id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.720 Rolnummer: A. 246893/VII-43123 Zaak: Cassatiebeschikking 16720 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 11 - laatst gezien 2026-06-18 14:52 Fiche Beschikking nr 16.720 van 19 mei 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.720 van 19 mei 2026 in de zaak A. 246.893/VII-43.123 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Wibault kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 december 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 336.416 van 21 november 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 januari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Wat verzoekers regio van herkomst betreft, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Na zorgvuldige lezing van de stukken van het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal op goede gronden naast [A.], gelegen in […] ook [E.], gelegen in VII-43.123-1/4 […] weerhoudt als verzoekers regio van herkomst. In tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt, maakt de commissaris-generaal geen toepassing van een intern vestigingsalternatief, zoals omschreven in artikel 48/5, § 3, van de Vreemdelingenwet, waardoor zijn kritiek in dit verband niet dienstig is. Dat [E.] eveneens verzoekers regio van herkomst is, vindt steun in wat volgt. Verzoeker verklaart immers dat hij in [A.] geboren en opgegroeid is en dat hij deze regio in 2017, samen met zijn familie verliet om er vervolgens enkele jaren later naar terug te keren en dit tot de inval van Daesh in 2014 […]. Verzoeker en zijn familie dienden [A.] aldus te verlaten omwille van de veiligheidssituatie aldaar en verhuisden samen, vergezeld van zijn paternale neven en ongeveer alle inwoners van [A.], naar de stad [E.] […]. Na een verblijf van zes maanden, namelijk tot december 2014, ging hij samen met zijn broers naar Turkije […]. Na een verblijf in Turkije van zeven maanden, keerde hij vervolgens terug naar de stad [E.], ongeveer midden 2015 […], waar hij bleef tot aan zijn vertrek uit Irak op 31 maart 2023 […]. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt aldus dat verzoeker bijna negen jaar in [E.] heeft verbleven samen met zijn familie, dat hij er een opleiding heeft genoten aan de universiteit en er afstudeerde als bachelor in business management […], dat hij er samen met zijn ouders en zus verbleef in een huurwoning, waar deze laatsten overigens nog steeds verblijven [...], dat zijn ouders gepensioneerd zijn en hiervoor een uitkering genieten alsook dat zijn vader enkele gebouwen bezit in […], gelegen in […], waarvan hij huurinkomsten verwerft [...], dat zijn drie paternale gepensioneerde ooms er nog verblijven […] en dat één maternale oom er verblijft [...]. Verzoeker beschikt in [E.] aldus over een (familiaal) netwerk, beschikt er over een woning en was er bovendien tewerkgesteld als chauffeur van een pick-up voor een bedrijf […]. Daarvoor voerde hij andere jobs uit met name in een kledingzaak en in een supermarkt […]. Verder blijkt ook dat verzoeker, na een eerder vertrek uit [E.], er zonder problemen naar kon terugkeren om zijn studies verder te zetten […]. Tot slot was verzoeker in staat om Irak via de luchthaven van [...] met geldige documenten […] te verlaten. Dat het verblijf van verzoeker en zijn familie in [E.] afhankelijk zou zijn geweest van een borgsteller [...], is niet aannemelijk. Het rechtsplegingsdossier bevat geen informatie waaruit blijkt dat Arabieren in […] verplicht zijn een borgsteller te hebben om er te mogen verblijven en verzoeker is niet in staat zijn blote bewering te onderbouwen met enig begin van bewijs. Hierbij komt dat hij de naam van deze vermeende borgsteller niet kent en evenmin weet hoeveel er voor deze garantie betaald zou zijn (ibid.), wat de geloofwaardigheid van zijn bewering verder ondermijnt. Hoe dan ook, verklaart verzoeker dat een lokale regeling sinds 2022 ervoor zorgde dat dergelijke betalingen niet meer nodig zouden zijn [...], waardoor geenszins kan worden aangenomen dat hij bij een terugkeer naar [E.] afhankelijk zou zijn van een borgsteller. Zoals supra aangestipt beschikken zijn ouders beschikken over hun eigen bestaansmiddelen daar ze een pensioenuitkering ontvangen en zijn vader huurinkomsten ontvangt uit zijn eigendommen. Gelet op het geheel van voorgaanden is naast [A.], [E.] eveneens verzoekers regio van herkomst en blijkt ook afdoende dat hij er zonder problemen kon wonen, studeren en werken en er omringd werd en wordt door een uitgebreid familiaal netwerk. Er zijn ten overvloede geen indicaties die wijzen op een gebrek aan zelfredzaamheid of van een situatie van materiële deprivatie, zoals ook op goede gronden wordt toegelicht in de bestreden beslissing.” De regio van herkomst van een verzoeker om internationale bescherming is enerzijds niet noodzakelijk zijn geboorteplaats of -regio. Anderzijds volstaat VII-43.123-2/4 niet ieder verblijf op een bepaalde plaats om deze als regio van herkomst te beschouwen. Het moet gaan om een duurzame vestiging die niet is beperkt tot een noodgedwongen kort verblijf op een bepaalde plaats. Zoals uit bovenstaand citaat blijkt, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op omstandig en concreet onderbouwde wijze vast dat [E.], waar verzoeker negen jaar zonder problemen heeft verbleven, gestudeerd en gewerkt en waar zijn ouders nog steeds verblijven, ook als regio van herkomst in vluchtelingenrechtelijke zin moet worden beschouwd. Verzoeker toont niet aan dat het begrip “regio van herkomst” is geschonden met deze beoordeling. Voor zover verzoeker wat dat betreft een andere feitelijke beoordeling voorstelt, vraagt hij een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Nu in het bestreden arrest niet op onwettige wijze is vastgesteld dat [E.] kan worden beschouwd als verzoekers regio van herkomst, kan verzoeker niet dienstig een schending van artikel 48/5, § 3, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ inroepen. [E.] wordt immers niet beschouwd als een mogelijk beschermingsalternatief. Er is wat dat betreft dan ook geen tegenstrijdigheid in de motieven van het bestreden arrest.
- De door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag is niet dienstig voor de oplossing van het geschil nu niet blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze heeft vastgesteld dat [E.] als verzoekers regio van herkomst kan worden beschouwd. [E.] wordt dus niet beschouwd als een binnenlands vestigingsalternatief.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- De bewijskracht van een akte, afgeleid uit de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek, betreft de vereiste eerbiediging van hetgeen in die akte schriftelijk is vastgelegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in VII-43.123-3/4 voorkomt. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan. Waar volgens de door verzoeker geciteerde “COI Focus Irak Veiligheidssituatie, 29 augustus 2025” en “EUAA Country Guidance Iraq, November 2024” een groot aantal ontheemden in [E.] verblijft, is de concreet onderbouwde vaststelling dat in verzoekers geval [E.] als regio van herkomst kan worden beschouwd, niet in strijd met de bewoordingen van die stukken.
- Het tweede middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negentien mei tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.123-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.720 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div