← België

Cassatiebeschikking 16722 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/05/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.722 Rolnummer: A. 247679/VII-43195 Zaak: Cassatiebeschikking 16722 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 11 - laatst gezien 2026-06-18 14:17 Fiche Beschikking nr 16.722 van 20 mei 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.722 van 20 mei 2026 in de zaak A. 247.679/VII-43.195 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 maart 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 341.158 van 13 februari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 april 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat het voor de toepassing van artikel 55/3/1, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), dat de omzetting vormt van artikel 14 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van VII-43.195-1/10 onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’, niet volstaat dat verzoeker is veroordeeld voor een “bijzonder ernstig misdrijf” maar “dat de bedreiging die de verzoeker vormt in de zin van dat artikel ook reëel, actueel en voldoende ernstig” moet zijn. Wat de bedreiging van verzoeker voor de samenleving betreft, sluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich uitdrukkelijk aan bij de volgende overwegingen uit de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende partij: “De tweede voorwaarde heeft betrekking op het gevaar voor de samenleving. Er kan in uw hoofde vastgesteld worden dat er sprake is van een reëel, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de samenleving. Zo kan worden gesteld dat er sprake is van een werkelijke bedreiging gelet op de definitieve veroordeling. Het misdrijf waarvoor u veroordeeld werd is bovendien dermate ernstig dat deze vaststelling an sich voldoende is om te stellen dat u een gevaar voor de samenleving vormt. In dit verband kan (opnieuw) dienstig verwezen worden naar het hierboven reeds vernoemde vonnis en arrest inzake het misdrijf dat u pleegde in Kortrijk op 5 en 6 augustus
  3. Zo was er duidelijk sprake van voorbedachten rade en zelfs pogingen om nadien alle sporen zoveel mogelijk te wissen […], met daarbovenop de omstandigheid dat het slachtoffer in de val werd gelokt, de onafgebroken reeds van onterende handelingen met als climax de slagen en verwondingen, en het niet inroepen van professionele medische hulp toen het slachtoffer het bewustzijn verloor. De rechtbank verwees in deze dan ook naar een gebrek aan normbesef en gebrek aan respect voor de fysieke en psychische integriteit van het slachtoffer […], hetgeen allemaal hernomen werd door het Hof van Beroep […]. Tevens stelt het Hof van Justitie dat ‘Hoe meer tijd verstreken tussen tijdstip van de definitieve veroordeling en intrekking status, des te meer er rekening moet gehouden worden met de ontwikkelingen die zich na het plegen van het misdrijf hebben voorgedaan’ (HvJ, 6 juli 2023 zaak C-8/22, §64 HvJ). In dit verband wijst verweerder erop dat verzoeker, na het plegen van het misdrijf op 5 en 6 augustus 2018 nog drie maal definitief werd veroordeeld. De tweede veroordeling betreft wederom opzettelijk slagen , dit keer op 13 december 2018 ten aanzien van uw toenmalige echtgenote omdat zij een sms had verstuurd naar een mannelijke vriend. U gaf haar een slag met de vlakke hand op haar linkerwang en oor, en nam haar tevens vast bij de keel. Het gegeven dat u het misdrijf pleegde tegen uw echtgenote werd daarbij gezien als een verzwarende omstandigheid […]. Op 14 december 2020 werd u nog een derde maal veroordeeld voor opzettelijke slagen of verwondingen, gepleegd op 4 september 2017 in Kortrijk. De politie werd destijds opgeroepen voor een vechtpartij en trof u ter plaatse aan samen met uw broer [...]. U was buiten adem, had bloedspatten op uw kleren en in uw broekzak zat een zakmes. Een getuige verklaarde dat u en uw broer met het slachtoffer begonnen te vechten en hem messteken toebrachten […]. De vierde definitieve veroordeling , daterende van 1 maart 2022, gaat op haar beurt over bezit, aankoop en vervoer van middelen zonder vergunning op 27 augustus
  4. Bij een COVID-controle trof de politie u en uw broer […] destijds aan in een café gekend wegens onder meer drugshandel. Op uw broer werden een precisieweegschaal, 470 euro, vijf pillen van 5mg methadon en een VII-43.195-2/10 autosleutel aangetroffen. In het voertuig werd nog een plastiek zak met 516,6 gram cannabis en 4,9 gram hasj aangetroffen, waarop u en uw broer verklaarden dat deze drugs u toebehoorde […]. In de vonnissen van 2019 en 2020 werd wederom gewezen op een gebrek aan respect voor de fysieke integriteit van anderen, alsook een agressieve ingesteldheid […]. De gevraagde gunst van de opschorting van uitspraak werd u in 2019 niet verleend, en een werkstraf in 2020 evenmin. Een werkstraf zou u de ernst van de feiten onvoldoende duidelijk maken, aldus de rechtbank, die oordeelde dat een gevangenisstraf en geldboete een gepaste straf waren. Het uitstel van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf gold als waarschuwing voor de toekomst […]. In het vonnis van 2019 werd eveneens gewezen op de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de manifeste afwezigheid van eerbied voor sociale, morele en economische waarden met in het bijzonder de fysieke integriteit van uw (toenmalige) levenspartner en het door het slachtoffer geleden nadeel […]. U werd ter zake veroordeeld tot 80 uren werkstraf en een effectieve geldboete van 240 euro […]. In 2020 diende diezelfde Rechtbank aangaande de vechtpartij op 4 september 2017 opnieuw te verwijzen naar de aard en ernst van de bewezen feiten en de begeleidende omstandigheden bij het plegen van de feiten. Daarnaast werd eveneens gewezen op uw persoonlijkheid zoals die onder meer blijkt uit uw strafrechtelijk verleden. De feiten werden ernstig genoemd, en er werd geoordeeld dat u duidelijk blijk geeft van een agressieve ingesteldheid en een gebrek aan respect voor de fysieke integriteit van anderen. U werd voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van 3 jaar, en een geldboete van 800 euro […]. Het laatste vonnis van 2022 betreffende de drugsfeiten sprak tevens over een immorele ingesteldheid, het gegeven dat uw handelen blijk geeft van een gebrek aan respect voor mens en maatschappij, de staat van wettelijke herhaling en het gebrek aan respect voor wetten en regels en zich te willen handhaven binnen een maatschappij. U kon niet meer van de gunst van het gewone uitstel genieten, en een gevangenisstraf en een geldboete, beiden deels met uitstel en gekoppeld aan probatievoorwaarden, moesten u volgens de rechter confronteren met het laakbaar karakter van uw handelen en weerhouden van het plegen van nieuwe misdrijven in de toekomst […]. Daarenboven merkte de Rechtbank op dat uw handelen blijk gaf van een ontwrichting van de sociale zekerheid door de medische en behandelingskosten die een verslaving met zich meebrengen, het feit dat het om bezit van grote hoeveelheden softdrugs ging dewelke bij hardnekkig gebruik een zeer sterke lichamelijke en psychische afhankelijkheid teweegbrengen en waarvan het verboden karakter u bezwaarlijk onbekend kan geweest zijn, alsook het gegeven dat het gebruik van verdovende middelen randcriminaliteit uitlokt […]. U kreeg hiervoor een hoofdgevangenisstraf van 10 maanden met uitstel van drie jaar. Ook werden u diverse voorwaarden opgelegd, waaronder het volgen van een behandeling inzake uw drugproblematiek, de voorlegging van urinetesten en een verbod op contact met het drugmilieu […]. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat u de verschillende kansen die u werden geboden om uw houding ten aanzien van de maatschappij te veranderen nooit hebt benut, dat u uit uw eerdere veroordelingen geen lessen trok en zich onder meer gewapend in de maatschappij en daarnaast ook in het drugsmilieu begeeft. Uit uw persoonlijk handelen komt dan ook een volgehouden, voor de maatschappij gevaarlijke criminele ingesteldheid naar voren waardoor het helemaal niet uit te sluiten valt dat u dergelijk gedrag in de toekomst niet zal herhalen, en er ontegensprekelijk een actueel, reëel en voldoende ernstig gevaar voor de samenleving kan worden vastgesteld. Tijdens het persoonlijk onderhoud van 3 april 2025 had u voorts een aparte kijk op uw verschillende veroordelingen. U stelde dat u ongetwijfeld een gekke persoon was en die feiten niet had moeten doen. U luisterde naar iemand anders, zo zei u, daarom hebt u ze gepleegd […]. Vervolgens verklaarde u dan weer naar niemand geluisterd te hebben, en VII-43.195-3/10 merkte u aangaande uw eerste veroordeling op dat ‘hij gewoon naar daar is komen praten, u in een studentenkamer woonde en uw broer iemand naar daar heeft gebracht’. Ook zei u dat ‘zij daar een soort ruzie hadden gemaakt’, waarbij ook u betrokken bent geweest […]. U gaf aldus een behoorlijk andere, minimaliserende, voorstelling van de feiten zoals omschreven in het vonnis van 2018 (zie supra), hetgeen minstens verontrustend is. Dat u volhoudt dat het slachtoffer ‘gewoon naar daar is komen praten’ staat immers haaks op de vaststelling van de rechtbank dat het slachtoffer doelbewust in de val werd gelokt omdat hij een relatie hield met de echtgenote van uw broer […]. Ook het gegeven dat u spreekt over ‘een soort ruzie’, terwijl het in feite om onterende behandeling ging, waarbij het slachtoffer onder meer volledig werd ontkleed, zijn haren werden afgesneden, hij werd gedwongen om alcoholische dranken en pikante pepers te nuttigen en hem een pil werd toegediend, is behoorlijk verbazingwekkend. Daarbij gaf u aan dat uw broer u vroeg of deze persoon naar uw kamer mocht komen, en dat u hem de toestemming gaf. Dit noemt u ‘een vergissing’ […], maar uw effectieve schuld wat betreft de onterende behandeling en opzettelijke slagen spreekt u opvallend genoeg niet uit. Bovendien kan opgemerkt worden dat u uw relatie met uw broer [...], die het slachtoffer naar uw kamer lokte om hem een lesje te leren, omschrijft als ‘goed’, maar tegelijkertijd beweert dat u in de toekomst nooit meer naar hem zal luisteren. Nochtans zijn jullie heden zelfs zakenpartners […], en blijkt uw broer ook nog steeds samen te zijn met zijn echtgenote wiens minnaar jullie slachtoffer was […]. Ook toonde u geen enkel betrouw of empathie naar het slachtoffer toe, waarover u louter stelde dat u die persoon niet kende en dat als u hem vandaag zou zien u hem niet zou herkennen […]. Vreemd genoeg zei u wat later tijdens het onderhoud inzake de eerste feiten van onteerbare behandeling en opzettelijke slagen opnieuw dat u naar uw broer luisterde, en weet u deze veroordeling dan toch aan uw broer […]. In de andere veroordelingen speelde uw broer geen rol, zo bevestigde u, maar nam u evenmin een duidelijke schuld of verantwoordelijkheid op zich […]. Gevraagd waarom u meent dat u geen bedreiging of gevaar voor de samenleving meer vormt, begon u te lachen en antwoordde u dat de andere garages van de regio u heel goed kennen, en dat u één van de betere mecaniciens van uw regio bent […]. Dit impliceert echter op geen enkele wijze dat u in de toekomst niet opnieuw zal vervallen in crimineel gedrag. U heeft immers geen respect voor de fysieke integriteit van anderen en werd tot drie maal tot veroordeeld voor opzettelijke slagen en verwondingen, en tevens één keer voor onteerbare behandeling. Zonder enige erkenning van de bijzonder ernst van de feiten, noch de wil om te verbeteren, kan niet worden uitgesloten dat u dergelijk gedrag niet zal herhalen. Deze vaststellingen doen besluiten dat er in casu sprake is van een reëel, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de samenleving.” Vervolgens sluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich aan bij de overwegingen betreffende de door verzoeker aangevoerde elementen en bijgebrachte documenten tot rechtvaardiging van het behoud van de vluchtelingenstatus: “Ook volgt de Raad de commissaris-generaal waar deze op grond van volgende terechte en pertinente redenen besluit dat verzoekende partij geen afdoende elementen aanbrengt die het behoud van haar vluchtelingenstatus kunnen rechtvaardigen: ‘Teneinde u de kans te bieden elementen voor het eventuele behoud van uw vluchtelingenstatus aan te brengen, werd u op 27 februari 2025 opgeroepen om op 3 april 2025 gehoord te worden door een medewerker van het CGVS. Gevraagd om welke redenen u vindt dat uw status moet behouden worden, gaf u aan spijt te hebben, te denken dat u fout heeft gedaan en VII-43.195-4/10 het zich te betreuren. Sindsdien hebt u geen ander risico genomen, zo zei u. U bent heden betrokken bij uw garage, bent een succesvolle mecanicien en hebt een goeie reputatie in de wijk waar u woont […]. Gewezen op het feit dat u reeds verschillende keren werd veroordeeld en gevraagd om welke reden u denkt dat u in de toekomst geen nieuwe veroordelingen meer zal oplopen, antwoordde u dat het vijf of zes jaar geleden is voorgevallen. Nadien bent u voor de garage gaan werken en hebt u uw leven op een positieve manier veranderd. U hebt naar uw broer geluisterd, en daardoor is dat incident gebeurd. Momenteel hebt u uw eigen garage en sindsdien zijn er geen andere incidenten gebeurd […]. Het valt hierbij echter op dat u de schuld voor de feiten van onteerbare behandeling en opzettelijke slagen in augustus 2018 opnieuw bij uw broer legt, en niet dieper ingaat op de verschillende veroordelingen die u nadien nog heeft opgelopen (zie supra). Uit het loutere feit dat u heden een eigen zaak hebt en goed werk zou leveren, kan echter niet afgeleid worden dat u geen gevaar voor de samenleving meer zou vormen. Bovendien liggen er, behalve het meldingsverslag van het justitiehuis van 2021 (zie supra), geen concrete bewijsstukken neer van individuele begeleiding, therapie of rehabilitatie, alsook welk effect dit zou hebben gehad op uw agressieve en immorele ingesteldheid, gebrek aan normbesef, sociale vaardigheden en weerbaarheid, alsook gebrek aan respect voor de fysieke en psychische integriteit van anderen (zie supra).’ Inzake de door verzoekende partij bijgebrachte documenten wordt in de bestreden beslissing nog dienstig het volgende gesteld: ‘De documenten die u in het kader van onderhavige procedure neerlegde kunnen bovenstaande appreciatie voorts niet ombuigen. De stukken aangaande uw werk, opleiding, nationaliteitsaanvraag, inburgering en personenbelasting bevestigen immers enkel uw studies, werk, alsook het gegeven dat u een nationaliteitsaanvraag heeft gedaan en inburgeringsattest heeft behaald […], maar hieruit kan op generlei wijze blijken dat u momenteel geen gevaar meer zou vormen voor de samenleving. Hetzelfde geldt voor de brief van uw ex- werkgever en de businesskaart van uw garage […], waarbij nog kan opgemerkt worden dat de getuigenis van uw ex-werkgever dateert van 2021 en dus evenmin een recent document betreft. Verder voegde uw advocaat nog een vonnis toe van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 19 februari 2024 waarin u terug rij-geschikt werd verklaard. Zoals uw advocaat aangaf […] was de rij- ongeschiktheid u eerder opgelegd bij een vonnis van 13 maart 2023 waarvan tevens een kopie werd toegevoegd aan uw administratief dossier […]. Naast de vier bovenvermelde veroordelingen in eerste aanleg (meer bepaald in 2018, 2019, 2020 en 2022) liep u aldus ook nog een vijfde veroordeling door de politierechtbank op in 2023, en dit vanwege gebruik van alcoholische en verdovende middelen achter het stuur […]. Hieruit blijkt met andere woorden nogmaals een gebrek aan respect voor mens en maatschappij, de staat van wettelijke herhaling, alsook een gebrek aan respect voor wetten en regels en zich te willen handhaven binnen een maatschappij. Het bijkomstige vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 31 januari 2022 en de bijhorende pv’s van de terechtzittingen […], werpen hier evenmin een ander licht op. Zo valt hierin te lezen dat u de voorwaarden zoals opgelegd in het arrest van het Hof van beroep te Gent (d.d. 30/10/2019) niet had nageleefd, en dat de probatie- commissie destijds vroeg om uw probatie-uitstel te herroepen. Pas tijdens de desbetreffende procedure bleek dat u zich uiteindelijk wel inzette om een individuele psychologische begeleiding te vinden, waardoor het uitstel niet herroepen werd, maar werd er ook op gewezen dat uit de behandeling van de zaak een drugsbegeleiding eveneens nuttig bleek […]. Bijgevolg werden u nieuwe voorwaarden opgelegd, waaronder geen strafbare feiten pleiten en u ambulant laten begeleiden voor uw drugproblematiek, en dit zo ver mogelijk in het kader van een begeleiding waarin eveneens wordt ingezet op sociale vaardigheden en impulscontrole […]. Hierbij kan echter worden herhaald dat u na dit vonnis nog rij-ongeschikt werd verklaard door de VII-43.195-5/10 politierechtbank in het vonnis van 13 maart 2023 (zie supra), en aldus weer een voorwaarde schond. Verder valt het op dat in het meldingsverslag van het justitiehuis in Kortrijk (d.d. 13 april 2021) genoteerd werd dat u, in het kader van een introductiegesprek voor de vormingsmodule ‘omgaan met agressie’, pertinent weigerde om nog over de feiten (zijnde de onterende behandeling en opzettelijke slagen) te spreken. Ook benadrukte u dat u geen nood had aan een vorming en zei u dat u niet meer op uitnodigingen zou ingaan. Toen u hierna nogmaals uitvoerig uitgelegd werd waarom u naar de vorming doorverwezen werd en waarom de rechter u deze probatievoorwaarde had opgelegd, bleef u herhalen dat uw aandeel in de feiten ‘beperkt’ was en dat in tegenstelling tot uzelf vooral uw broers en schoonbroer gebaat konden zijn met een vorming of therapie. U bleef erbij dat u niet langer over de feiten wilde praten en vroeg de probatiecommissie zelfs om deze voorwaarde op te schorten. De probatiecommissie ging hier echter niet op in, en stelde zelfs dat binnen de vorming ook moest worden stilgestaan bij sociale vaardigheden en zelfs moet worden uitgebreid om uw weerbaarheid tegenover de negatieve invloed van uw broer(s) te verbeteren. Hierop beloofde u deze inspanning wel degelijk te zullen leveren en een vorming te zullen doorlopen, maar bleek opnieuw dat u er niet in slaagde om uw goede intenties aan te houden. Na drie ongewettigde afwezigheden werd de vorming voortijdig negatief afgerond […].” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt zelf nog: “Uit de lezing van het verzoekschrift blijkt weliswaar dat verzoekende partij het niet eens is met de motieven van de bestreden beslissing, doch slaagt zij er geenszins in een ander licht te werpen op voorgaande terechte en pertinente vaststellingen waaruit blijkt dat het misdrijf waartoe verzoekende partij werd veroordeeld wel degelijk een bijzonder ernstig misdrijf betreft alsook dat verzoekende partij een gevaar vormt voor de samenleving. Met de loutere bemerking dat zij voor de feiten gepleegd op 5 en 6 augustus 2018 tot een mildere straf veroordeeld werd dan de andere beklaagden wordt op generlei wijze afbreuk gedaan aan het gegeven dat de door haar gepleegde feiten die geleid hebben tot haar veroordeling, gelet op hun aard en ernst, een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ betreffen. Uit de hierboven gedane vaststellingen blijkt wel degelijk dat verzoekende partij definitief veroordeeld werd voor een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ in de zin dat het een misdrijf betreft dat de rechtsorde van de samenleving het meest aantast. Daarnaast lijkt verzoekende partij te menen dat uit de in de bestreden beslissing opgesomde veroordelingen niet afgeleid kan worden dat zij actueel een gevaar vormt voor de samenleving, nu alle feiten waarvoor zij veroordeeld werd zich hebben voorgedaan binnen een tijdsbestek van twee jaar, ondertussen vijf jaar geleden. Verzoekende partij benadrukt dat zij in de laatste vijf jaar geen nieuwe feiten heeft gepleegd, dat er thans geen sprake meer is van een alcohol- of drugsproblematiek en dat zij wel degelijk berouw, spijt en schuldinzicht toont. Tevens wijst zij op haar jonge leeftijd ten tijde van de feiten. De Raad benadrukt evenwel dat uit het persoonlijk handelen van verzoekende partij een volgehouden, voor de maatschappij gevaarlijke criminele ingesteldheid naar voren komt, waardoor het allerminst uit te sluiten valt dat zij dergelijk gedrag in de toekomst niet zal herhalen en er ontegensprekelijk een actueel, reëel en voldoende ernstig gevaar voor de samenleving kan worden vastgesteld. Verzoekende partij tracht de Raad ervan te overtuigen dat van een dergelijke criminele ingesteldheid niet langer sprake is en dat zij wel degelijk berouw, spijt en schuldinzicht heeft, doch dient benadrukt te worden dat zulks geenszins blijkt uit de verklaringen die zij aflegde tijdens haar persoonlijk onderhoud op het Commissariaat-generaal d.d. 3 april 2025, alwaar zij nog een behoorlijk andere, minimaliserende, voorstelling gaf VII-43.195-6/10 van de feiten zoals omschreven in het vonnis van 2018, zij zich niet uitte over haar effectieve schuld wat betreft de onterende behandeling en opzettelijke slagen, zij de schuld van haar veroordeling bij haar broer legde en geen enkel berouw of empathie naar het slachtoffer toonde. Haar gedragingen en verklaringen getuigen van een gebrek aan normbesef, een gebrek aan respect voor andermans fysieke en psychische integriteit en verzoekende partij geeft geen blijk van daadwerkelijk schuldinzicht, waardoor zij wel degelijk een actueel gevaar vormt voor de samenleving. De loutere blote bewering in het verzoekschrift dat zij spijt heeft impliceert verder op geen enkele wijze dat verzoekende partij in de toekomst niet opnieuw zal vervallen in crimineel gedrag. Ook het loutere gegeven dat zij een taalcursus Nederlands, een opleiding tot mecanicien volgde, en sinds februari 2023 zelfstandige in hoofdberoep is en samen met haar broer en neef een garage uitbaat, impliceert op geen enkele wijze dat zij in de toekomst niet opnieuw zal vervallen in crimineel gedrag. Ten slotte merkt verzoekende partij nog op dat de probatiebegeleiding volledig is afgerond en op een gunstige wijze werd beëindigd. Zij stelt dat zij de nieuwe probatievoorwaarden die op 31 januari 2022 werden opgelegd door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, ‘zonder enig probleem’ heeft gerespecteerd en haar probatiebegeleiding volledig en met succes heeft beëindigd, doch brengt zij hiervan geen enkel bewijs bij. Behalve het meldingsverslag van het justitiehuis in Kortrijk d.d. 13 april 2021, waarin erop werd gewezen dat de opgelegde agressiebegeleiding voortijdig werd stopgezet na drie ongewettigde afwezigheden en dat slechts vijf vormingsuren afgewerkt werden terwijl het volledige vormingsprogramma doorgaans tussen de 15 en 20 vormingsuren omvat […], liggen er evenmin concrete bewijsstukken voor van individuele begeleiding, therapie of rehabilitatie, alsook welk effect dit zou hebben gehad op haar agressieve en immorele ingesteldheid, gebrek aan normbesef, gebrek aan respect voor de fysieke en psychische integriteit van anderen, sociale vaardigheden en weerbaarheid.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk de door artikel 55/3/1, § 1, van de vreemdelingenwet en door het Hof van Justitie van de Europese Unie vereiste criteria in zijn beoordeling betrekt en concreet aangeeft waarom hij tot een actuele bedreiging van verzoeker voor de samenleving besluit, waarbij ook de elementen nà het vonnis tot veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf worden betrokken. Verzoeker toont dan ook geen schending aan van de voornoemde bepaling. In de mate dat verzoeker in wezen een andere feitelijke beoordeling van de voorhanden zijnde elementen voorstelt, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt.
  5. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel VII-43.195-7/10
  6. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt soeverein of essentiële elementen ontbreken waardoor hij zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen niet zou kunnen komen tot de bevestiging of de hervorming van de voor hem aangevochten beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. De Raad van State is niet bevoegd om deze beoordeling over te doen vermits hij als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Reeds in de beslissing van de commissaris-generaal wordt omstandig ingegaan op het meldingsverslag van het justitiehuis in Kortrijk van 13 april 2021, waarin erop werd gewezen dat de opgelegde agressiebegeleiding voortijdig werd stopgezet na drie ongewettigde afwezigheden en dat slechts vijf vormingsuren afgewerkt werden terwijl het volledige vormingsprogramma doorgaans tussen de 15 en 20 vormingsuren omvat. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt op zijn beurt nog dat verzoeker wel stelt dat hij de nieuwe probatievoorwaarden die op 31 januari 2022 werden opgelegd door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, “zonder enig probleem” heeft gerespecteerd en zijn probatiebegeleiding volledig en met succes heeft beëindigd, doch dat hij daarvan geen enkel bewijs bijbrengt. Dit doet geen afbreuk aan de overwegingen in het bestreden arrest dat verzoeker tijdens zijn persoonlijk onderhoud op het commissariaat- generaal op 3 april 2025 nog een behoorlijk andere, minimaliserende, voorstelling gaf van de feiten zoals omschreven in het vonnis van 2018, dat hij zich niet uitte over zijn effectieve schuld wat betreft de onterende behandeling en opzettelijke slagen, dat hij de schuld van zijn veroordeling bij zijn broer legde en geen enkel berouw of empathie naar het slachtoffer toonde, dat zijn gedragingen en verklaringen getuigen van een gebrek aan normbesef, een gebrek aan respect voor andermans fysieke en psychische integriteit en dat hij geen blijk geeft van daadwerkelijk schuldinzicht, waardoor hij wel degelijk een actueel gevaar vormt voor de samenleving. Verzoekers kritiek is gebaseerd op een onvolledige lezing van het bestreden arrest.
  7. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middel
  8. Artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden is niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied (zie EHRM (GK) VII-43.195-8/10 5 oktober 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK) 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008, Hussain/Roemenië; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België).
  9. Na te hebben benadrukt dat uit verzoekers persoonlijk handelen een volgehouden, voor de maatschappij gevaarlijke criminele ingesteldheid naar voren komt, waardoor het allerminst uit te sluiten valt dat hij dergelijk gedrag in de toekomst niet zal herhalen en er ontegensprekelijk een actueel, reëel en voldoende ernstig gevaar voor de samenleving kan worden vastgesteld, vervolgt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker “tracht de Raad ervan te overtuigen dat van een dergelijke criminele ingesteldheid niet langer sprake is en dat [hij] wel degelijk berouw, spijt en schuldinzicht heeft”. Anders dan verzoeker voorhoudt, betrekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dus wel degelijk verzoekers spijtbetuiging, die ook in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt vermeld, in zijn beoordeling. Verzoekers kritiek mist in die mate feitelijke grondslag.
  10. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  11. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  12. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. VII-43.195-9/10 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig mei tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.195-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.722 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.