← België

2001CC03

Beslissing nr. 2001-C/C-03 van 19 januari 2001 Inzake: UB Investments (Netherlands BV) en Gilde Participaties BV Gezien de aanmelding op 29 november 2000, gelet op de Wet op de Bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoördineerd op 1 juli 1999 (W.B.E.M.) bij de Raad voor de Mededinging van een ontwerpovereenkomst die het voorwerp uitmaakt van de huidige concentratie. Gezien de mededeling van deze aanmelding conform artikel 32 bis §1 W.B.E.M. door het Secretariaat van de Raad aan het korps van verslaggevers op 1 december

  1. Gezien het onderzoeksverslag en –dossier dat werd opgesteld op 15 december 2000, Gezien het gemotiveerd verslag overgemaakt aan de Raad door de verslaggever op 19 december
  2. Gehoord de verslaggever de heer Bert Stulens, Gehoord de partijen die verschenen ter zitting van 19 januari 2001: - Mr. Peter Wytinck, advocaat, gemeenschappelijk vertegenwoordiger.
  3. De aanmeldende partijen zijn enerzijds de B.V. Gilde Participaties en de B.V. Beheer- en Beleggingsmaatschappij Martens die optreden als koper en beide behoren tot de Rabobank-groep, en anderzijds de B.V. U.B. Investments (Netherlands) als verkoper van de doelondernemingen B.V. Croky chips en N.V. Westimex. Door het aangemelde ontwerp “share purchase agreement” d.d. 13 november-2000 verwerft Gilde Participaties B.V. via haar Beheer en Beleggingsmaatschappij Martens B.V. alle aandelen van Croky chips B.V. en de N.V. Westimex, inclusief KP-Foods.
  4. De aangemelde operatie betreft een concentratie in de zin van art. 9 van de W.B.E.M., tussen ondernemingen in de zin van art. 1 van de W.B.E.M. Gelet op de gegevens verstrekt in de aanmelding kan worden besloten dat de drempels bedoeld in art. 11 §1 van de W.B.E.M. werden overschreden. De aanmeldende partijen hebben een ontwerpovereenkomst aangemeld conform artikel 12 §1 in fine W.B.E.M. Alle partijen verklaren uitdrukkelijk en dit wordt ter zitting bevestigd, dat zij de intentie hebben om een overeenkomst te sluiten die op alle medededingingsrechtelijke relevante punten niet verschilt van het aangemelde ontwerp.
  5. Voor deze concentratie wordt de relevante markt omschreven als zijnde de markt van de zoute snacks in België. Deze marktomschrijving wordt door de Dienst bevestigd. Ook de ondervraagde concurrenten treden deze afbakening bij. Hierbij wordt gewezen op een Engelstalige omschrijving voor deze relevante markt, te weten de markt van de “savoury snacks”. Ook de Europese Commissie hanteert in de concentratiebeschikking PepsiCo/General Mills van 5 augustus 1992 (bericht van goedkeuring gepubliceerd in Publ. E.G. 4/9/1992, C228) het begrip “savoury snacks” en omlijnt het als een afzonderlijke productmarkt, bestaande uit aardappelchips, “extruded” snacks en op maïs gebaseerde producten, noten en zoute koekjes. De Commissie wijst verder ondermeer op de hoge mate van substitueerbaarheid tussen de producten binnen dit segment, waarin producenten er Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 106 bovendien een gelijkaardige distributiestrategie op nahouden, om te concluderen dat het om één markt gaat. De Raad voor de Mededinging heeft in het verleden eveneens deze omschrijving van de markt weerhouden, meer bepaald bij een concentratie tussen N.V. Westimex Belgium en Dalgety Foods Holland B.V. (Beslissing 94-C/C-31 van 29 september 1994).
  6. Aangezien geen enkele van de door de Rabobank gecontroleerde ondernemingen in België actief is op dezelfde markten als Croky snacks, noch op enige up- of downstream-markt daarvan, raakt de beoogde overeenkomst niet aan een betrokken markt.
  7. Aangezien de United Biscuits groep zijn activiteiten herontiëert naar andere activiteiten kunnen de activiteiten van Croky snacks niet meer voldoende ondersteund worden. In 1997 verkocht United Biscuits al het grootste gedeelte van haar zoute snacks business aan Smiths uit de PepsiCo groep. Door de aangemelde operatie wordt het voortbestaan van een sterke tweede speler, Croky verzekerd. Daarbij is het marktaandeel van Croky snacks evenwel niet hoger dan 25%. Dit blijkt uit de ons verstrekte marktgegevens evenals uit de reacties van ondervraagde concurrenten. Om deze redenen De Raad voor de Mededinging Gelet op de art. 2 e.v. van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken van toepassing overeenkomstig art. 54 bis W.B.E.M. Stelt vast dat de betrokken concentratie aanmeldingsplichtig is en conform art. 33 §1.
  8. W.B.E.M. binnen het toepassingsgebied valt van de wet. Verklaart de concentratie toelaatbaar conform art. 33 §2.1.a W.B.E.M. en conform art. 10 §3 W.B.E.M., gezien zij geen machtspositie in het leven roept of versterkt die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging wordt belemmerd, voorzover de overeenkomst die gesloten zal worden op alle mededingingsrechtelijk relevante punten niet verschilt van het aangemelde ontwerp. Aldus uitgesproken op 19 januari 2001 door de Kamer van de Raad voor de Mededinging samengesteld uit: Mevr. B. Ponet, kamervoorzitter, de heren Marc Jegers, Willem Rycken en Patrick Van Cayseele, leden. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 107

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.