de sociale zekerheid, de arbeidsmarkt, een bankrekening en de huur van goederen. Verzoekers betoog dat hij hier geen toegang toe zou hebben kan dus geenszins worden gevolgd. Uit objectieve informatie blijkt dat deze AFM geldig blijft zolang de verblijfsvergunning (ADET) ook geldig is. Als de ADET verloopt, wordt het AFM gedeactiveerd totdat de ADET wordt verlengd (RSA- rapport, maart 2025, p. 21: ‘the AFM is automatically deactivated upon the expiry of the residence permit and cannot be used until the ADET is renewed’). Het is de geldigheid van de verblijfsvergunning die belangrijk is. Aangezien verzoekers verblijfsvergunning geldig is tot 11 oktober 2026, is zijn AFM dus ook geldig tot die datum. Hetzelfde geldt voor zijn sociale zekerheidsnummer (AMKA). De AMKA wordt pas gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt: ‘According to the latest JMD F80320/109864/14.12.2023, the Social Security Number (AMKA) is deactivated a day after the residence permit expires’ (AIDA-rapport, juni 2024, p. 248). Ter volledigheid wordt erop gewezen dat de beschikbare landeninformatie niet wijst op bijzondere problemen waar verzoeker in geval van terugkeer naar Griekenland de procedure om een AMKA te verkrijgen nog dient te voltooien. Verzoeker toont niet aan dat hij dit bij terugkeer naar Griekenland niet in orde zou kunnen brengen. Waar verzoeker de vereiste benadrukt van het aanleveren van bewijs van verblijf, alsook van een arbeidscontract of een wervingscertificaat alvorens een actieve AMKA wordt uitgereikt, zoals uiteengezet in het RSA-rapport van maart 2025, maakt hij niet aannemelijk dat hij in geval van terugkeer naar Griekenland geen werk en huisvesting zal kunnen vinden en hij de vereiste documenten niet zal kunnen voorleggen voor het verkrijgen en/of het activeren VII-43.125-3/9 van een AMKA, zoals bijvoorbeeld door het neerleggen van een werkbelofte. Verzoeker heeft voorts, zoals blijkt supra, geen bijzondere kwetsbaarheid die belangrijke negatieve gevolgen heeft op het vlak van zijn zelfredzaamheid en autonomie en die het hem dermate moeilijk maakt om zich staande te houden. Uit de informatie waaraan in de bestreden beslissing gerefereerd wordt, blijkt voorts dat verzoeker in geval van terugkeer naar Griekenland en in afwachting van het verkrijgen van zijn AMKA, wanneer hij daartoe de nodige stappen zet, niet verstoken zal zijn van toegang tot gezondheidszorg, met name spoedeisende hulp en medicatie (gratis of tegen een kleine vergoeding), op voorwaarde dat hij naar een openbaar ziekenhuis of medisch centrum gaat: ‘If you do not have an AMKA, but you have a prescription from a doctor at a public hospital or medical centre, even if it is hand written, you can get your medicines for free from the pharmacy at the hospital where the doctor provided the prescription’ (UNHCR Greece, ‘Living In Greece – Access to healthcare’, beschikbaar op: https://help.unhcr.org/greece/living-in-greece/access-to-healthcare; ‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’, september 2024, p. 49-50). Psychologische en psychiatrische gezondheidszorg is ook gedekt: mensen die noch een voorlopig sociale zekerheidsnummer (PAAYPA), noch een sociaalzekerheidsnummer (AMKA) hebben, kunnen gratis psychiatrische en neurologische geneesmiddelen krijgen als deze worden voorgeschreven door een psychiater of neuroloog die werkzaam is in een openbaar of particulier ziekenhuis en/of in lokale eerstelijnszorgeenheden of - centra (UNHCR, Information Guide for Beneficiaries of International Protection, november 2023, p. 42-43). NGO’s beheren ook medische centra en poliklinieken die verschillende medische diensten aanbieden aan statushouders. Daarnaast hebben veel gemeenten medische centra waar statushouders en asielzoekers, ook degenen zonder AMKA, gebruik van kunnen maken (Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken, Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland, september 2024, p. 50). Zelfs indien verzoeker stappen moet ondernemen om een duplicaat van zijn gedrukte verblijfsvergunning te verkrijgen, blijft hij gedurende de wachttijd toegang houden tot de sociale zekerheid, de arbeidsmarkt, een bankrekening en de huur van goederen. Verzoekers betoog dat hij hier geen toegang toe zou hebben kan dus geenszins worden gevolgd. Verzoeker toont dan ook niet aan dat hij in geval van terugkeer naar Griekenland en in de mate hij nood heeft aan medische en/of psychologische opvolging – wat tot op heden niet wordt aangetoond -, hij hiervan verstoken zal blijven en hij zou worden geconfronteerd met een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM wegens de moeilijkheden om toegang te krijgen tot medische verzorging of artikel 4 van het Handvest. Verzoeker beroept zich overigens niet op een bijzondere mentale of fysieke kwetsbaarheid die een zware, complexe en regelmatige behandeling zou vereisen. Verzoeker brengt geen concrete en geobjectiveerde elementen bij die hier anders over doen denken. […] […] Daar verzoeker internationale bescherming geniet in Griekenland, is er in België geen behoefte aan internationale bescherming. Aangezien verzoeker reeds een internationale beschermingsstatus werd toegekend in Griekenland die als toereikend werd beoordeeld, diende de commissaris-generaal niet opnieuw te bepalen of hij nood heeft aan een dergelijke status. De beoordeling of de verzoeker een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade in zijn land van herkomst, dient slechts te worden gemaakt indien het vermoeden, dat de aan verzoeker toegekende bescherming in Griekenland effectief is, wordt ontkracht. Verzoeker is op dit punt in gebreke gebleven. Gelet op het voorgaande, kan hij niet gevolgd worden waar hij aanvoert dat zijn volledig asieldossier dient opgevraagd te worden bij de bevoegde Griekse autoriteiten.” VII-43.125-4/9 Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoeker voorhoudt, zijn onderzoek niet beperkt tot de vaststelling dat verzoeker op 12 oktober 2023 in Griekenland werd erkend als vluchteling. Hij overweegt dat verzoeker beschikt over een verblijfsvergunning, geldig tot 11 oktober 2026, hetgeen verzoeker niet betwist, dat verzoeker geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bijbrengt die aantonen dat zijn status in Griekenland is ingetrokken of opgeheven en het administratief dossier evenmin concrete aanwijzingen in die zin bevat, dat verzoeker stelt dat hij zijn Griekse verblijfsvergunning is verloren en zijn reispas heeft weggegooid, doch dit een loutere bewering betreft die niet wordt gestaafd door een attest van verlies of enige aangifte, en dat in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verduidelijkt dat personen die internationale bescherming genieten in Griekenland bij verlies van hun gedrukte verblijfsvergunning niet dezelfde moeilijkheden zullen ondervinden als bij het verlopen van die verblijfsvergunning. Bovendien kan verzoeker in geval van verlies of diefstal een duplicaat bekomen van de gedrukte ADET. Verder in het bestreden arrest, waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de algemene situatie voor begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland bespreekt, wordt onder andere nog vastgesteld dat voor asielzoekers sinds 31 december 2020 automatisch een fiscaal registratienummer (AFM) wordt aangemaakt bij hun beschermingsverzoek, dat dit fiscaal registratienummer (het openen van) een bankrekening, de huur van onroerende goederen en het verkrijgen van een sociale zekerheidsnummer (AMKA), dat toegang verleent tot de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt, mogelijk maakt en dat het fiscaal registratienummer en het sociale zekerheidsnummer volgens de beschikbare informatie automatisch worden gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt.
- Op grond van de voormelde elementen acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bewezen dat verzoeker nog steeds internationale bescherming geniet in Griekenland. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve zonder schending van artikel 57/6, § 3, 3°, van de vreemdelingenwet oordelen dat het vervolgens aan verzoeker toevalt het bewijs te leveren dat hij geen of geen effectieve internationale bescherming meer geniet in Griekenland. In de mate dat verzoeker een andere beoordeling voorstelt van de voorhanden zijnde elementen, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. VII-43.125-5/9
- Volgens verzoeker stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de erkenning als vluchteling in Griekenland gelijk met het bestaan van “actuele en effectieve bescherming”, om vervolgens de bewijslast van het tegendeel bij verzoeker te leggen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 5.
- en verder van het bestreden arrest omstandig in op de “situatie […] van personen die internationale bescherming genieten in Griekenland”, waarbij hij met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C- 318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland, (hierna: arrest Ibrahim) besluit dat de beschikbare landeninformatie “op zichzelf niet [volstaat] om zonder meer te concluderen dat de bescherming die wordt geboden aan iedereen die daar internationale bescherming heeft verkregen, niet langer effectief of voldoende zou zijn, noch dat alle statushouders bij een terugkeer naar Griekenland zullen terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie er gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden”, dat verzoeker “[m]et de loutere verwijzing naar de bijgebrachte en beschikbare algemene landeninformatie […] dus niet aan[toont] dat elke begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zich in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zoals geduid door het Hof van Justitie bevindt of dat hij of zij er bij terugkeer automatisch in zal belanden” en dat “[e]en individuele beoordeling […] dus aan de orde [blijft]”. In punt 5.
- en verder van het bestreden arrest onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens de concrete persoonlijke situatie van verzoeker. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zowel met algemene landeninformatie als met verzoekers individuele situatie rekening gehouden. Verzoeker wijst op de vereisten van een individueel en actueel onderzoek en een effectief rechtsmiddel, maar hij beperkt zich daarbij tot algemene opmerkingen, zonder in het licht van de concrete motieven van het bestreden arrest aannemelijk te maken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalde elementen op onwettige wijze buiten beschouwing zou hebben gelaten of bepaalde kritiek niet of onvoldoende zou hebben beantwoord.
- Met zijn algemene kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een “onjuiste rechtsmaatstaf” hanteert door te oordelen dat verzoeker “op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Griekenland alle VII-43.125-6/9 mogelijke middelen zou hebben benut, laat staan uitgeput, om zijn rechten als begunstigde van internationale bescherming te doen gelden”, gaat verzoeker voorbij aan de omstandige beoordeling van zijn persoonlijke situatie in punt 5.
- en verder van het bestreden arrest. Hij toont op die manier geen schending aan van de bepalingen waarop hij zich beroept. Op basis van de omstandige beoordeling van verzoekers persoonlijke situatie concludeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 5.
- van het bestreden arrest dat hij “[a]lles samengenomen […] van oordeel [is] dat verzoeker geen elementen heeft aangebracht waaruit blijkt dat van hem niet redelijkerwijs zou kunnen worden verwacht dat hij zich beroept op de beschermingsstatus die hem in Griekenland reeds werd toegekend en de rechten die daaruit voortvloeien” en in punt 5.
- dat “[h]et vermoeden dat zijn grondrechten als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zullen worden geëerbiedigd, […] niet [wordt] weerlegd”.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. Opnieuw gaat verzoeker met zijn kritiek voorbij aan de omstandige motivering die het bestreden arrest bevat over zijn persoonlijke situatie. Verzoeker toont niet aan dat die motivering tegenstrijdig zou zijn of niet zou volstaan in het licht van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste, doch hij vraagt in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Verzoeker haalt nog aan dat het criterium “persoonlijke keuzes” niet “tot een algemene uitsluitingsgrond [kan verworden] zodra iemand het land verlaat of niet in een programma werd opgenomen” en stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “de vereiste individuele beoordeling [miskent]”. Ook met deze kritiek gaat verzoeker voorbij aan de omstandige beoordeling van zijn persoonlijke situatie in het bestreden arrest. Hij toont niet aan welke omstandigheden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze buiten beschouwing zou hebben gelaten noch op welke aangevoerde elementen niet zou zijn geantwoord in strijd met artikel 149 van de Grondwet. Evenmin toont hij op die wijze een schending aan van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de VII-43.125-7/9 Mens en de Fundamentele Vrijheden of van het daarmee inhoudelijk overeenstemmende artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In de mate dat verzoeker het niet eens is met de door de eerste rechter gemaakte feitelijke beoordeling, dient te worden herhaald dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling treedt van de zaak zelf.
- In zoverre verzoeker een schending aanvoert van artikel 33 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ voert verzoeker niet aan dat deze richtlijn niet of niet correct zou zijn omgezet, zodat hij zich bij gebrek aan rechtstreekse werking niet kan beroepen op de voornoemde richtlijnbepaling om te besluiten tot de onwettigheid van het bestreden arrest.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.125-8/9 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht mei tweeduizend zesentwintig, door: Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De staatsraad Bryan Geerts Frédéric Vanneste VII-43.125-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.714 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div