id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.724 Rolnummer: A. 246905/VII-43126 Zaak: Cassatiebeschikking 16724 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 12 - laatst gezien 2026-06-18 15:21 Fiche Beschikking nr 16.724 van 22 mei 2026 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.724 van 22 mei 2026 in de zaak A. 246.905/VII-43.126 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 december 2025, strekt tot de cassatie van arrest nr. 337.395 van 9 december 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 februari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Met betrekking tot verzoekers beschermingsstatus en verblijfsstatuut in Griekenland overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie, namelijk Griekenland. Hij verkreeg er de vluchtelingenstatus en werd in het bezit gesteld van Griekse verblijfsdocumenten, waarvan de Griekse verblijfsvergunning (ADET) geldig is tot 29 juni 2026 […]. Dit lijkt in overeenstemming te zijn met de landeninformatie waaruit VII-43.126-1/7 blijkt dat erkende vluchtelingen in Griekenland een verblijfsrecht krijgen voor drie jaar met mogelijke verlenging (‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ d.d. september 2024, p. 13; ‘Country Report: Greece. Update 2023’, p. 243) en met het gegeven dat uit de stukken blijkt dat verzoeker op 30 juni 2023 de vluchtelingenstatus werd toegekend. Verzoeker brengt geen elementen aan waaruit blijkt dat hij actueel niet meer over een beschermingsstatus zou beschikken. Hij brengt geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bij die aantonen dat er sprake zou zijn van een intrekking of opheffing van de hem verleende status, noch bevat het administratief dossier enige concrete aanwijzing in die zin. De Raad verwijst hierbij naar het vigerende EU-acquis, meer bepaald de Kwalificatierichtlijn, waaruit blijkt dat de verleende beschermingsstatus onverkort blijft gelden zolang er een nood is aan bescherming en slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd (cf. de artikelen 11, 14, 16 en 19 van de Kwalificatierichtlijn). De bewijslast met betrekking tot de eerder verleende internationale bescherming(sstatus) in toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° berust bij de commissaris-generaal, doch eens hieraan is voldaan, komt het aan de verzoeker die de actualiteit of effectiviteit van deze bescherming ter discussie stelt, persoonlijk toe om aan te tonen dat hij niet (meer) op deze bescherming kan rekenen. Het komt aldus aan verzoeker zelf en niet aan de commissaris-generaal toe om het bewijs te leveren dat hij in Griekenland niet langer internationale bescherming geniet. Verzoeker blijft hier echter in gebreke. Bijgevolg wordt in casu vermoed dat verzoeker geen nood heeft aan internationale bescherming in België, precies omdat hij reeds internationale bescherming geniet in een ander land, met name Griekenland. Om deze reden werd verzoekers beschermingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de Vreemdelingenwet. Deze bepaling vormt de omzetting naar Belgisch recht van het wederzijds vertrouwensbeginsel, vervat in artikel 33, lid 2, a), van de richtlijn 2013/32/EU. Dit wederzijds vertrouwensbeginsel betreft evenwel een weerlegbaar vermoeden. […] De Raad benadrukt dat verzoeker bevestigde in het bezit te zijn van een AMKA […]. In zoverre hij in zijn aanvullende nota’s de moeilijkheden weergeeft om een actieve AMKA te bekomen zonder bewijs van verblijf en tewerkstelling, wijst de Raad erop dat verzoeker niet aantoont dat het voor hem niet mogelijk zou zijn om te werken en huisvesting te zoeken in afwachting van het activeren van zijn AMKA. Volledigheidshalve wijst de Raad erop dat uit de beschikbare landeninformatie, die zich in het rechtsplegingsdossier bevindt en waarop de Raad vermag acht te slaan, blijkt dat zelfs in afwachting van de activatie van de AMKA verzoeker alleszins niet verstoken zal zijn van toegang tot gezondheidszorg, met name spoedeisende hulp en medicatie (gratis of tegen een kleine vergoeding), op voorwaarde dat hij naar een openbaar ziekenhuis of medisch centrum gaat (zie ‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’, september 2024, p. 49- 50, met ook verwijzing naar UNHCR Greece, Living In Greece Access to healthcare). NGO’s beheren ook medische centra en poliklinieken die verschillende medische diensten aanbieden aan statushouders. Daarnaast hebben veel gemeenten medische centra waar statushouders en asielzoekers, ook degenen zonder AMKA, gebruik van kunnen maken (‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’, september 2024, p.50). […] De Raad stipt aan dat verzoeker een zevenentwintig jarige man is, wiens ADET op heden nog steeds geldig is, met name tot 29 juni
- Verzoeker heeft, zoals gezegd, een AMKA. De commissaris-generaal wijst er in zijn beslissing ook terecht op dat blijkens objectieve informatie personen die na 31 december 2020 een verzoek om internationale bescherming indienen, zoals verzoeker in casu, automatisch een AFM krijgen wanneer zij hun kaart als verzoeker om internationale bescherming ontvangen VII-43.126-2/7 (RSA-rapport, maart 2025, p. 20; ‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’, september 2024, p. 19-20: ‘Statushouders die in of na december 2020 een aanvraag hebben ingediend, zouden in principe dus een AFM moeten hebben.’). De Raad benadrukt hierbij dat het fiscaal registratienummer toegang geeft tot de arbeidsmarkt, het openen van een bankrekening en het huren van een woning (‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’, september 2024, p. 19). Uit objectieve informatie blijkt dat deze AFM geldig blijft zolang de verblijfsvergunning (ADET) ook geldig is. Als de ADET verloopt, wordt het AFM gedeactiveerd totdat de ADET wordt verlengd (RSA- rapport, maart 2025, p. 21: ‘the AFM is automatically deactivated upon the expiry of the residence permit and cannot be used until the ADET is renewed’). Het is de geldigheid van de verblijfsvergunning die belangrijk is, niet het al dan niet kwijt zijn van de gedrukte verblijfsvergunning. Aangezien verzoekers verblijfsvergunning niet verloopt voor 29 juni 2026, is zijn AFM dus ook geldig tot die datum. Verzoeker heeft derhalve wel degelijk automatisch een AFM gekregen en hoeft, in tegenstelling tot zij die voor 31 december 2020 geen AFM hebben bekomen, geen adresbewijs te voorzien om een AFM te bekomen. Waar verzoeker wijst op de activatie van de AFM bij de toekomstige taxatiedienst, wijst de Raad erop dat verzoekers ADET nog steeds geldig is, zodat het voor verzoeker in geval van terugkeer naar Griekenland derhalve nog steeds mogelijk om een afspraak maken met het bevoegde belastingkantoor (DOY), om zijn persoonlijke gegevens te actualiseren. Personen die automatisch een AFM kregen bij de indiening van het verzoek om internationale bescherming, quod in casu, en vervolgens internationale bescherming en een ADET hebben verkregen, kunnen geen TAXISnet codes, die noodzakelijk zijn voor transacties met AADE en andere publieke diensten, aanmaken zonder voorafgaandelijk hun gegevens te hebben geactualiseerd bij het belastingkantoor. Aanvragen voor TAXISnet codes moeten online gebeuren via het AADE platform dat enkel beschikbaar is in Grieks. Na de aanvraag wordt een afspraak gemaakt met het bevoegde belastingkantoor om de TAXISnet codes te ontvangen. In de mate verzoeker aanklaagt dat de te doorlopen procedures om onder meer een duplicaat te verkrijgen en om voormelde TAXISnet codes aan te maken, niet gesteld zijn in een taal die door hem gesproken wordt, bemerkt de Raad dat dit op zich geen belemmering vormt om de procedure te doorlopen. Van verzoeker, die in Griekenland internationale bescherming heeft verkregen, mag verwacht worden dat hij, indien nodig, hulp inschakelt om administratieve stappen te begrijpen en correct te doorlopen. Verzoeker kan daarbij gebruikmaken van een vertaalapp, een tolk of een boekhouder zoals ook wordt aangeraden in de ‘Information Guide for Beneficiaries of International Protection’ (zie voetnoot 81 in het ‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ van september 2024). Deze vormen van ondersteuning zijn vlot toegankelijk en bieden voldoende hulp om de nodige procedures te volgen, zelfs als die niet in zijn eigen taal beschikbaar zijn. Hij kan in zijn aanvullende nota niet dienstig verwijzen naar de algemene informatie betreffende de moeilijkheden bij het hernieuwen en verlengen van Griekse verblijfsdocumenten of het verkrijgen ervan bij een terugkeer naar Griekenland aangezien zijn verblijfsvergunning nog geldig is. […] […] Alles samengenomen is de Raad van oordeel dat verzoeker geen elementen heeft aangebracht waaruit blijkt dat van hem niet redelijkerwijs zou kunnen worden verwacht dat hij zich beroept op de beschermingsstatus die hem in Griekenland reeds werd toegekend. Het vermoeden dat zijn grondrechten als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zullen worden geëerbiedigd, wordt niet weerlegd. Er worden geen feiten of elementen aangetoond die de toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet op de specifieke omstandigheden van verzoeker verhinderen. Zijn verzoek om internationale VII-43.126-3/7 bescherming dient dan ook op basis van deze rechtsgrond niet-ontvankelijk te worden verklaard.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoeker voorhoudt, zijn onderzoek niet beperkt tot de vaststelling dat verzoeker op 30 juni 2023 in Griekenland werd erkend als vluchteling. Hij overweegt dat verzoeker beschikt over een verblijfsvergunning, geldig tot 29 juni 2026, hetgeen verzoeker niet betwist, dat verzoeker geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bijbrengt die aantonen dat zijn status in Griekenland is ingetrokken of opgeheven en het administratief dossier evenmin concrete aanwijzingen in die zin bevat. Verder in het bestreden arrest, waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de algemene situatie voor begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland bespreekt, wordt onder andere nog vastgesteld dat voor asielzoekers sinds 31 december 2020 automatisch een fiscaal registratienummer (AFM) wordt aangemaakt bij hun beschermingsverzoek, dat dit fiscaal registratienummer (het openen van) een bankrekening, de huur van onroerende goederen en het verkrijgen van een sociale zekerheidsnummer (AMKA), dat toegang verleent tot de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt, mogelijk maakt en dat het fiscaal registratienummer en het sociale zekerheidsnummer volgens de beschikbare informatie automatisch worden gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt. Ten slotte stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoeker heeft bevestigd in het bezit te zijn van een AMKA.
- Op grond van de voormelde elementen acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bewezen dat verzoeker nog steeds internationale bescherming geniet in Griekenland. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve zonder schending van artikel 57/6, § 3, 3°, van de vreemdelingenwet oordelen dat het vervolgens aan verzoeker toevalt het bewijs te leveren dat hij geen of geen effectieve internationale bescherming meer geniet in Griekenland. In de mate dat verzoeker een andere beoordeling voorstelt van de voorhanden zijnde elementen, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. VII-43.126-4/7
- Volgens verzoeker stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de erkenning als vluchteling in Griekenland gelijk met het bestaan van “actuele en effectieve bescherming”, om vervolgens de bewijslast van het tegendeel bij verzoeker te leggen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 4.2.
- van het bestreden arrest omstandig in op “de algemene situatie voor begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland”, waarbij hij met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland, (hierna: arrest Ibrahim) besluit dat de beschikbare landeninformatie “op zichzelf niet [volstaat] om zonder meer te concluderen dat de bescherming die wordt geboden aan iedereen die daar internationale bescherming heeft verkregen, niet langer effectief of voldoende zou zijn, noch dat alle statushouders bij een terugkeer naar Griekenland zullen terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie er gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden” en dat “[e]en individuele beoordeling […] dus aan de orde [blijft]”. In punt 4.2.
- en verder van het bestreden arrest onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens de concrete persoonlijke situatie van verzoeker. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zowel met algemene landeninformatie als met verzoekers individuele situatie rekening gehouden. Verzoeker wijst op de vereisten van een individueel en actueel onderzoek en een effectief rechtsmiddel, maar hij beperkt zich daarbij tot algemene opmerkingen, zonder in het licht van de concrete motieven van het bestreden arrest aannemelijk te maken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalde elementen op onwettige wijze buiten beschouwing zou hebben gelaten of bepaalde kritiek niet of onvoldoende zou hebben beantwoord.
- Met zijn algemene kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “de unierechtelijke maatstaf [miskent] en […] een niet-voorziene voorwaarde [introduceert] die het beschermingsniveau van artikel 4 Handvest uitholt” door “in de praktijk (i) een bijkomende eis van ‘uitputting’ van alle mogelijke stappen/voorzieningen te hanteren en (ii) de beoordeling te laten kantelen op moraliserende elementen zoals de beweerde ‘gebrekkige inspanning’ of de keuze om Griekenland te verlaten”, gaat verzoeker voorbij aan de omstandige beoordeling van zijn persoonlijke situatie in punt 4.2.
- en verder van het bestreden arrest. Hij toont op die manier geen schending aan VII-43.126-5/7 van de bepalingen waarop hij zich beroept. Op basis van de omstandige beoordeling van verzoekers persoonlijke situatie concludeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 4.2.
- van het bestreden arrest dat hij “[a]lles samengenomen […] van oordeel [is] dat verzoeker geen elementen heeft aangebracht waaruit blijkt dat van hem niet redelijkerwijs zou kunnen worden verwacht dat hij zich beroept op de beschermingsstatus die hem in Griekenland reeds werd toegekend” en dat “[h]et vermoeden dat zijn grondrechten als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zullen worden geëerbiedigd, […] niet [wordt] weerlegd”.
- Verzoeker haalt nog aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest “de beoordeling [laat] afhangen van morele appreciaties over de keuze om Griekenland te verlaten en het (niet) deelnemen aan programma’s zoals HELIOS”. Ook met deze kritiek gaat verzoeker voorbij aan de omstandige beoordeling van zijn persoonlijke situatie in het bestreden arrest. Hij toont niet aan welke omstandigheden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze buiten beschouwing zou hebben gelaten noch op welke aangevoerde elementen niet zou zijn geantwoord in strijd met artikel 149 van de Grondwet. Evenmin toont hij op die wijze een schending aan van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden of van het daarmee inhoudelijk overeenstemmende artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In de mate dat verzoeker het niet eens is met de door de eerste rechter gemaakte feitelijke beoordeling, dient te worden herhaald dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling treedt van de zaak zelf. Hetzelfde geldt voor verzoekers algemene kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn bezwaren omtrent de redelijke beslissingstermijn “zonder meer naast zich [neerlegt] met de loutere kwalificatie ‘termijn van orde’, zonder zich te vergewissen of de procedure in haar geheel nog beantwoordt aan het Unierechtelijke vereiste van doeltreffendheid en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”. Bovendien stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 4.
- van het bestreden arrest onder meer dat verzoeker “niet [kan] voorhouden te zijn benadeeld door de langere duur van de procedure nu hij hierdoor langer bescherming genoot tegen de beweerde vervolging en aanvullende stukken kon verzamelen ter staving van zijn relaas”.
- In zoverre verzoeker een schending aanvoert van een of meerdere bepalingen van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de VII-43.126-6/7 internationale bescherming’ voert verzoeker niet aan dat deze richtlijn niet of niet correct zou zijn omgezet, zodat hij zich bij gebrek aan rechtstreekse werking niet kan beroepen op de voornoemde richtlijnbepaling om te besluiten tot de onwettigheid van het bestreden arrest.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig mei tweeduizend zesentwintig, door: Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De staatsraad Bryan Geerts Frédéric Vanneste VII-43.126-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.724 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div