Beslissing nr. 2000 - C/C – 41 van 13 december 2000 Inzake: CRH plc. en NV SCHELFHOUT C. Gelet op de Wet op de Bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoördineerd op 1 juli 1999 (WBEM) ; Gezien de aanmelding aan het Secretariaat van de Raad voor de Mededinging van een concentratie, neergelegd op 7 november 2000 ; Gezien de mededeling voor onderzoek door het Secretariaat van de Raad aan het korps van verslaggevers conform art. 32bis §1 WBEM op 8 november 2000 ; Gezien het gemotiveerd verslag van de verslaggever; Gehoord het mondeling verslag van de verslaggever de heer Kris Boeykens ; Gelet op het schrijven d.d. 07/12/2000 vanwege de aanmeldende partijen, waarin ze stelden (
- a)afstand te doen van het recht op een hoorzitting, (
- b)afstand te doen van het recht op een termijn van 14 dagen tussen de verzending van het verslag van de verslaggever én de organisatie van een hoorzitting, en (
- c)géén inzage te wensen in het dossier van de Raad voor de Mededinging. 1. De aanmeldende en betrokken partijen - Enerzijds treedt op: CRH plc. (afkorting van Cement-Roadstone Holdings public limited company naar Iers recht), met zetel te 42, Fitzwilliam Square, Dublin 2, Ireland. CRH plc. is een internationale holdingmaatschappij. Haar maatschappijen zijn wereldwijd actief in de productie en handel van bouwmaterialen, zowel bouwstoffen (cement, aggregaat, asfalt, beton, landbouw- en chemische kalk, zeewatermagnesia, enz. ...) als bouwproducten (vloersystemen, betonblokken, straatstenen, dakpannen, kleibakstenen, vloertegels en tegels, enz. ...). Via dochterondernemingen is CRH plc. actief op het gebied van bouwmaterialenhandel en detailhandel in doe-het-zelf artikelen. - Anderzijds treedt op: de heer C. SCHELFHOUT en mevrouw M CRAEGHS. Zij wonen Industriezone Heikemp, 3640 Kinrooi (Molenbeersel). De heer Schelfhout is de meerderheidsaandeelhouder in de vennootschap die het voorwerp is van de transactie. - Andere betrokken partijen zijn: de NV C. SCHELFHOUT, de NV PEFALIM, de NV ARMAT en de NV SCHELFHOUT TRANSPORT (hierna genoemd: de Schelfhout-groep). Deze groep produceert geprefabriceerde betonnen wanden, hoofdzakelijk bestemd voor de bouw van productiehallen en kantoorgebouwen. Genoemde vennootschappen zijn alle ondernemingen in de zin van art. 1 WBEM. 2. Aanmeldingsplicht - overeenkomst van concentratie De transactie betreft een principe-akkoord, klaarblijkelijk door de partijen ondertekend op diverse data (resp. 11, 15, 19 en 27 september 2000) tot overname door CRH plc., via één van haar Belgische deelnemingen, van 100% van de aandelen in de Schelfhout-groep, die thans gehouden worden door de heer C. Schelfhout, zijn echtgenote M. Craeghs en hun vennootschap SC INVEST. Deze concentratie past in het strategische beleid van de CRH-groep om haar waaier van producten uit te breiden, geografische expansie van haar activiteiten te zoeken, alsook haar positie op sommige productmarkten te verstevigen. CRH plc. is nu nog beperkt actief op het gebied van wanden en wandelementen in België. Gezien de principeovereenkomst pas werd aangemeld op 7 november 2000, gebeurde dit laattijdig conform art. 12 §1 WBEM. De Raad besluit hiervoor een principiële boete van 100.000,- BEF op te leggen. Partijen stellen dat de uiteindelijk te sluiten overeenkomst op de wezenlijke, voor de mededingingsrechtelijke analyse relevante punten, hiervan niet zal afwijken. Op blz.4 van de principe-overeenkomst wordt evenwel vermeld: “Er zal een niet-concurrentiebeding worden opgenomen in het managementscontract én in de Rapport du Conseil de la Concurrence - Année 2000 - Annexe I Verslag van de Raad voor de Mededinging - Werkingsjaar 2000 - Bijlage I 159 definitieve overeenkomst.” De Raad is van mening dat dergelijke clausule wel degelijk dient beschouwd te worden als een relevant punt op het vlak van het mededingingsrecht. Het is onjuist te stellen dat een concurrentiebeding als nevenrestrictie géén rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van een concentratie. Dergelijke restricties, die noodzakelijk zijn voor de efficiënte verkoop van een onderneming of een deel van een onderneming, dienen samen met de definitieve overeenkomst te worden aangemeld. De Raad spreekt zich dan ook op heden enkel uit over de principeovereenkomst zoals deze hic et nunc werd aangemeld. Indien de latere definitieve overeenkomst hiervan afwijkt, wat het geval zal zijn indien hierin een niet-concurrentiebeding (waarvan de tekst op heden niet is voorgelegd) wordt opgenomen, dan heeft de Raad zich op heden niet uitgesproken over deze definitieve overeenkomst, die dan ook opnieuw moet worden aangemeld. Uit de voorgelegde omzetcijfers van de betrokken ondernemingen (blz. 8 van de aanmelding) blijkt dat de drempels zoals opgelegd conform art. 11§1 WBEM worden behaald, zodat de concentratie diende te worden aangemeld. De aangemelde concentratie valt overeenkomstig art. 33§1.1 WBEM binnen het toepassingsgebied van de wet. 3. Het marktonderzoek - analyse en beoordeling De markten waarop de Schelfhout-groep actief is, vormen het uitgangspunt voor het bepalen van de relevante en de betrokken markten. De groep is actief als producent van geprefabriceerde betonnen wanden (silexwanden), die vooral bestemd zijn voor de bouw van productiehallen en kantoorgebouwen. In beperktere mate is de groep actief op het gebied van brandwerende muren. CRH plc. is in België actief op het gebied van wanden, vermits zij de “holle wanden” produceert, zijnde wandsystemen bestaande uit twee betonnen wandelementen waartussen gietbeton kan worden gestort. Ze hebben uitsluitend een constructieve functie en worden ingezet voor kelderwanden en liftkokers. De relevante productenmarkten zijn de markten voor bouwmaterialen voor constructieve wanden, bouwmaterialen voor niet-constructieve wanden en bouwmaterialen voor gevelwanden (in dezelfde zin: Zaak 124/ CVK Kalkzandsteen, Beslissing Nma dd. 20 oktober 1998). De Schelfhout-groep is actief op het gebied van niet-constructieve wandelementen en gevelwanden, terwijl CRH plc. uitsluitend actief is op het vlak van de constructieve wanden. Dit betekent dat in deze markten er géén overlapping van activiteiten bestaat tussen de betrokken ondernemingen, dus géén horizontale of verticale relatie bestaat. De relevante geografische markt is de Belgische markt, alhoewel de Schelfout-groep ook uitvoert naar Nederland, Duitsland en Frankrijk. Uit het onderzoek van de Dienst voor de Mededinging is gebleken dat de concentratie weinig impact zal hebben op de Belgische markt, dat op de relevante markten de aandeeldrempel van 25% nergens bereikt wordt, alsook dat de ondervraagde klanten, leveranciers en concurrenten weinig bezwaren hebben. Er kan vastgesteld worden dat huidige concentratie conform art. 10§3 WBEM géén machtspositie in het leven roept of versterkt, die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt op beduidende wijze wordt belemmerd. Uit de verstrekte cijfergegevens blijkt dat de betrokken ondernemingen op de Belgische markt gezamenlijk een marktaandeel bereiken van minder dan 25%. Er moet bijgevolg vastgesteld worden dat de aangemelde concentratie toelaatbaar is conform art. 33§2.1.a WBEM. OM DEZE REDENEN DE RAAD VOOR DE MEDEDINGING Gelet op de art. 2 e.v. van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken van toepassing overeenkomstig art. 54bis WBEM ; Stelt vast dat de betrokken concentratie aanmeldingsplichtig is en conform art. 33 §1.1 WBEM binnen het toepassingsgebied valt van de wet ; Legt de partijen een geldboete op van 100.000,- BEF 160 Rapport du Conseil de la Concurrence - Année 2000 - Annexe I Verslag van de Raad voor de Mededinging - Werkingsjaar 2000 - Bijlage I Verklaart de concentratie toelaatbaar conform art. 10 §3 en art. 33 §2.1.a WBEM ; Legt de partijen de verplichting op om de definitieve overeenkomst aan te melden, met inbegrip van een nonconcurrentiebeding indien er één wordt overeengekomen; Aldus uitgesproken op 13 december 2000 door de Kamer van de Raad voor de Mededinging, samengesteld uit: de heer Frank Deschoolmeester, kamervoorzitter ; mevrouw Beatrice Ponet ,Voorzitter a.i. van de Raad ; de heren Wouter Devroe en Willem Rycken, leden. Rapport du Conseil de la Concurrence - Année 2000 - Annexe I Verslag van de Raad voor de Mededinging - Werkingsjaar 2000 - Bijlage I 161