Beslissing nr. 2001-P/K-62 van 3 december 2001 INZAKE : Vranken Guido, wonende te Zaventem, Kleine Daalstraat 51/2 tegen : Pentax Europe, gevestigd te Zaventem, Weiveldlaan 3 - 5 Gelet op de brief van 3 juni 1993 van klager Guido Vranken, door de Dienst voor de Mededinging geregistreerd op 7 juni 1993 onder nummer PRA - 93/0002, waarbij de heer Guido Vranken de Dienst verzoekt een onderzoek te verrichten met betrekking tot het eventueel bestaan van prijsafspraken onder de verdelers van fototoestellen van het merk "Pentax Espio 115". Gelet op het verslag van de Dienst voor de Mededinging neergelegd op 24 januari 1996 en het bijgevoegd dossier. Gelet op de beslissing van de Raad voor de Mededinging dd 10 april 1996 waarbij de zaak naar de Dienst voor de Mededinging werd verwezen voor onderzoek over de aangeklaagde prijsafspraak. Gezien het onderzoekverslag van de verslaggever dd 4 oktober 2001 dat aan de Raad voor de Mededinging werd overgemaakt op 9 oktober 2001 en dat aan de klager, de heer Guido Vranken door de verslaggever werd overgemaakt op 18 oktober 2001 in toepassing van artikel 24, § 2, van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit van 1 juli 1999 (verder: W.B.E.M.). Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Overwegende dat de verslaggever in zijn verslag van 4 oktober 2001 aan de Raad een gemotiveerd voorstel tot sepot op grond van artikel 24, § 2, van de W.B.E.M. heeft voorgelegd. Overwegende dat de klager, alhoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen is. Gehoord ter zitting van 3 december 2001: - de verslaggever, de heer B. Stulens; Over het voorwerp van de klacht en over de proceduriële voorgaanden Overwegende dat de heer Guido Vranken blijkens schrijven dd. 3 juni 1993 gericht aan de Dienst voor de Mededinging, de Dienst verzoekt een onderzoek in te stellen naar eventuele prijsafspraken tussen de invoerder en de verdelers van fototoestellen van het merk “Pentax Espio 115”. Dat dit schrijven op 7 juni 1993 als klacht werd geregistreerd door de Dienst onder het nummer PRA – 93/
- Dat de Dienst op 22 januari 1996 een verslag bezorgde aan de Raad voor de Mededinging, waarin voorgesteld werd de zaak te seponeren op grond van artikel 24, § 1, W.B.E.M. gezien de klacht zonder voorwerp was en bij gebrek aan rechtstreeks en dadelijk belang van de klager en bij gebrek aan bewijs. Dat de Raad op 10 april 1996 besliste dat de zaak toch als een klacht moest worden behandeld. Dat de Raad alsdan de zaak terug naar de Dienst verzond, waarbij de Raad voor de Mededinging alsdan oordeelde dat het vooronderzoek van de Dienst zich had beperkt tot het inwinnen van Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 333 inlichtingen bij een aantal verkopers in het Antwerpse, hetgeen niet als een formele onderzoeksdaad kon worden beschouwd, zodat de Dienst in deze zaak nog geen enkele onderzoeksdaad had verricht. Dat er na de beslissing van de Raad dd. 10 april 1996 door de Dienst geen enkele onderzoeksdaad werd gesteld, terwijl hierop door de klager klaarblijkelijk niet meer werd aangedrongen. Over de toepasselijke wet i.v.m. de verjaring Overwegende dat huidige procedure op 7 juni 1993 werd ingeleid onder toepassing van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging. Dat de gewijzigde wet tot bescherming van de economische mededinging, zoals gecoördineerd bij K.B. van 1 juli 1999 bepaalt dat deze gewijzigde wet niet van toepassing is op de procedures die hangende zijn bij de Raad voor de Mededinging of bij het Hof van Beroep te Brussel op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze gewijzigde wet (art. 47 van de wet van 26 april 1999 (II)), nl. 1 oktober
- Dat de tekst in verband met de verjaring overigens zowel in de oude als in de nieuwe wet dezelfde is. Dat de Raad slechts een procedure bij hem als hangende beschouwt wanneer een verslag bij hem werd voorgelegd door de Dienst vóór 1 oktober
- Dat in casu het verslag van de verslaggever bij de Raad werd neergelegd op 9 oktober 2001, zodat de nieuwe wet dan ook van toepassing is. Dat artikel 48 § 1 van W.B.E.M. bepaalt : " Het onderzoek bedoeld in artikel 23 mag slechts betrekking hebben op feiten die zich niet langer dan vijf jaar geleden voordeden. De termijn wordt berekend vanaf de datum van de beslissing van de Dienst voor de Mededinging om ambtshalve een onderzoek in te stellen of vanaf de datum van het aanhangig maken van de zaak bij de Dienst overeenkomstig artikel 23 § 1". Dat artikel 48 § 2 van de W.B.E.M. bepaalt : " De verjaringstermijn met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing is vijf jaar te rekenen vanaf de datum bedoeld bij §
- De verjaring wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of daden van beslissing verricht binnen de termijn bepaald in het vorige lid; met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen". Dat wij moeten vaststellen dat er sinds meer dan vijf jaar geen onderzoeksdaden werden gesteld, zodat onderhavige zaak verjaard is. Dat het dossier om die reden moet worden geseponeerd. Om deze redenen, De Raad voor de Mededinging, Verklaart de zaak gekend onder nr. PRA 93/0002 verjaard en seponeert het dossier in toepassing van artikel 24, § 2, W.B.E.M. Aldus uitgesproken op 3 december 2001, door de Kamer van de Raad voor de Mededinging samengesteld uit : de heer Peter Poma, kamervoorzitter, mevrouw Béatrice Ponet, Voorzitter Raad voor de Mededinging, de heren Geert Zonnekeyn en Robert Vanosselaer, leden. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 334