id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Tribunal du travail francophone de Bruxelles Jugement/arrêt du 04 décembre 2007 No ECLI: ECLI:BE:TTBRL:2007:JUG.20071204.16 No Rôle: 8237/05 Domaine juridique: Droit du travail Date d'introduction: 2008-10-06 Consultations: 112 - dernière vue 2026-07-02 16:26 Fiche Thésaurus UTU: DROIT SOCIAL DROIT SOCIAL - TRAVAIL DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Bien-être du travailleur DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Bien-être du travailleur - Violence, harcèlement moral / sexuel Bases légales: Loi - 04-08-1996 - 32undecies Loi - 04-08-1996 - 32tredecies Texte de la décision ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL 2 de kamer - openbare zitting van 4 december 2007 VONNIS A.R. nr. 8237/05 arbeidsovereenkomst - bediende tegensprekelijk vonnis Rép. nr 07/21410 IN DE ZAAK : De heer A, eisende partij op hoofdvordering, verwerende partij op tegenvordering, TEGEN : De B, waarvan de maatschappelijke zetel verwerende partij op hoofdvordering, eisende partij op tegenvordering, Gelet op de gedinginleidende dagvaarding betekend op 11 mei 2005 door het ambt van Gerechtsdeurwaarder VVVV met standplaats te BRUSSEL; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Overwegende dat de poging tot minnelijke schikking overeenkomstig art. 734 G.W. verricht werd, maar tot geen resultaat heeft geleid; Gelet op de conclusie en syntheseconclusie voor eisende partij; Gelet op de conclusie, aanvullende conclusie en syntheseconclusie voor verwerende partij; Gelet op de bundels van beide partijen; Gelet op de beschikking overeenkomstig art. 747 par. 2 van het gerechtelijk wetboek waarbij de zaak werd vastgesteld voor pleidooien op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2007; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2007; Gelet op het schriftelijk advies van mevrouw Nathalie Van den Brande, substituut arbeidsauditeur, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 24 oktober 2007; Gelet op het feit dat partijen niet hebben gerepliceerd binnen de daartoe gestelde termijn, zodat de zaak in beraad werd genomen op 6 november 2007; de vordering : De hoofdeis strekt ertoe verwerende partij te horen veroordelen tot betaling aan eisende partij van : - 10.311,29 euro bruto ten titel van saldo van opzeggingsvergoeding; - 274,28 euro saldo opzeggingsvergoeding; - 42,07 euro vakantiegeld; - 24.236,27 euro beschermingsvergoeding overeenkomstig art. 32 tredecies van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenste seksuele gedrag op het werk; te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten sedert 17 mei 2004; De eis strekt er tevens toe verweerster te horen veroordelen tot afgifte van de sociale en fiscale documenten binnen de maand na de betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 25,00 euro per dag en per ontbrekend document, met uitzondering van de fiscale fiche 281.10, het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder borgstelling noch mogelijkheid tot kantonnement, en verweerster te horen veroordelen tot de kosten van het geding. De tegeneis strekt ertoe de heer A te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 25.000,00 euro wegens misbruik van klachtrecht te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf het instellen van de eis, en hem te horen veroordelen tot de kosten van het geding. de feiten : Eiser trad in dienst van verweerster op 1 mei 2000 in de functie van communicatiemanager, krachtens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur gesloten tussen partijen op 24 februari
- Op 22 april 2004 diende eiser bij Y, de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, een formele klacht in betreffende pesterijen op het werk lastens de algemeen directeur van verweerster, de heer C. Bij aangetekend schrijven van 26 april 2004 werd de werkgever op de hoogte gebracht van deze klacht door mevrouw D, psychosociaal preventieadviseur. Op 17 mei 2004 zegde verweerster de arbeidsovereenkomst van eiser op in volgende bewoordingen: "met dit schrijven melden wij onze beslissing om vanaf 17 mei 2004 om 8:00 uw arbeidsovereenkomst te verbreken. Aangezien wij besloten hebben de afdeling marketing en communicatie uit te besteden aan externe firma's, bent u volledig ten opzichte van ons vrijgesteld van elke prestatie. Een verbrekingsvergoeding overeenkomstig de wettelijke bepalingen zal worden uitbetaald. Wij storten dit bedrag en zenden uw eindafrekening evenals de individuele documenten binnen de wettelijke termijnen." Het eindrapport met de bevindingen van de preventieadviseur dateert van 16 juli
- ten gronde : I. DE HOOFDEIS :
- De opzeggingstermijn: Eiser maakt aanspraak op een bijkomende opzeggingstermijn van twee maanden. Er werd hem een opzeggingsvergoeding uitbetaald van 17.964,36 euro, overeenstemmend met een opzeggingstermijn van 5 maanden. Eiser meent dat hij op grond van zijn leeftijd (43 jaar), functie en anciënniteit (4 jaar) aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 7 maanden loon. Bij ontstentenis van akkoord tussen partijen m.b.t. de te geven opzeggingstermijn voor een bediende met een basisjaarloon hoger dan de grens bepaald bij art. 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet, dient de rechtbank deze termijn te bepalen rekening houdend met de op het tijdstip van de kennisgeving van de opzegging voor de bediende bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden, rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd en de belangrijkheid van zijn functie en van het bedrag van zijn loon, dit volgens de gegevens eigen aan de zaak. Rekening houdend met al deze elementen meent de rechtbank dat een opzeggingstermijn gelijk aan 5 maanden gepast voorkomt.
- Het bedrag van de opzeggingsvergoeding: Eiser ontving maandelijks een onkostenvergoeding ten bedrage van 148,74 euro. Hij meent dat deze vergoeding als loon moet worden opgenomen in de berekeningsbasis voor de opzeggingsvergoeding. Hij meent dat ook 40 euro moet worden opgenomen als jaarlijks geschenk. De rechtbank stelt vast dat uit stuk 6 van eiser niet blijkt dat de werknemers recht hadden op een jaarlijks geschenk ter waarde van 40 euro. Dit kan dan ook niet worden opgenomen in de berekeningsbasis. De onkostenvergoeding is door partijen altijd als een onkostenvergoeding beschouwd, en is niet onredelijk hoog gelet op de functie van eiser. Eiser toont niet aan dat de onkostenvergoeding in feite verdoken loon uitmaakt. M.b.t. de overige looncomponenten die eiser in rekening brengt, worden er door verweerster geen betwistingen opgeworpen. Volgende elementen van het basisloon moeten bijgevolg in aanmerking worden genomen : - maandloon: 2971, 33 euro X 13,92 = 41.360,91 - voordeel groepsverzekering: 27,23 euro X 12 = 336,76 - voordeel firmawagen met tankkaart : 400 euro X 12 = 4.800,00 Totaal : 46.497,67 euro. Eiser kon aanspraak maken op 5/12 X 46.497,67 = 19.374,03 euro. Hij ontving 17.964,36 en kan bijgevolg nog aanspraak maken op een saldo van 1.409,67 euro.
- de vordering wegens pesterijen op grond van de Wet van 11 juni 2002 : Eiser heeft op 22 april 2004 een formele klacht neergelegd tegen de heer C, Algemeen Directeur van verweerster, bij de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk Y. Op 26 april 2004 werd verweerster ervan op de hoogte gesteld. Overeenkomstig art. 32 tredecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van het werk, mag de werkgever die een werknemer tewerkstelt die overeenkomstig de vigerende procedures m.b.t. pesterijen op het werk, een met reden omklede klacht heeft ingediend, de arbeidsverhoudingen niet beëindigen, noch de arbeidsvoorwaarden eenzijdige wijziging, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht of aan die rechtsvorderingen. De bewijslast m.b.t. pesterijen berust bij de werkgever, wanneer de werknemer wordt ontslagen of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig worden gewijzigd binnen 12 maanden volgend op het indienen van de klacht. De werkgever is verplicht een vergoeding te betalen gelijk aan het brutoloon van 6 maanden, zonder dat de werknemer een verzoek tot reïntegratie moet indienen, wanneer het bevoegde rechtscollege de feiten van geweld, pesterijen of ongewenste seksuele gedrag op het werk bewezen acht (art. 32 tredecies § 5 van de hoger genoemde wet). Met "pesterijen op het werk" in de zin van de wet van 4 augustus 1996 wordt bedoeld : "elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren, en eenzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid op de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigde, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd." In casu is er geen betwisting over het feit dat eiser een geldige met redenen omklede klacht heeft ingediend, en dat verweerster bijna een maand na deze klacht is overgegaan tot het ontslag van eiser. Eiser heeft geen verzoek tot reïntegratie ingediend. De rechtbank treedt het advies van mevrouw de arbeidsauditeur bij, waar zij stelt dat verweerster niet genoegzaam aantoont dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd omwille van redenen vreemd aan de klacht. Verweerster toont inderdaad niet afdoende aan dat de functie van eiser binnen haar structuren verdween, zoals zij voorhoudt. Zelfs indien de afdeling marketing en communicatie werd uitbesteed, bleef de afdeling interne verkoop en export nog bestaan en had de functie van eiser nog een bestaansreden. Eiser zet in besluiten uiteen dat, ook toen hij nog in functie was, verweerster al beroep deed op de onderneming E voor de uitbesteding van de opmaak van het drukwerk, en dat ook wat betreft de deelname aan een organisatie van beurzen reeds een beroep werd gedaan op externe partners. Dit wijst dus niet op het verdwijnen van zijn functie. Verweerster toont bijgevolg niet aan dat de arbeidsovereenkomst niet werd beëindigd omwille van de klacht. Uit het verslag van 16 juli 2004 van de preventieadviseur blijkt dat zij vaststelt dat het in casu niet gaat om een wederrechtelijk gebruik van de klachtenprocedure die enkel tot doel zou hebben bijvoorbeeld de reputatie van de andere partij in het gedrang te brengen door wraak of kwade trouw. Uit het verslag blijkt dat : - 4 getuigen stellen dat als medewerkers een andere mening hebben dan de Heer C of tegen de mening ingaan, de kans groot is dat ze taken en verantwoordelijkheden verliezen en in een hoekje geduwd worden. - 4 getuigen bevestigen dat ze de heer C hebben horen uitvliegen tegen een chauffeur, een schoonmaakster en tegen medewerkers en dat hij deze bestempelt met namen als "pippo", "voddevent" en "imbeciel". - 4 getuigen vertellen dat mensen met een leidinggevende of met een managementsfunctie zeer weinig verantwoordelijkheid zouden krijgen en dat voor alle details het akkoord van de heer C gevraagd dient te worden. Anderzijds neemt de heer C beslissingen zonder overleg. Als deze beslissingen achteraf de verkeerde blijken te zijn, zou hij zijn verantwoordelijkheid hierover afwentelen en opmerkingen maken zodat anderen er zich schuldig over voelen. - m.b.t. de werksfeer verklaren de 4 getuigen dat er een slechte sfeer (letterlijk: schrikbewind, terreurbewind) heerst: er zou geen vertrouwen zijn, weinig algemene communicatie, medewerkers zouden zich niet gewaardeerd en gesteund voelen, een kleine aanleiding zou soms escaleren tot een heus conflict, mensen zouden soms angstig/met schrik denken in de zin van "wat staat als vandaag weer te wachten", "het kan ons laatste dag zijn". Een getuige voegt eraan toe dat het de heer DEMEY een "menselijke kant" ontbreekt. Zijn gedrag wordt door allen beschreven als zeer autoritair, soms roepen en tieren voor een peulenschil, soms documenten gooien i.p.v. ze door te geven, luidop bevelen geven wanneer je telefoneert, op een strakke, korte manier kritiek op werk geven in bijzijn van anderen zodat je moeilijk open, spontaan en constructief kan reageren. Drie op vier voelen zich weinig gewaardeerd en gesteund. Geen van de 4 getuigen is verbaasd over de klacht en vinden het zelfs een goed idee en zeggen dat het eerder had moeten gebeuren. De preventieadviseur komt tot het nogal dubbelzinnig besluit dat de feiten niet als pesterijen in de zin van de wet kunnen worden beschouwd, en dat uit de analyse blijkt dat het uit de hand lopen van deze situatie eerder toe te schrijven is aan een combinatie van gebrek aan wederzijdse communicatie, enerzijds, en anderzijds, een coaching- en leiderschapsstijl die niet werd aangepast aan de context. Aangezien het gedragspatroon van de heer C in de verschillende situaties hetzelfde is, stelt zij dat het deel uitmaakte van zijn persoonlijkheid. Het is echter niet omdat men een specifieke persoonlijkheid heeft en een specifieke leiderschapsstijl hanteert dat alle gedragingen en attitudes toelaatbaar zijn. De preventieadviseur stelt verder ook "...we wel tot grensoverschrijdend gedrag en pesten in de zin van de wet zouden kunnen besluiten indien de heer C zijn aandeel in het probleem niet wenst te erkennen en geen deel wenst uit te maken van de oplossing". De rechtbank meent dat gelet op de feiten die worden bewezen, er wel degelijk vaststaat dat de Heer C zich te buiten ging aan onrechtmatig en terugkerend gedrag, binnen de onderneming, dat zich uitte in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren en dat tot gevolg had dat de persoonlijkheid, de waardigheid op de fysieke of psychische integriteit van de Heer A bij de uitvoering van het werk werd aangetast, dat zijn betrekking in gevaar werd gebracht of dat een bedreigde, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. De pesterijen zijn bijgevolg wel degelijk bewezen. Eiser kan aanspraak maken op de vergoeding gelijk aan het brutoloon van 6 maanden overeenkomstig art. 32 tredecies van de wet van 4 augustus 1996, hetzij 6/12 X 46.497,67 = 23.248.83 euro
- Het loon voor feestdagen en vakantiegeld: Eiser vordert overeenkomstig artikel 17 van het K.B. van 18 april 1974 het loon voor de feestdagen van 20 mei 2004 en 31 mei 2004 ten bedrage van 274,28 euro bruto en het vakantiegeld hierop ten bedrage van 42,07 euro bruto. Verweerster gedraagt zich met betrekking tot deze bedragen naar de wijsheid van de rechtbank. Gelet op het feit dat deze beide feestdagen vallen binnen de maand volgend op het ontslag, is verweerster deze bedragen verschuldigd.
- De sociale documenten : De sociale documenten met betrekking tot de uitgesproken veroordelingen moeten worden afgeleverd. Er moet geen dwangsom worden opgelegd: er blijkt nergens uit dat verweerster in gebreke bleef met betrekking tot de overhandiging van de sociale documenten of dat zij dit thans zou doen. II. DE TEGENEIS : Gelet op het feit dat de hoofdeis gegrond is, is de tegeneis waarbij een schadevergoeding wegens misbruik van het klachtrecht wegens pesterijen wordt gevorderd, ongegrond. Er is inderdaad geen sprake van enig misbruik van recht door de Heer A. OM DEZE REDENEN : DE RECHTBANK : Rechtdoende op tegenspraak en in eerste aanleg; Gehoord Mevrouw Nathalie VAN DEN BRANDE in haar eensluidend schriftelijk advies; Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en als volgt gegrond: Veroordeelt verwerende partij tot het betalen aan eisende partij, na aftrek van de sociale en fiscale inhoudingen erop, van de volgende bedragen: - 1.409,67 euro bruto ten titel van saldo opzeggingsvergoeding, - 23.248.83 euro ten titel van beschermingsvergoeding, - 274,28 euro en 42,07 euro bruto ten titel van loon voor feestdagen en vakantiegeld hierop, te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 17 mei 2004 op de nettobedragen en de gerechtelijke intresten; Veroordeelt verwerende partij tot afgifte van de sociale documenten met betrekking tot deze veroordeling; Wijst eiser voor het overige af; Verklaart de tegeneis ontvankelijk doch ongegrond; Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding, tot op heden begroot in hoofde van eisende partij op 108,50 euro dagvaardingskosten en 223,10 euro rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist door de 2de kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, waar zitting hielden: G. VAN DEN BOSSCHE, Voorzitter, E. CRIEL, Rechter in sociale zaken - werkgever, L. CIETERS, Rechter in sociale zaken - werknemer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van alwaar aanwezig waren:Mevrouw G. VAN DEN BOSSCHE, Rechter, bijgestaan door T. DUBELLOY, Griffier, de griffier, de Rechters in sociale zaken, De Voorzitter, T. DUBELLOY L. CIETERS E. CRIEL G. VAN DEN BOSSCHE Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div