id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.723 Rolnummer: A. 247755/VII-43212 Zaak: Cassatiebeschikking 16723 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 10 - laatst gezien 2026-06-18 15:00 Fiche Beschikking nr 16.723 van 21 mei 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.723 van 21 mei 2026 in de zaak A. 247.755/VII-43.212 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iftara Mohammad kantoor houdend te 9000 Gent Franklin Rooseveltlaan 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 maart 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 341.545 van 23 februari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 mei 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. VII-43.212-1/7
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering.
- Verzoeker verwijt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet “concreet op de aangehaalde middelen in te gaan”. Volgens hem is het “helemaal niet duidelijk of oorspronkelijke verweerder op zorgvuldige wijze heeft geoordeeld dat de strafrechtelijke feiten onder ‘zeer zware criminaliteit’ vallen” en werd er geen rekening mee gehouden dat “het gedrag van de betrokkene […] een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving [moet] zijn”. Wat betreft de schendingen van de artikelen 22 en 23 van de vreemdelingenwet die verzoeker met betrekking tot de eerste aanvankelijk bestreden beslissing heeft opgeworpen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, stelt deze laatste in het bestreden arrest dat de “[k]ernvraag is […] of uit de bestreden beslissing tot beëindiging van het verblijf blijkt dat de verweerder op zorgvuldige wijze heeft geoordeeld dat verzoekers strafrechtelijke feiten onder de norm ‘zeer zware criminaliteit’ vallen en dat zijn gedragingen een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging vormen voor ’s lands openbare orde en/of nationale veiligheid”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst naar de motieven uit de eerste aanvankelijk bestreden beslissing en citeert de daarin vervatte verantwoording om het verblijfsrecht met toepassing van artikel 22, § 1, 1°, van de vreemdelingenwet te beëindigen en overweegt vervolgens: “Met zijn loutere beweringen gevolgd door het naar voor schuiven van zijn eigen standpunt dat de verschillende laakbare feiten die hij heeft gepleegd wel laakbaar zijn, maar niettemin geen feiten van terrorisme of zware criminaliteit betreffen, toont de verzoeker niet aan dat de verweerder de voorliggende feiten, die blijken uit verzoekers verschillende veroordelingen, verkeerd zou hebben weergegeven of beoordeeld of dat er, op grond van de voorliggende elementen, niet in redelijkheid tot het besluit zou zijn gekomen dat de verzoeker een actueel en ernstig gevaar vormt voor de openbare orde omwille van feiten van zware criminaliteit derwijze dat de beëindiging van zijn verblijfsrecht noodzakelijk is. Ook de blote affirmatie dat de verzoeker verschillende documenten heeft neergelegd waaruit blijkt dat hij niet in aanmerking komt voor een beëindiging van het verblijfsrecht, volstaat niet om een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek aan te tonen. Uit de zeer uitvoerige motivering die in de eerste bestreden akte is opgenomen, blijkt dat de minister in rekening heeft genomen dat de verzoeker in België is geboren, dat hij VII-43.212-2/7 hier gevestigd is (K-kaart), dat zijn naaste familie in België verblijft, dat hij gehuwd is en 2 kinderen uit een vorig huwelijk heeft, dat hij uitgangsvergunningen heeft gekregen en deze momenteel correct uitvoert, dat hij een drugsverslaving heeft sinds zijn 17de, dat hij spijt heeft betuigd van zijn daden, dat hij een hartziekte en astma heeft en dat sinds twee jaar aan zichzelf werkt door het volgen van verschillende workshops in de gevangenis. De verzoeker toont geen schending van de voormelde beginselen van behoorlijk bestuur, noch van de artikelen 22 en/of 23 van de Vreemdelingenwet aan door louter op zeer beknopte wijze te verwijzen naar de voormelde elementen die door de minister reeds werden in rekening genomen bij haar zeer uitvoerig gemotiveerde besluit om verzoekers verblijfsrecht te beëindigen. Voorts blijkt niet dat de verzoeker, ter gelegenheid van het uitoefenen van zijn hoorrecht, heeft gemeld dat hij zelf slachtoffer was van intrafamiliaal geweld. De verzoeker beperkt zich terzake bovendien tot loutere beweringen die hoe dan ook niet volstaan om een ander licht te werpen op de gedegen gemotiveerde beoordeling die de minister in de eerste bestreden akte heeft doorgevoerd. De verzoeker toont met zijn loutere bewering niet meer onder invloed te zijn en dat hij momenteel anders in het leven staat voorts niet aan dat de minister op verkeerde feitelijke gronden heeft geoordeeld dat er ‘geen enkel stuk (werd) voorgelegd waaruit blijkt dat de problematieken waarmee u al jaren kampt (drugsverslaving en agressie) intussen afdoende behandeld werden en niet langer spelen’. Het formuleren van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de eerste bestreden beslissing op een onzorgvuldige of onredelijke wijze tot stand is gekomen (cf. RvS 15 januari 2021, nr. 249.498). De Raad stelt vast dat de vaststellingen van de verweerder steun vinden in de stukken van het administratief dossier en dat zij naar recht en redelijkheid verantwoorden dat verzoekers verblijfsrecht met toepassing van artikel 22, §1, 1°, van de Vreemdelingenwet wordt beëindigd. Een schending van de materiële motiveringsplicht, van het redelijkheidsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel of van artikel 22 en/of 23 van de Vreemdelingenwet wordt niet aannemelijk gemaakt.” Aangaande de door verzoeker opgeworpen schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) motiveert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer dat “het EHRM […] in vaste rechtspraak [stelt] dat het aan de verzoeker toekomt om een begin van bewijs te leveren van zwaarwegende gronden die aannemelijk maken dat hij bij verwijdering naar het land van bestemming zal worden blootgesteld aan een reëel risico op onmenselijke behandeling”. In het voor hem voorliggende geval overweegt hij concreet: “In casu kan de Raad enkel vaststellen dat de verzoeker zich beperkt tot de loutere en vage bewering dat hij, met zijn gezondheidstoestand en mentale problematiek (ten gevolge van zijn drugsverleden en zijn voorgehouden zware jeugd), bij verwijdering in ‘erbarmelijke’ omstandigheden zal terechtkomen. De verzoeker licht niet toe wat hij precies bedoelt met de niet nader omschreven ‘erbarmelijke’ omstandigheden, noch licht hij toe op welke wijze zijn gezondheidstoestand (al dan niet zijn mentale gezondheid) hem, gelet op de door artikel 3 van het EVRM geboden bescherming, niet VII-43.212-3/7 toe zou laten terug te keren naar zijn land van herkomst. De verzoeker legt voorts geen enkel begin van bewijs voor van zijn beweerde mentale problematiek. De verzoeker maakt aldus niet concreet aannemelijk dat hij, bij terugkeer naar zijn land van herkomst, een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling. Het loutere feit dat de verzoeker het in het land van herkomst minder goed zou hebben dan in België en de loutere bewering dat hij er in erbarmelijke omstandigheden zal terecht komen, volstaat niet om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te tonen. Ten overvloede wijst de Raad erop dat de verzoeker met zijn vage kritiek de volgende concrete vaststellingen in de eerste bestreden akte niet ontkracht: ‘U gaf aan medische problemen te hebben die u belemmeren om terug te keren naar Marokko. U gaf aan astma te hebben, een hartaandoening te hebben en een pacemaker te dragen. U gaf op 03.10.2024 uw medisch dossier door. Uw medisch dossier werd voorgelegd aan de arts- adviseur van de Dienst Vreemdelingenzaken. Uit de informatie verstrekt door de arts- adviseur blijkt dat de behandeling die u momenteel ondergaat, beschikbaar en toegankelijk is in Marokko. Dit medisch advies zal u, samen met de huidige beslissing, in een gesloten enveloppe worden overhandigd. Uit geen enkel voorliggend stuk blijkt dat u in Marokko zou worden onderworpen aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM.’ Een schending van artikel 3 van het EVRM is niet aangetoond.” Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt uit het voorgaande dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk heeft geantwoord op het door hem geformuleerde middel. Met zijn kritiek toont verzoeker niet aan dat de voormelde motivering niet zou volstaan in het licht van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Waar hij aanvoert dat “[i]n het bestreden arrest […] verkeerdelijk [wordt] gesteld dat het aan verzoeker is om bewijs naar voren te brengen van de erbarmelijke omstandigheden in Marokko”, heeft zijn kritiek geen uitstaans met de jurisdictionele motiveringsplicht. In de mate dat verzoeker een nieuwe beoordeling van de zaak zelf wenst, behoort dit niet tot de bevoegdheid van de Raad van State als cassatierechter.
- In zoverre verzoeker de schending aanvoert van de artikelen 22 en 23 van de vreemdelingenwet en artikel 3 van het EVRM, zet hij niet uiteen, minstens niet anders dan met zijn reeds ongegrond bevonden kritiek, op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Volgens verzoeker “is helemaal niet duidelijk waarom er sprake zou zijn van ‘nieuwe’ middelen in de synthesememorie waardoor deze niet ontvankelijk zouden VII-43.212-4/7 zijn”. Daarmee gaat hij echter voorbij aan de concrete motivering die punt 4.1.1.
- van het bestreden arrest dienaangaande bevat. Na te hebben verduidelijkt wat moet worden begrepen als een nieuw middel, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker zijn “mogelijkheid tot repliek te buiten[gaat] waar hij een aantal kritieken formuleert op een door hemzelf voorgehouden verweerelement dat in werkelijkheid niet in de nota met opmerkingen wordt opgeworpen” en geeft hij die verweerelementen ook weer. Hij citeert tevens de feitelijke kritiek die verzoeker voor het eerst in zijn synthesememorie opwerpt en stelt vast dat “verzoeker [hiervan] in het verzoekschrift geen melding [heeft] gemaakt ter ondersteuning van het enig middel gericht tegen de eerste bestreden akte”, dat “niet [valt] in te zien waarom de verzoeker dit niet kon hebben gedaan, te meer omdat een deels gelijkaardige kritiek wel werd opgenomen in het middel gericht tegen de tweede bestreden akte” en dat verzoekers advocaat “ter terechtzitting […] hieromtrent geen opmerkingen [formuleert]”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concludeert dat “verzoeker derhalve niet aan[toont] dat de grondslag van deze middelen niet reeds bestond op het ogenblik dat hij het verzoekschrift tot nietigverklaring heeft ingediend. In zoverre in de synthesememorie voor het eerste de bovenstaande feitelijke uiteenzettingen worden aangehaald, al dan niet geformuleerd als een repliek op een onbestaand verweerelement, is het enige middel laattijdig en onontvankelijk”. Verzoeker toont met zijn kritiek geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Voor zover hij het niet eens is met de gemaakte beoordeling, dient te worden benadrukt dat de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Aangezien verzoeker de betreffende motivering uit het bestreden arrest niet weerlegt, toont hij evenmin een schending aan van artikel 39/81 van de vreemdelingenwet.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middel
- Verzoeker hekelt de vaststelling in het bestreden arrest dat hij “verzuimt om op duidelijke wijze uiteen te zetten hoe […] het legaliteitsbeginsel […] door de tweede bestreden beslissing [is] geschonden”, doch toont de onwettigheid van deze vaststelling niet aan. Hij citeert een paragraaf uit zijn verzoekschrift en synthesememorie en legt nadruk op zijn bewering dat de “verwerende partij […] verzoeker bijkomend [lijkt] te willen straffen”. Hij brengt dit echter niet in verband met het legaliteitsbeginsel in strafzaken en zet niet uiteen waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de door verzoeker VII-43.212-5/7 aangehaalde paragraaf een duidelijke uiteenzetting van de opgeworpen schending ervan had moeten lezen. Verzoeker toont op die manier geen schending aan van de door hem ingeroepen bepalingen.
- Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Vierde middel
- Verzoeker beperkt zich tot het louter herhalen van zijn kritiek op de tweede aanvankelijk bestreden beslissing zonder in te gaan op de desbetreffende motieven die het bestreden arrest wel degelijk bevat, zodat deze kritiek niet is gericht tegen het bestreden arrest en derhalve niet ontvankelijk is.
- Het vierde middel is kennelijk niet ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.212-6/7 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenentwintig mei tweeduizend zesentwintig, door: Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De staatsraad Bryan Geerts Frédéric Vanneste VII-43.212-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div