← België

2001VM12

Beslissing nr. 2001-V/M-12 van vrijdag 9 maart 2001 Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging tot het nemen van voorlopige maatregelen ingediend door de BVBA Incine / N.V. Rendac Gezien de klacht ten gronde dd.2 februari 2001 gekend onder nr. MEDE-PK-01/0004; Gezien het verzoek neergelegd op 2 februari 2001 waarbij om voorlopige maatregelen werd gevraagd door de BVBA Incine, met maatschappelijke zetel te 2328 Hoogstraten, St.Salvatorstraat 1B, geregistreerd onder nr. MEDE-VMP-01/0005, met betrekking tot de praktijken van de volgende onderneming: De N.V. Rendac, met zetel te 9470 Denderleeuw, Fabrieksstraat 2; Gezien het onderzoeksverslag van de Afdeling Prijzen en Mededinging in toepassing van artikelen 14 en 23 van de Wet tot Bescherming van de Economische Mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999, dat op 16 februari 2001 aan het Korps Verslaggevers werd overgemaakt; Gezien het gemotiveerd verslag van het Korps Verslaggevers in toepassing van artikel 35 van de Wet tot Bescherming van de Economische Mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999, overgemaakt op 19 februari 2001; Gehoord op de zitting van 2 maart en 6 maart 2001: - De heer Bert Stulens, verslaggever. De B.V.B.A. Incine, vertegenwoordigd door de heer Ewoud Doerrleben, zaakvoerder, en bijgestaan door Mr. Hendrik Viaene, advocaat te Brussel; De N.V. Rendac, vertegenwoordigd door Mr.Koen Platteau en Mr. Thomas Franchoo, advocaten te Brussel. Gezien de memorie namens de N.V. Rendac neergelegd op 2 maart 2001; Gezien de memorie namens de B.V.B.A. Incine neergelegd op 5 maart 2001; Gezien de beslissing van de Voorzitter a.i. van de Raad voor de Mededinging inzake de vertrouwelijke stukken van het dossier dd.2 maart 2001, waarbij beslist werd dat het verzoekschrift tot het nemen van voorlopige maatregelen en de bijlagen in de niet-vertrouwelijke versie en de vertrouwelijke bijlage 10.5 deel uitmaken van het dossier en waarbij beslist werd dat de vertrouwelijke documenten in het onderzoeksdossier van de Dienst geen deel uitmaken van het dossier; Gezien de stukken van het dossier; Gezien de Wet van 5 augustus 1991 tot Bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoördineerd op 1 juli 1999 (hierna W.B.E.M.) en o.m. artikel 35 luidens hetwelk de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging op aanvraag van de klager of van de Minister, voorlopige maatregelen kan nemen bestemd om de restrictieve mededingingspraktijken die het voorwerp van het onderzoek uitmaken te schorsen, indien het dringend is een toestand te vermijden die een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel kan veroorzaken voor de ondernemingen waarvan de belangen aangetast worden door deze praktijken of die schadelijk kan zijn voor het algemeen economisch belang. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 128 I. De feiten 1. De B.V.B.A. Incine, met maatschappelijke zetel te 2328 Hoogstraten, St.Salvatorstraat 1B is sedert begin 1998 actief op de markt voor het ophalen en verwerken/laten verbranden van gezelschapsdieren. Naast kadavers van gezelschapsdieren haalt de B.V.B.A. Incine ook medisch gevaarlijk afval op. De B.V.B.A. Incine beschikt op dit ogenblik zelf nog niet over een verbrandingscapaciteit, waardoor de verbranding uitbesteed wordt aan een derde (de N.V. Machiels te Leuven). 2. De N.V. Rendac, met maatschappelijke zetel te 9470 Denderleeuw, Fabrieksstraat 2, is een onderneming die haar activiteit o.m. toespitst op het ophalen van kadavers van landbouw- en gezelschapsdieren, het vermalen ervan tot diermeel, en op de verkoop daarvan aan de dierenvoedingsindustrie en de meststoffenindustrie en/of het op een of andere manier verwerken of helpen verwerken van dergelijke kadavers. De N.V. Rendac maakt deel uit van de Sobel-groep, die naast de N.V. Rendac in België ook eigenaar is van twee vestigingen in Nederland (Rendac Son en Rendac Bergum). In de geconsolideerde kerngegevens van de Sobel-groep wordt o.m vermeld dat het groepsvermogen van de Sobel-groep in 1999 204.091.000 Euros bedraagt, dat de omzet aan derden 460.806.000 Euros bedraagt en dat het gemiddeld aantal werknemers in 1999 3.229 is. 3. De feiten die aan de basis van het verzoek tot het nemen van voorlopige maatregelen liggen, kunnen bondig als volgt samengevat worden. Landbouwers, slachthuizen, dierenartsen, dierenasielen en particulieren bieden de N.V. Rendac kadavers aan. De N.V. Rendac haalt deze op mits aan haar een vergoeding betaald wordt. Vervolgens worden deze kadavers verwerkt tot dierenmeel. De verdere verwerkingskosten worden gerecupereerd door de verkoop van het dierenmeel aan de dierenvoedingsindustrie en worden door de N.V. Rendac dan ook niet opgenomen in de aangerekende kosten. Ter bestrijding van de dioxinecrisis en de BSE-crisis werden overheidsmaatregelen genomen welke er o.m. op gericht waren te verhinderen dat besmette dieren terug in de voedselketen zouden terecht komen. Aldus werd het voor de N.V. Rendac onmogelijk om het dierenmeel, haar afgewerkt product, nog verder te verkopen aan de dierenvoedingsindustrie. Als gevolg daarvan waren de verwerkingsactiviteiten van de N.V. Rendac niet meer zelfbedruipend. De federale overheid, zowel het Ministerie van Volksgezondheid als het Ministerie van Landbouw, heeft besloten om het exploitatieverlies, volgend uit de onmogelijkheid het dierenmeel van landbouwdieren verder te verkopen, te compenseren, op voorwaarde dat de N.V. Rendac de verantwoordelijkheid zou dragen voor de vernietiging van het meel, afkomstig van kadavers. De voorgestelde compensatie omvat de verwerkings- en verbrandingskosten. De N.V. Rendac heeft zelf geen verbrandingscapaciteit, zodat de verwerkte kadavers nu grotendeels verbrand worden door een derde. Volgens het verslag van het Korps Verslaggevers gebeurt dit door de N.V. Indaver, terwijl de N.V. Rendac stelt dat de verbranding gebeurt door cementovens die veel goedkoper zouden werken dan de N.V.Indaver. Deze compensatieregel is van kracht sinds medio 1998 en voor 1999 werd het totale bedrag geschat op 132 miljoen frank. De B.V.B.A. Incine merkt op dat deze compensatieregel niet van toepassing is op de ophaling en verwerking en/of verbranding van gezelschapsdieren, doch enkel van landbouwdieren. Voor de gezelschapsdieren blijft derhalve het principe “de vervuiler betaalt” onverkort van kracht. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 129 Volgens de B.V.B.A. Incine hanteert de N.V. Rendac onwaarschijnlijk lage prijzen voor het ophalen, de verwerking en verbranding van gezelschapsdieren. Een vergelijking van het prijsniveau van de beide ondernemingen zou volgens de B.V.B.A. Incine automatisch leiden tot de conclusie dat de N.V. Rendac haar diensten aan te lage prijzen aanbiedt waardoor de B.V.B.A. Incine uit de markt zou geprijsd worden, hetgeen een inbreuk zou vormen op artikel 3 van de W.B.E.M. De B.V.B.A. Incine verwijt de N.V. Rendac tevens om discriminerende prijzen aan de B.V.B.A. Incine aan te rekenen, waarbij de B.V.B.A. Incine o.m. refereert aan een offerte geformuleerd per fax dd.25 april 2000 van de N.V. Rendac. De overheid vergoedt de N.V. Rendac voor de exploitatieverliezen die zij lijdt voor het verwerken van landbouwdieren. Deze vergoedingen worden evenwel berekend op basis van het gewicht van een volgeladen vrachtwagen. Door het toepassen van dit weegsysteem, wordt geen onderscheid gemaakt in het gewicht van de gezelschapsdieren en de landbouwdieren. Volgens de B.V.B.A. Incine betekent dit dat de N.V. Rendac de verkregen vergoedingen mogelijkerwijze gebruikt om het ophalen en verwerken van gezelschapsdieren te bekostigen, waardoor zij automatisch de hiervoor gevraagde prijzen zeer laag kan houden. Deze praktijk zou volgens de B.V.B.A. Incine neerkomen op het kruissubsidiëren van één activiteit met de opbrengsten voortvloeiend uit een andere activiteit. Hierdoor zou het zakencijfer van de B.V.B.A. Incine niet geëvolueerd zijn zoals verwacht werd en zou de B.V.B.A. Incine zich in een precaire financiële situatie bevinden. Partijen verstrekken geen duidelijke uitleg over de vraag of de overheid hic et nunc nog vergoedingen uitkeert voor de exploitatieverliezen van de N.V. Rendac. De raadsman van de N.V. Rendac merkt ter zitting dd.6 maart 2001 op dat de door de overheid uitgekeerde subsidies alleszins uitwerking gehad hebben tot eind 2000. Dit wordt tevens bevestigd in het onderzoeksverslag van de Dienst (p.12). 4. De N.V. Rendac stelt zelf dat zij de enige onderneming is die in België kadavers van landbouwdieren ophaalt met het oog op de verwerking en vernietiging. Het huidig marktaandeel van de N.V. Rendac is derhalve 100%, zoals blijkt uit het antwoord van de N.V. Rendac aan de Dienst dd.12 februari 2001. Inzake het ophalen en (laten) verwerken van gezelschapsdieren, stelt de N.V. Rendac dat er acht bedrijven vergund zijn om laagrisico-materiaal, waaronder kadavers van gezelschapsdieren, te verwerken. Sinds de dioxinecrisis in juni 1999 losbarstte, is het echter verboden om lijken van gezelschapsdieren te verwerken tot componenten van dierenvoeders. Verbranding is volgens de N.V. Rendac de enige uitweg. Naast de N.V. Rendac zijn eveneens de N.V. Indaver en de N.V. Machiels vergund om kadavers van honden en katten te verbranden. Hun prijzen zouden volgens de N.V. Rendac hoger zijn dan deze die door de N.V. Rendac aangeboden werden aan de B.V.B.A. Incine. Over het aantal bedrijven, actief op het gebied van de ophaling van laagrisico-materiaal, heeft de N.V. Rendac geen gegevens aan de Dienst medegedeeld. (zie verklaring van de N.V. Rendac dd.12 februari 2001). 5. De N.V. Rendac heeft een ophaalsysteem voor kadavers van gezelschapsdieren georganiseerd. Het ophalen van gezelschapsdieren gebeurt op twee manieren: - - Ofwel via het HOKA-systeem: in een bepaalde regio verrichten medecontractanten ophalingen met bestelwagens en dit in opdracht van en onder de voorwaarden van de N.V. Rendac. De N.V. Rendac en zijn medecontractanten werken op exclusieve basis samen voor de ophaling van dode gezelschapsdieren, waarbij de N.V. Rendac evenwel op vraag van de eigenaar van het huisdier of op vraag van de dierenarts zelf, dode gezelschapsdieren met krengenwagens kan ophalen. De N.V. Rendac zorgt voor de promotie. Ofwel gebeurt de ophaling via kadaverwagens in de regio’s die niet over een dergelijke ophaaldienst beschikken. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 130 6. De B.V.B.A. Incine heeft gecorrespondeerd met verschillende overheidsinstanties, o.m. met de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw, de Minister van Volksgezondheid en Leefmilieu, de Minister van Landbouw en Middenstand, het Bestuur Handelsbeleid en de Europese Commissie, waarna uiteindelijk een aangetekend schrijven gericht werd aan de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging dd.13 juli 2000, waarin een overzicht gegeven werd van de reeds ondernomen stappen bij de diverse overheidsinstanties en waarin gesteld werd dat er sprake is van concurrentievervalsing. De B.V.B.A. Incine verwijst tevens naar een aantal persberichten waarin o.m. gesteld wordt : - Persbericht nr.3 dd. 31 mei 2000: “Op voorstel van de Minister van Landbouw keurde de Ministerraad een ontwerp van Ministerieel Besluit goed over de bescherming tegen B.S.E. … Met het destructiebedrijf Rendac wordt overeengekomen dat het dierenmeel, afkomstig van kadavers, in afwachting van de publicatie van het besluit vernietigd wordt…” - Persbericht nr.15 dd. 9 december 1999: “Door de vernietiging van mogelijk besmette voorraden komen de normale activiteiten van het destructiebedrijf N.V. Rendac in het gedrang. Het gaat dan met name om de verwerking van kadavers tot dierenmeel. De economische verliezen van het bedrijf werden tot 30 november 1999 gecompenseerd door het Ministerie van Landbouw. Het Ministerie van Volksgezondheid zal deze financiering tot tenminste 31 januari 2000 overnemen…” 7. Daar waar de N.V. Rendac aanvankelijk in haar memorie dd. 2 maart 2001 (neergelegd voor de zitting) stelde dat haar rechten van verdediging geschonden werden, gezien zij geen toegang kreeg tot een aantal (vertrouwelijke) stukken, dringt zij ter zitting dd. 6 maart 2001 niet meer verder aan op dit punt, gelet op de tussengekomen beslissing inzake de vertrouwelijke stukken dd. 2 maart 2001. II. De aanvraag tot voorlopige maatregelen De BVBA Incine vraagt aan de Voorzitter van de Raad om vast te stellen dat : ”- Rendac N.V. een machtspositie bekleedt op de markt van de ophaling en verwerking van landbouwdieren alsmede op de markt voor het ophalen en verwerken en/of laten verbranden van kadavers van gezelschapsdieren zonder ceremonie in België. - Rendac N.V. misbruik maakt van haar machtspositie op deze relevante markt door - Het aanrekenen van discriminerende prijzen aan Incine B.V.B.A.; Het toepassen van te lage prijzen voor de aangeboden diensten; Het kruissubsidiëren van activiteiten op de relevante markt van de verwerking en laten verbranden van kadavers van gezelschapsdieren met opbrengsten gerealiseerd op een andere markt; en om anderzijds de volgende voorlopige maatregel te nemen op basis van artikel 35 van de W.B.E.M.: - Rendac N.V. te bevelen deze praktijken te schorsen onder verbeurte van een dwangsom van 1.000.000fr per dag en per inbreuk te rekenen vanaf de dag volgend op de kennisgeving bedoeld in artikel 40 bis W.B.E.M. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 131 III. Het standpunt van de verslaggever Het Korps Verslaggevers komt tot volgend algemeen besluit : “Het Korps Verslaggevers is de mening toegedaan dat in het kader van dit dossier, de klagende partij de voorwaarden voorzien in artikel 35 van de wet voor het nemen van voorlopige maatregelen door de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging voldoende heeft bewezen. M.a.w. aan de voorwaarden van ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel is voldaan.” (p.22) Het Korps Verslaggevers formuleert het volgende voorstel tot beslissing : “Het Korps Verslaggevers stelt de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging dan ook voor voorliggend verzoek tot het nemen van voorlopige maatregelen als ontvankelijk, en gegrond te verklaren. Daarnaast stelt het Korps Verslaggevers de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging voor vast te stellen dat : Rendac N.V. prima facie een machtspositie bekleedt op de markt van de ophaling en verwerking van landbouwdieren alsmede prima facie op de markt voor het ophalen en verwerken en/of laten verbranden van kadavers van gezelschapsdieren zonder ceremonie in België. Rendac N.V. misbruik maakt van haar machtspositie door : - Het toepassen van te lage prijzen voor de aangeboden diensten; Het kruissubsidiëren van activiteiten op de relevante markt van de verwerking en laten verbranden van kadavers van gezelschapsdieren met opbrengsten gerealiseerd op een andere markt. en om anderzijds de volgende voorlopige maatregel te nemen op basis van artikel 35 van de wet : - Rendac N.V. te bevelen bovenvermelde praktijken te schorsen onder verbeurte van een dwangsom, te bepalen door de Voorzitter (Incine B.V.B.A. stelt hier een bedrag van 1.000.000fr voor) per dag en per inbreuk te rekenen vanaf de dag volgend op de kennisgeving bedoeld in artikel 40 bis W.B.E.M.” (p.23) In zijn verslag stelt het Korps Verslaggevers, bij wijze van algemene conclusie met betrekking tot de prima facie inbreuken op artikel 3 van de W.B.E.M. als volgt : “Volgens de verslaggever zijn er in het dossier voldoende aanwijzingen dat de firma Rendac N.V. misbruik heeft gemaakt van haar dominante machtspositie en dit door de volgende inbreuken op de W.B.E.M.: - Het hanteren van te lage prijzen; Het subsidiëren van deze lage prijzen via haar inkomsten verworven op een markt waarvoor zij een de facto monopolie heeft.” ( zie pag. 18 van het verslag van het Korps Verslaggevers). Inzake de vermeende prijsdiscriminatie ten opzichte van de B.V.B.A. Incine stelt de verslaggever echter : ” Uit voorgaande meen ik te kunnen afleiden dat er onvoldoende elementen in het dossier aanwezig zijn die erop wijzen dat er wel degelijk sprake is van een prijsdiscriminatie door Rendac t.o.v. de klager”. De Verslaggever wijkt hierbij af van het standpunt van de Dienst, die van oordeel was dat er een zekere prijsdiscriminatie vanwege Rendac N.V. heerst; niet alleen naar Incine B.V.B.A. toe, maar ook naar anderen. De Dienst stelde evenwel dat, om de precieze omvang van deze prijsdiscriminatie vast te Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 132 stellen, er een diepgaander onderzoek nodig was. (zie pag.12 van het verslag van het Korps Verslaggevers). IV. Het standpunt van de verwerende partij In haar memorie dd.2 maart 2001 stelt de N.V. Rendac dat het verzoek tot voorlopige maatregelen moet worden afgewezen : - - Wegens gebrek aan rechtstreeks en dadelijk belang voor wat de beweerde prijsdiscriminatie en de kruissubsidiëring aangaat vermits: - inzake prijsdiscriminatie : de door de Rendac N.V. aangeboden dienst door Incine B.V.B.A. niet wordt gewenst; - inzake kruissubsidiëring : de door de overheid verstrekte steunmaatregelen niet meer worden versterkt; Wegens gebrek aan ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel en meer bepaald aan hoogdringendheid; Wegens ongegrondheid, daar geen prima facie inbreuk op de mededingingswet voorhanden is, noch inzake prijsdiscriminatie, noch inzake het hanteren van te lage prijzen en evenmin inzake kruissubsidiëring. Ten aanzien van de gevorderde voorlopige maatregelen wijst de N.V. Rendac erop dat zij op de eindbeslissing vooruit lopen in zoverre zij de Voorzitter van de Raad verzoeken misbruik van machtspositie in hoofde van Rendac N.V. vast te stellen. Bovendien zijn volgens de N.V. Rendac de gevorderde maatregelen te vaag in hun omschrijving en overschrijdt de gevorderde dwangsom het bij wet bepaalde maximum. V. Bevoegdheid van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging Uit de hogervermelde feiten blijkt dat er in casu o.m. sprake is van een tussenkomst van de overheid (teneinde exploitatieverliezen van de N.V. Rendac te compenseren) zodat aanvankelijk de vraag kon rijzen of er niet sprake was van een of andere wijze van overheidssteun. Uit het dossier blijkt dat het Bestuur Handelsbeleid om die reden de B.V.B.A. Incine in eerste instantie met haar klacht naar de Europese Commissie heeft doorverwezen, gezien er sprake zou zijn van overheidssteun. De Europese Commissie heeft zich echter op het standpunt gesteld dat deze klacht een interne Belgische aangelegenheid betreft. De B.V.B.A. Incine heeft om die reden afgezien van het indienen van een klacht bij de Europese Commissie en heeft een eerste brief gericht aan de Voorzitter van de Raad op 13 juli 2000 waarin melding gemaakt wordt van deze diverse reeds ondernomen stappen. De Dienst heeft onderzocht of het tot de bevoegdheid van de Raad behoort om uitspraak te doen in dit dossier, gezien er op een of andere wijze sprake zou zijn van overheidssteun. De Dienst is de mening toegedaan, “naast de andere elementen van het verzoek (met name prijsdiscriminatie en te lage prijzen) dan het hierboven uitgewerkte element van kruissubsidiëring, dat de Raad in deze voorliggende zaak de bevoegdheid heeft om in deze zaak uitspraak te doen”. (zie pag.12 van het onderzoeksverslag van de Dienst). Wij stellen vast dat partijen de bevoegdheid van de Raad en /of de Voorzitter van de Raad niet betwisten. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 133 De B.V.B.A. Incine beroept zich op artikel 3 van de W.B.E.M., en dit voor de drie door haar ingeroepen inbreuken op de mededingingswet, te weten : - prijsdiscriminatie ten opzichte t.o.v. Incine B.V.B.A. het toepassen van te lage prijzen niet toegelaten kruissubsidiëring. Wij zijn derhalve van oordeel dat de Voorzitter van de Raad bevoegd is, gezien de aangeklaagde praktijken als een misbruik van machtspositie in de zin van artikel 3 van de W.B.E.M. dienen gekwalificeerd te worden. VI. Over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het verzoek Teneinde voorlopige maatregelen in de zin van artikel 35 van de W.B.E.M. te kunnen toekennen, dienen drie cumulatieve toepassingsvoorwaarden vervuld te zijn: - Het bestaan van een klacht ten gronde en daaraan verbonden het bestaan van een rechtstreeks en dadelijk belang van de klager. Het bestaan van een prima facie inbreuk op de W.B.E.M. Het vermoeden van een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel dat in verband staat met de aangeklaagde praktijk en dat dringend moet vermeden worden (zie o.m. Brussel, 18 december 1996, N.V. Honda Belgium e.a. t. Belgische Staat, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging, 1996, 836). Er dient thans onderzocht te worden of deze voorwaarden vervuld zijn. 1. Een klacht ten gronde 1.1. De B.V.B.A. Incine heeft op 2 februari 2001 een klacht tegen de N.V. Rendac (op basis van artikel 23 §1c) van de W.B.E.M.) wegens schending van artikel 3 van de W.B.E.M. ingediend bij de Raad voor de Mededinging. Er bestaat derhalve een instantie ten gronde zodat aan deze vereiste voldaan is. 1.2. Wij dienen tevens te onderzoeken of er een rechtstreeks en dadelijk belang is voor de klager. De N.V. Rendac betwist immers dat er een rechtstreeks en dadelijk belang zou zijn in hoofde van de B.V.B.A. Incine voor wat de beweerde prijsdiscriminatie en de kruissubsidiëring betreft. Wij zijn van oordeel dat de B.V.B.A. Incine wel degelijk een rechtstreeks en dadelijk belang heeft bij haar verzoek. De B.V.B.A Incine is immers een rechtstreekse concurrent van de N.V. Rendac. De B.V.B.A. Incine is hierbij actief op een specifiek segment van de kadaververwerking, waar de N.V. Rendac tevens actief is en een belangrijk marktaandeel heeft. Ten onrechte stelt de N.V. Rendac dat de B.V.B.A. Incine geen belang zou hebben inzake de prijsdiscriminatie, omdat de B.V.B.A. Incine de door de N.V. Rendac aangeboden dienst niet zou wensen. Zelfs indien dit het geval zou zijn, dan nog blijft de B.V.B.A. Incine belanghebbend om niet onderhevig te zijn aan enige prijsdiscriminatie vanwege de N.V. Rendac. Eveneens ten onrechte stelt de N.V. Rendac dat de B.V.B.A. Incine geen rechtstreeks en dadelijk belang meer zou hebben inzake de kruissubsidiëring, omdat de overheid geen steunmaatregelen meer zou verstrekken. Zoals onder de feiten reeds uiteengezet werd, hebben de door de overheid uitgekeerde subsidies nog minstens uitwerking gehad tot eind 2000, hetgeen tevens bevestigd wordt in het onderzoeksverslag van de Dienst. De N.V. Rendac bewijst geenszins dat er hic et nunc geen Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 134 tussenkomst meer van de overheid zou zijn, hetgeen overigens volstrekt onwaarschijnlijk is, gelet op de nieuwe op til zijnde crisis in de sector als gevolg van de mogelijke verspreiding van mond- en klauwzeer. Het verzoek van de B.V.B.A. Incine is derhalve ontvankelijk. 2. Het bestaan van een prima facie-inbreuk op de W.B.E.M. In het kader van artikel 35 van de W.B.E.M. volstaat het dat de aangeklaagde inbreuk een waarschijnlijk karakter vertoont, zonder dat het noodzakelijk is het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen met dezelfde graad van zekerheid als voor een eindbeslissing. (zie o.m. Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 14 januari 1998, Daube/Nationale Loterij, zaak nr.98 - VMP - 1; Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 30 augustus 2000, zaak MEDE-V/M - 27, VZW Radio Tienen, e.a. / CVBA Sabam, B.S., 9 januari 2001; Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 10 januari 2001, zaak nr. 2001 - V/M - 02, BBUSO /LCM en Regionale Christelijke Ziekenfondsen). Wij dienen thans te onderzoeken of de toepassingsvoorwaarden van artikel 3 van de W.B.E.M. vervuld zijn. In casu stellen Wij het volgende vast : - - De N.V. Rendac is reeds meerdere jaren actief in de verwerking /vernietiging van dierlijk afval en kadavers. Zij streeft op duurzame wijze een economisch doel na en kan zonder meer als een onderneming in de zin van artikel 1 en 3 van de W.B.E.M. beschouwd worden. Dit wordt overigens niet betwist door de partijen. De relevante productmarkt is de markt voor de ophaling en de verwerking en /of het laten cremeren zonder ceremonie van karkassen van gezelschapsdieren. Uit het onderzoek van de Dienst en het verslag van het Korps Verslaggevers blijkt immers dat er een onderscheid dient gemaakt te worden tussen landbouwdieren enerzijds en gezelschapsdieren anderzijds. Dit onderscheid is in functie van de grootheid van de benodigde installatie, doch is ook verantwoord omwille van zowel emotionele redenen (een gezelschapsdier is geen landbouwdier) als sanitaire redenen (men wenst niet dat het overleden gezelschapsdier opnieuw in de voedselketen wordt ingebracht). Ook het onderscheid tussen de verwerking en /of het laten cremeren met of zonder ceremonie van karkassen van gezelschapsdieren is verantwoord, gelet op het onderscheid in benodigde infrastructuur en het prijsverschil. De relevante geografische markt bestrijkt het gehele Belgische territorium, gezien de N.V. Rendac actief is op de gehele Belgische markt en de B.V.B.A. Incine momenteel actief is in het Vlaamse landsgedeelte, doch plannen heeft om haar diensten in geheel België aan te bieden. Partijen betwisten de omschrijving van de relevante product- en geografische markt overigens niet. - Er dient thans onderzocht te worden of de N.V. Rendac een machtspositie op de relevante producten geografische markt heeft. Een machtspositie is een positie die een onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen en het haar mogelijk maakt zich, jegens haar concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen (artikel 1

  1. b)W.B.E.M. en zie o.m. ook H.v.J., 14 februari 1978, United Brands t. Commissie, 27/76, Jur., 1978, 276; H.v.J., 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche t. Commissie, 85/76, Jur., 1979, 461). De N.V. Rendac ontkent niet dat zij de facto een monopoliepositie heeft op de markt van het ophalen en verwerken van landbouwdieren. Zij heeft dit overigens erkend in haar verklaring opzichtens de Dienst dd. 12 februari 2001, waar zij gesteld heeft dat het marktaandeel van de N.V. Rendac op dit ogenblik 100% is op de markt van de verwerking en vernietiging van kadavers van landbouwdieren. De N.V. Rendac ontkent evenwel over een machtspositie te beschikken op de markt voor de ophaling en de verwerking en/of het laten cremeren zonder ceremonie van karkassen van gezelschapsdieren. In hun memories maken zowel de N.V. Rendac als de B.V.B.A. Incine diverse berekeningen aangaande het marktaandeel van de Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 135 N.V. Rendac op deze markt. Wij stellen echter vast dat de N.V. Rendac zelf voorhoudt een marktaandeel van +/- 30 à 35% op deze markt te hebben, hetgeen ter zitting uitdrukkelijk bevestigd werd door de raadsman van de N.V. Rendac en geacteerd werd op het zittingsblad dd. 6 maart 2001. Uit de per analogie van toepassing zijnde rechtspraak van het Hof van Justitie in zake artikel 82 (ex artikel 86) E.G.-Verdrag blijkt dat ondernemingen die over een marktaandeel beschikken tussen 30 en 50%, mogelijks over een machtspositie op deze markt kunnen beschikken, doch dat in voorkomend geval bijkomende factoren in de beoordeling dienen betrokken te worden, teneinde tot een machtspositie te kunnen besluiten (zie o.m. H.v.J., 14 februari 1978, United Brands t. Commissie, 27/76, l.c., 276; H.v.J., 13 februari 1979, HoffmannLa Roche t. Commissie, 85/76, l.c., 461). Hierbij wordt rekening gehouden met het aantal en de slagkracht van de concurrenten. Uit het onderzoek van de Dienst en het Korps Verslaggevers blijkt dat het aantal concurrenten van de N.V. Rendac zeer beperkt is. Zo wordt door de N.V. Rendac zelf gesteld dat er slechts acht bedrijven vergund zijn om laagrisico-materiaal (waaronder kadavers van gezelschapsdieren) te verwerken, doch dat, sedert de dioxinecrisis van juni 1999, het verboden is om gezelschapsdieren te verwerken tot componenten van dierenvoeders, zodat de kadavers van honden en katten thans verbrand dienden te worden. Hiervoor zouden slechts twee bedrijven (naast de N.V. Rendac) vergund zijn. Er kan dan ook besloten worden dat het aantal concurrenten alleszins zeer beperkt is. Voorts dient vastgesteld te worden dat de N.V. Rendac over een eigen ophaalsysteem beschikt voor kadavers van gezelschapsdieren, zoals onder de feiten uiteengezet. De N.V. Rendac beschikt derhalve over een wijdverspreid ophaalsysteem en over een reeds beschikbaar verwerkingssyteem. Dit is verklaarbaar door het feit dat de N.V. Rendac de facto over een monopoliepositie beschikt op de markt van de verwerking en de ophaling van landbouwdieren. Er kan derhalve niet ontkend worden dat de N.V. Rendac een zeer sterke onderneming is, hetgeen tevens blijkt uit haar naambekendheid. Dit wordt bevestigd door de persberichten die door de overheid worden verspreid. De N.V. Rendac heeft bovendien een zeer grote financiële sterkte, hetgeen blijkt uit de geconsolideerde kerngegevens van de Sobel-groep waartoe zij behoort. Het betreft derhalve een grote onderneming die aanzienlijke financiële middelen en een groot personeelsbestand heeft. De N.V. Rendac beschikt bovendien over een netwerk van onderaannemers die in dienst van haar werken. Zij is tevens vertegenwoordigd in de Commissie Dierlijk Afval van de Openbare Afvalstoffen Maatschappij, zoals blijkt uit de lijst van de leden van deze Commissie. Ook dit bevestigt de sterkte van de N.V. Rendac. Samenvattend dient derhalve besloten te worden dat, niettegenstaande de N.V. Rendac slechts over een marktaandeel van +/- 30 à 35% op de relevante product- en geografische markt beschikt, toch dient besloten te worden, op grond van de bijkomende factoren, dat zij over een machtspositie op deze markt beschikt. Dat de N.V. Rendac over een machtspositie beschikt op de relevante product- en geografische markt, wordt tevens bevestigd door een brief dd.14 september 2000 van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Mevrouw Aelvoet, gericht aan de Federale Ombudsman, de heer Wuyts, waarin o.m. gesteld wordt : “In bepaalde segmenten, vnl. de kadaververwerking, bekleedt het bedrijf (bedoeld wordt : de N.V. Rendac) zelfs een de facto monopoliepositie. Hierdoor is het bedrijf in staat concurrentieel scherpe tarieven te hanteren en in vergelijking met een klein, opstartend bedrijf een bijzonder performant ophaalsysteem uit te bouwen”. Bij schrijven dd. 19 januari 2001 onderschrijft OVAM dit standpunt en stelt dat tot eind 2000 huisdierkrengen als laag-risicomateriaal mochten verwerkt worden bij de verschillende verwerkers van dierlijk afval. Volgens OVAM haalde maar één verwerker die dode huisdieren op en dat was N.V. Rendac, die als enige erkend en vergund is voor de verwerking van hoog-risicomateriaal. OVAM voegt er nog aan toe dat de andere bedrijven enkel vergund zijn voor de verwerking van laag-risicomateriaal en geen dode dieren in hun productieproces wensten. - Verder dient onderzocht te worden of er sprake is van misbruik van machtspositie door de N.V. Rendac op de relevante markt. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 136 Volgens de B.V.B.A. Incine zou de N.V. Rendac haar machtspositie op de betrokken markt misbruiken door : - prijsdiscriminatie ten opzichte van de B.V.B.A. Incine; het toepassen van te lage prijzen niet toegelaten kruissubsidiëring.
  2. a)Wij zijn van oordeel dat de niet toegelaten kruissubsidiëring prima facie bewezen wordt aan de hand van de correspondentie die met de diverse overheidsinstanties gevoerd werd, waaruit blijkt dat de overheid niet (kon) nagaan of de compensatievergoedingen van de overheid effectief en alleen voor de ophaling en verbranding van landbouwdieren gebruikt werden. Uit de volgende citaten kan afgeleid worden dat er tijdens de verwerking van de dioxinecrisis en de maatregelen ter bestrijding van de B.S.E.-problematiek in grote mate van waarschijnlijkheid kruissubsidiëring is opgetreden en mogelijks nog steeds aanwezig is. - - - In de brief van Vlaams Minister van Leefmilieu en Landbouw, Mevrouw Dua, dd. 19 januari 2000 wordt gesteld : “De Vlaamse Overheid subsidieert enkel de ophaling en verwerking van krengen van landbouwhuisdieren. Vermits de gezelschapsdieren apart geregistreerd worden, worden ze geenszins in rekening gebracht.” In het e-mailbericht van de heer Coosemans van het Kabinet van de Minister van Volksgezondheid dd.20 april 2000 wordt gesteld : “Zoals ik gisteren reeds zei, kan ik onmogelijk beoordelen of de overheid momenteel een extra vergoeding uitbetaalt voor gezelschapsdieren. De facturen vermelden alleen de vermelding “krengen” met verwijzing van gewest van oorsprong.” In de brief van Minister van Volksgezondheid en Leefmilieu, mevrouw Aelvoet dd. 29 juni 2000 wordt voorts toegevoegd : “De vermoedelijke ware reden van Uw herhaalde vragen en klachten schuilt wellicht in het vermoeden dat de Belgische overheid tijdens de dioxinecrisis en tijdens de overbruggingsperiode naar het definitieve verbod op kadaververwerking, de N.V. Rendac zou overcompenseren en aldus oneerlijke concurrentievoorwaarden creëren. Ik wens dit met klem tegen te spreken. 1. De N.V. Rendac werd nooit door de Belgische overheid vergoed voor de ophaling van kadavers. Dit is een exclusieve bevoegdheid van de gewesten. Wel betaalt het Ministerie van Volksgezondheid een vergoeding voor de exploitatieverliezen als gevolg van het niet commercialiseren van diermeel en voor de kostprijs voor de verbranding van dit diermeel. Deze regeling slaat op alle kadavers, onafgezien van hun oorsprong. 2. Bovendien kent de N.V. Rendac twee soorten ophalingen voor kadavers van huisdieren. Naast kadaverwagens wordt de ophaling bij o.m. kleinere dierenartsenpraktijken verzorgd met bestelwagens. De aanbieders weten dat deze kadavers nooit tot dierenmeel werden verwerkt, doch verbrand. Zij hebben steeds deze verbrandingskost dienen te betalen.” - - In de brief van Minister van Volksgezondheid en Leefmilieu, mevrouw Aelvoet dd. 14 september 2000 wordt er nog aan toegevoegd: “Om praktische redenen van organisatie is het ons onmogelijk om bij het bedrijf Rendac enige controle uit te voeren omtrent de aanvoer van de verschillende diersoorten en afgekeurde producten. Wij zien uiteraard wel streng toe op de naleving van het verbod op hergebruik.” In de fax van de heer Coosemans van het Kabinet van de Minister van Volksgezondheid aan de N.V. Rendac dd. 18 september 2000 wordt tenslotte gesteld: “Naar aanleiding van ons telefoongesprek van heden bevestig ik dat de vergoeding geïmputeerd op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid uitsluitend de kadaververwijdering van landbouwbedrijven betreft”. Dat de N.V. Rendac zich aan een niet toegelaten vorm van kruissubsidiëring heeft schuldig gemaakt, wordt tevens bevestigd door een eigen fax dd. 25 april 2000 van de N.V. Rendac aan de B.V.B.A. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 137 Incine naar aanleiding van een vraag tot prijsofferte voor de “voorverwerking en verbranding van kadavers van kleine gezelschapsdieren”, waarin de volgende opmerking geacteerd wordt : “Deze gunstige prijs is geldig zolang het vernietigen van dioxinevlees in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid loopt. Nadien zal een andere prijs meegedeeld worden. Het vernietigen van dioxinevlees zal rond 15 mei 2000 afgelopen zijn.” Er dient dan ook besloten te worden dat de N.V. Rendac een grove inbreuk pleegt op artikel 3 van de W.B.E.M. door als onderneming die zich de facto in een monopoliepositie bevindt op de markt van de ophaling en verwerking van landbouwdieren, de middelen gegenereerd op deze markt aanwendt om activiteiten op een andere markt, zijnde de markt voor het ophalen en verwerken van kadavers van gezelschapsdieren, te “subsidiëren”. Wij achten het bovendien bijzonder laakbaar dat, in tijden van dioxine-, BSE- en andere crisissen, overheidsmiddelen van hun finaliteit afgewend worden, teneinde concurrentievervalsing te organiseren, in het bijzonder door te trachten een de facto monopoliepositie op een markt (de markt van ophaling en verwerking van landbouwdieren) uit te breiden tot een andere markt (het ophalen en verwerken van kadavers van gezelschapsdieren) door de potentiële concurrenten uit de markt te jagen. Deze handelswijze van de N.V. Rendac verklaart naar alle waarschijnlijkheid tevens de lage prijzen die de N.V. Rendac op dit ogenblik vraagt voor de ophaling en verwerking van de kadavers van gezelschapsdieren, gezien de N.V. Rendac deze lage prijzen klaarblijkelijk subsidieert via haar inkomsten verworven op een markt waarvoor zij de facto een monopolie heeft.
  3. b)Inzake de prijsdiscriminatie stelt het Korps Verslaggevers dat er onvoldoende elementen in het dossier aanwezig zijn. Wij sluiten ons hierbij aan, gezien de B.V.B.A. Incine haar situatie vergelijkt met deze van particulieren, dierenartsenpraktijken, dierenasielen en medecontractanten. Ook De dienst heeft opgemerkt dat een dergelijke vergelijking eigenlijk niet opgaat, omdat de diensten niet als volledig identiek en substitueerbaar kunnen worden beschouwd. Wij zijn derhalve van oordeel dat er geen prima facie prijsdiscriminatie wordt bewezen. Het onderzoek ten gronde zal hierover verder uitsluitsel dienen te verstrekken.
  4. c)Inzake het toepassen van te lage prijzen stelt het Korps Verslaggevers dat uit een vergelijking van de verschillende tarieven inderdaad blijkt dat de tarieven van N.V. Rendac erg laag liggen. Het Korps Verslaggevers merkt echter op dat de betrokken ondernemingen niet allen dezelfde diensten verlenen. Niettemin sluit het Korps Verslaggevers zich aan bij de conclusie van de Dienst die van oordeel is dat er een inbreuk op artikel 3 W.B.E.M. zou kunnen zijn, daar de N.V. Rendac te lage prijzen zou hanteren, gepaard gaande met een mogelijke dominante machtspositie. Niettegenstaande de Dienst een vergelijking gemaakt heeft van de tarieven die door een aantal spelers op de markt worden gehanteerd, zijn Wij van oordeel dat prima facie niet kan besloten worden dat de N.V. Rendac zonder meer te lage prijzen zou hanteren. Gezien de Dienst en het Korps Verslaggevers zelf stellen dat de betrokken ondernemingen niet allen dezelfde diensten verlenen, zal ook deze mogelijke inbreuk verder dienen onderzocht te worden in het kader van een procedure ten gronde. Hoger hebben Wij bovendien reeds opgemerkt dat de te lage prijzen naar alle waarschijnlijkheid verklaard kunnen worden door de niet-toegelaten kruissubsidiëring zodat de stopzetting van deze praktijk, meteen tot gevolg zou dienen te hebben dat de te lage prijzen niet meer gehanteerd worden. 3. Het bestaan van een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel dat in verband staat met de aangeklaagde praktijk en dat dringend moet worden vermeden. Deze voorwaarden zijn cumulatief, in die zin dat het ontbreken van één van deze voorwaarden de gegrondheid van het verzoek tenietdoet. (Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 12 september 1994, zaak nr.94-VMP-4, S.A. Ets. Delhaize Frères et Cie. Le Lyon / S.A. Dior). Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 138 Voorlopige maatregelen mogen bovendien slechts genomen worden als het bestaan van een nadeel i.v.m. de aangeklaagde praktijk prima facie bewezen is. Dit nadeel moet van concurrentiele aard zijn, hetgeen impliceert dat niet alleen de situatie van de klager, maar ook die van de gehele betrokken markt in aanmerking dient genomen te worden (Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 27 september 1995, zaak nr.95-VMP-1, Intermosane). Het nadeel is ernstig van zodra een relevant onderdeel van de activiteit van de onderneming erdoor getroffen wordt. Het nadeel is onmiddellijk wanneer de uitwerking ervan op het ogenblik van het verzoek reëel of eminent is. Het nadeel is onherstelbaar wanneer de toestand zoals hij zou evolueren zonder de voorlopige maatregelen niet meer kan ongedaan gemaakt worden door de beslissing ten gronde van de Raad. De hoogdringendheidsvereiste impliceert dat aan de hand van nieuwe feiten wordt aangetoond dat de situatie in vergelijking tot deze op het ogenblik van het indienen van de klacht, verergerd is (zie Brussel, 18 december 1996, N.V. Honda Belgium e.a. t. Belgische Staat, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging, 1996, 836, nrs. 7.2 en 7.3). Er dient thans onderzocht te worden of deze voorwaarden in casu vervuld zijn. - - Wij stellen vast dat de B.V.B.A. Incine weliswaar sinds het derde kwartaal van 1998 met deze problematiek geconfronteerd werd als gevolg van het feit dat de N.V. Rendac zich ook in 1998 op deze markt sterker is gaan profileren. De B.V.B.A. Incine heeft vervolgens diverse stappen ondernomen bij verschillende overheidsinstanties, zoals uit de feiten blijkt, teneinde het probleem aan te klagen. Voorts heeft de B.V.B.A. Incine op 13 juli 2000 een aangetekend schrijven gericht aan de Voorzitter voor de Raad van de Mededinging teneinde de feiten te signaleren, waarna een formele klacht en een formeel verzoek om voorlopige maatregelen op 2 februari 2001 ingediend werden. Gezien de hoogdringendheidsvereiste in het kader van artikel 35 van de W.B.E.M. met een zekere flexibiliteit dient gehanteerd te worden, zijn Wij van oordeel dat het verzoek tot voorlopige maatregelen nog steeds aan de vereiste van hoogdringendheid voldoet. Ter vergelijking kan gesteld worden dat reeds geoordeeld werd dat het feit dat de klagers +/- 9 maanden gewacht hadden om een verzoek tot voorlopige maatregelen in te dienen, geen afbreuk aan het dringend karakter van het verzoek doet, wanneer partijen reeds voordien diverse rechtsvorderingen hadden ingesteld (Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 4 april 1996, zaak nr. 96- VMP-2, Occasiemarkt De Arend BVBA e.a. /Honda Belgium N.V. e.a.; in dezelfde zin Beslissing nr. 2001 V/M- 02 van 10 januari 2001 van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging, reeds geciteerd, waar geoordeeld werd dat een verzoek tot voorlopige maatregelen, ingediend +/- 6 maanden nadat een concurrentievervalsende raamovereenkomst gesloten werd, nog aan de vereiste van hoogdringendheid voldoet). Mede gelet op de diverse stappen die de BVBA Incine bij talrijke overheidsinstanties ondernomen heeft, dient dan ook besloten te worden dat de voorwaarde van hoogdringendheid vervuld is. Het nadeel in de zin van artikel 35 van de W.B.E.M. bestaat erin dat de B.V.B.A. Incine en ook andere ondernemingen niet over de mogelijkheid beschikken te concurreren met de N.V. Rendac op de betrokken markt en dat bestaande ondernemingen in de gegeven omstandigheden niet tot de markt zullen toetreden. Dit nadeel is ernstig nu de B.V.B.A. Incine zwaar verlieslatend is, hetgeen bevestigd wordt door de vaststellingen van o.m. Graydon naar aanleiding van de jaarrekening afgesloten op 30 juni 1999 waar over deze firma o.m. gesteld werd :” Er kunnen zich zware liquiditeitsproblemen voordoen. 95% van de gefaalde ondernemingen vertonen een lagere risicograad”. Aan de onmiddellijkheidsvereiste is tevens voldaan, in de mate dat een onderneming geen enkele kans maakt om zich met concurrentiele prijzen op de markt te profileren, omdat een onderneming in een machtspositie niet-kostprijs- gerelateerde prijzen hanteert ten gevolge van niet-toegelaten kruissubsidiëring. Het nadeel is tenslotte onherstelbaar in de mate dat de B.V.B.A. Incine aan de rand van het faillissement zou staan, hetgeen bevestigd wordt door de vaststelling van Graydon. De B.V.B.A. Incine zou tevens moeilijkheden hebben om bijkomende kredieten te verkrijgen ter financiering van de nodige aankopen om de continuïteit van haar activiteiten te verzekeren. Gezien de B.V.B.A. Incine aan de rand van faillissement zou staan, is deze situatie vanzelfsprekend onherstelbaar. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 139 Wij zijn derhalve van oordeel dat, indien niet op korte termijn een beslissing wordt genomen waarbij de N.V. Rendac verhinderd wordt misbruik te maken van haar machtspositie, de B.V.B.A. Incine van de markt zal verdwijnen. Los van het individueel belang voor de B.V.B.A. Incine zelf, die dan noodgedwongen haar activiteiten zal moeten staken, betekent dit vooral dat de markt, die nu al sterk oligopolistisch is, een aanbieder minder zal kennen. Het past dan ook dat een voorlopige maatregel wordt bevolen, zoals omschreven in het beschikkend gedeelte van deze beslissing. Om deze redenen, Wij, Béatrice Ponet, Voorzitter ad interim van de Raad voor de Mededinging, Verklaren het verzoek tot nemen van voorlopige maatregelen ontvankelijk en deels gegrond. Stellen vast dat de N.V. Rendac een machtspositie bekleedt op de markt van de ophaling en verwerking van landbouwdieren alsmede prima facie op de markt voor het ophalen en verwerken en/of laten verbranden van kadavers van gezelschapsdieren zonder ceremonie in België. Stellen vast dat de N.V. Rendac misbruik maakt van haar machtspositie door het kruissubsidiëren van activiteiten op de relevante markt van het ophalen en verwerken en/of laten verbranden van kadavers van gezelschapsdieren zonder ceremonie in België met opbrengsten/inkomsten gerealiseerd op de markt van de ophaling en verwerking van landbouwdieren, waardoor de N.V. Rendac te lage (nietmarktconforme) prijzen kan aanrekenen. Bevelen de N.V. Rendac deze praktijk te schorsen, onder verbeurte van een dwangsom van 250.000 fr. per dag te rekenen vanaf de dag volgend op de kennisgeving bedoeld in artikel 40 bis W.B.E.M. Aldus beslist op 9 maart 2001 door Béatrice Ponet, Voorzitter ad interim van de Raad voor de Mededinging. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 140

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.