← België

2001VM58

Beslissing nr. 2001-V/M-58 van 13 november 2001 Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging tot het nemen van voorlopige maatregelen ingediend door de BVBA Daems Racing/ Vlaamse Autosportfederatie. Gezien de klacht ten gronde dd.21 augustus 2001, gekend onder nr.MEDE-P/K-01/0049; Gezien het verzoek neergelegd op 6 september 2001, waarbij om voorlopige maatregelen werd gevraagd door de BVBA Daems Racing, met maatschappelijke zetel te 2440 Geel, Liessel 19, geregistreerd onder nr. MEDE-VMP-01/0052, met betrekking tot de praktijken van de volgende onderneming: De VZW Vlaamse Autosportfederatie, met zetel te 9041 Oostakker, Antwerpsesteenweg 1116; Gezien het onderzoeksverslag van de Afdeling Prijzen en Mededinging in toepassing van de artikelen 14 en 23 van de Wet tot Bescherming van de Economische Mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999, opgesteld op 21 september 2001 en op 24 september 2001 aan het Korps Verslaggevers overgemaakt; Gezien het gemotiveerd verslag van het Korps Verslaggevers in toepassing van artikel 35 van de Wet tot bescherming van de Economische Mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999 en overgemaakt op 27 september 2001; Gehoord op de zitting van 17 oktober 2001: - De heer Bert Stulens, verslaggever; De BVBA Daems Racing, vertegenwoordigd door de heer Karel Daems, zaakvoerder, en bijgestaan door Mr.Wim Mertens, advocaat te Beringen; De VZW Vlaamse Autosportfederatie, vertegenwoordigd door de heer Daniel Verschaeve, Voorzitter, de heer Dirk Vanmeerhaeghe, Secretaris-generaal en de heer G.Vandeput, beheerder en bijgestaan door Mr.Benoît Declerck, advocaat te Anzegem; Gezien de memorie namens de BVBA Daems Racing neergelegd op 24 oktober 2001; Gezien de memorie namens de VZW Vlaamse Autosportfederatie neergelegd op 30 oktober 2001; Gezien de stukken van het dossier; Gezien de Wet van 5 augustus 1991 tot Bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoördineerd op 1 juli 1999 (hierna W.B.E.M.) en o.m. artikel 35 luidens hetwelk de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging op aanvraag van de klager of van de Minister, voorlopige maatregelen kan nemen bestemd om de restrictieve mededingingspraktijken die het voorwerp van het onderzoek uitmaken te schorsen, indien het dringend is een toestand te vermijden die een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel kan veroorzaken voor de ondernemingen waarvan de belangen aangetast worden door deze praktijken of die schadelijk kan zijn voor het algemeen economisch belang. De VZW VAS heeft de vertrouwelijkheid van de stukken, die geclassificeerd werden als B (enkel toegankelijk voor de aanmeldende partijen en de leden van de Raad voor de Mededinging) niet betwist. De vertrouwelijkheid van deze stukken wordt gehandhaafd, zoals voorgesteld in de inventaris van het onderzoeksdossier. I. De feiten

  1. De BVBA Daems Racing, met maatschappelijke zetel te 2440 Geel, Liessel 19 is exclusief invoerder in België van banden van het merk Maxxis. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 312 Zij leverde in het verleden banden voor kartingwedstrijden.
  2. De VZW Vlaamse Autosportfederatie (hierna genoemd de VAS) met zetel te 9041 Oostakker, Antwerpsesteenweg 1116 is bevoegd om in de Vlaamse Gemeenschap de wedstrijden in de autosport (met inbegrip van de kartingwedstrijden) te reglementeren en te coördineren. Zij is de tegenhanger van de Association Sportive Automobile Francophone (afgekort ASAF), de Waalse autosportfederatie, die reeds het voorwerp uitmaakte van een voorlopige maatregel uitgesproken bij Beslissing van de (dienstdoende) Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 6 december
  3. De feiten 3.
  4. De feiten die aan de basis van het verzoek tot het nemen van voorlopige maatregelen liggen, kunnen bondig als volgt samengevat worden. Tijdens een vergadering van een werkgroep van de nationale sportcommissie van de autosport (procesverbaal van 12 februari 2001) zou beslist zijn om, voor het kartingseizoen 2001, de hardheid van de banden voor de klasse junioren/kadetten op 65° shore te brengen, in tegenstelling tot de vroegere 60° shore. De shore is een norm die de hardheid van de banden meet. Het uitvoerend comité van de VZW VAS heeft het kartingreglement goedgekeurd, waarbij beslist werd een shore van 65° in de klasse junioren/kadetten toe te passen. Deze beslissing werd bij hoogdringendheid genomen, gezien de eerste VAS-wedstrijd reeds op 18 maart 2001 werd voorzien. In het verslag van het uitvoerend comité van 8 maart 2001 maakt een lid de opmerking dat het toekennen van de shore 65°, waardoor slechts één merk van band leverbaar is, in de klasse junioren/kadetten problemen zou kunnen opleveren i.v.m. “de wet op de mededinging”. De Raad van Beheer van de VZW VAS volgt vervolgens in zijn vergadering van 13 maart 2001 het voorstel van het uitvoerend comité van de VZW VAS om de in de technische tabel opgenomen hardheid van de banden in de klasse junioren/kadetten op 65° shore te brengen. Het VAS kartingreglement 2001 wordt derhalve goedgekeurd. De secretaris van de VZW VAS gaat echter niet akkoord met deze wijziging, gezien deze 65° shore in strijd zou zijn met “de wet op de mededinging” omdat met uitzondering van één alle bandenmerken worden uitgesloten door deze regel, daar waar dit met de eerdere besliste 60° shore niet het geval was. De VZW VAS maakt in haar tijdschrift, editie juni 2001, bekend dat het VAS reglement Karting 2001 inhoudt dat de hardheid van de banden voor de klasse junioren/kadetten 65° shore bedraagt i.p.v. de voorheen geldende 60°shore. Door het optrekken van de shore-norm kan de BVBA Daems Racing geen banden meer leveren voor dit onderdeel van het kampioenschap. Het probleem waarmee de BVBA Daems Racing geconfronteerd wordt, stelt zich niet in de andere categorieën van kartingwedstrijden. De hardheid van de banden die kunnen gebruikt worden voor de kartingwedstrijden wordt eerst vastgelegd in de lijst van banden die gehomologeerd en gepubliceerd worden door de internationale autosportfederatie, de FIA. Op deze lijst is per band de shore vermeld waarbij dan eveneens een afwijking in min of in plus is voorzien, gezien niet elke band precies kan beantwoorden aan de shore die opgegeven wordt als referentie. Op de lijst van de door de FIA gehomologeerde banden, voldoen slechts twee banden van hetzelfde merk (het merk VEGA) aan het criterium van 65° shore, opgelegd door de VZW VAS. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 313 3.
  5. In het technisch reglement van de VAS-reglementen voor het kampioenschap karting 2001 wordt onder artikel 6.
  6. bovendien een bepaling opgenomen inzake bandenkeuze die als volgt luidt: “- De piloot moet bij zijn eerste wedstrijd van het seizoen bekend maken met welk merk en type band (zie informatieve tabel) hij wenst te rijden voor het verdere seizoen. Dit kan vermeld worden bij de voorinschrijving of ten laatste bij de inschrijving op de dag zelf. De piloot is verplicht bij de keuze van de slick hetzelfde merk regenband te kiezen. Het mengen van verschillende types van éénzelfde merk is verboden. - Wijzigingen in de keuze van merk en/of type kunnen slechts éénmaal in de loop van het seizoen gebeuren…”. De BVBA Daems Racing heeft tevens bezwaar tegen deze bepaling, waaromtrent zij stelt dat er geen enkel objectief criterium is waarom men zich bij hetzelfde type band zou moeten houden. 3.
  7. Het kartingseizoen voor 2001 is gestart op 18 maart 2001 en eindigt met een laatste wedstrijd op 28 oktober
  8. De BVBA Daems Racing heeft op 21 augustus 2001 een klacht ten gronde neergelegd bij de Raad voor de Mededinging. Het verzoek tot voorlopige maatregelen werd neergelegd op 6 september
  9. Op dat ogenblik waren nog de volgende kartingwedstrijden gepland: - 9 september 2001 te Francorchamps 7 oktober 2001 te Mariëmbourg 14 oktober 2001 te Francorchamps 28 oktober 2001 te Genk. 3.
  10. Ter zitting van 17 oktober 2001 stellen partijen dat voor het kartingseizoen van 2002 een nieuw homologatiesysteem zal gelden zodat de thans vereiste hardheid van de banden voor de klasse junioren/kadetten a rato van 65° shore, niet meer van toepassing zal zijn. Het homologatiesysteem zal vanaf het seizoen 2002 volledig gewijzigd worden en voorzien in een classificatie van de kartingbanden in 3 categorieën, nl. de categorieën “Hard”, “Medium” en “Soft”.
  11. Op 6 december 2000 werd reeds een beslissing genomen door de dienstdoende Voorzitter voor de Raad van de Mededinging, die gevat was door een verzoek in voorlopige maatregelen in een gelijkaardig dossier, aanhangig gemaakt door de SPRL Kilt en de heer Erik Thierry, die exclusief invoerder zijn van banden van het merk Dunlop voor de kartingmarkt in België. De klacht ten gronde in deze procedure moet nog afgehandeld worden. De klacht was gericht tegen de beslissing van de “Association Sportive Automobile Francophone (ASAF)” om eenzijdig technische specificaties aan de banden op te leggen, met het gevolg dat Dunlop volledig uitgesloten werd in alle categorieën van de kartingcompetitie. Bij Beslissing dd. 6 december 2000 legde de (dienstdoende) Voorzitter van de Raad voor de Mededinging in haar beslissing aangaande de voorlopige maatregelen het verbod op aan de A.S.A.F. om technische kenmerken op te leggen die tot gevolg zouden hebben dat een bandenmerk op een nietobjectieve manier wordt uitgesloten. Bovendien oordeelde de dienstdoende Voorzitter dat elke verplichting van de ASAF om een bepaald bandenmerk op te leggen voor de kartingwedstrijden diende te worden geschrapt en vervangen door de verplichting voor de piloot om een keuze te kunnen maken uit een lijst die, per categorie van wedstrijd, de merken en kenmerken vermeldt van de banden die voldoen aan de technische criteria die vooraf werden vastgelegd (homologatie, afmetingen, Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 314 hardheid). (Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 6 december 2000, zaak nr.2000- V/M-39, ETE-Kilt /ASAF, B.S., 27 februari 2001). II. De aanvraag tot voorlopige maatregelen De BVBA Daems Racing vraagt aan de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging het volgende: “- Dat het verzoek ontvankelijk en gegrond zou verklaard worden. - Dat de Heer Voorzitter van de Raad voor de Mededinging zou beslissen dat aan de VAS onmiddellijk verbod wordt opgelegd om technische kenmerken op te leggen in de reglementering die voor gevolg hebben dat op een niet-objectieve wijze een type en merk van band wordt uitgesloten en dat tevens verbod wordt opgelegd aan de VAS nog langer te verbieden hetgeen vermeld is in artikel 6.
  12. van het technische reglement, nl. dat piloten slechts éénmaal per seizoen van merk van banden zouden mogen wisselen. - Minstens dat deze restrictieve mededingingspraktijken zouden worden opgeschort. - Te zeggen voor recht dat een norm dient te worden opgelegd die voor gevolg heeft dat uit de lijst van de goedgekeurde en gehomologeerde banden verschillende types en merken van banden voldoen. - Te zeggen voor recht dat de VZW VAS op haar kosten de uit te spreken beslissing zal dienen te publiceren in het tijdschrift VAS Dynamiek en dient mee te delen aan al de Paksecretariaten nl. van Vlaams-Brabant, Antwerpen, Limburg, West- en Oost-Vlaanderen evenals aan alle Vlaamse clubs lid van VAS, evenals dit op zijn internet website mee te delen.” III. Het standpunt van de Verslaggever Het Korps Verslaggevers komt tot volgend algemeen besluit: “Op basis van deze bevindingen komt het Korps Verslaggevers tot de volgende conclusie: het verzoek om voorlopige maatregelen is weliswaar ontvankelijk, maar ondanks het feit dat er een procedure ten gronde bestaat, dat er inderdaad een prima facie inbreuk kan worden vastgesteld op artikel 2 van de wet, is het verzoek niettemin ongegrond wegens het ontbreken van de vereiste ernst en onherstelbaar karakter van het nadeel”. Het Korps Verslaggevers stelt de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging dan ook voor voorliggend verzoek tot het nemen van voorlopige maatregelen als ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. In zijn verslag stelt het Korps Verslaggevers dat uit het dossier niet voldoende gegevens blijken waaruit kan worden getwijfeld aan het objectief karakter van de beslissing van de VAS om op grond van redenen van veiligheid over te gaan tot een hardheid van banden van 60° naar 65° shore voor de categorie junioren en kadetten. Het Korps Verslaggevers merkt op dat het al dan niet objectief karakter van dit criterium het voorwerp zal uitmaken van het onderzoek ten gronde. Het Korps Verslaggevers is echter de mening toegedaan dat in het kader van deze procedure de beslissing 60° shore /65° shore op het eerste zicht geen inbreuk op de mededingingsregels vormt. Inzake de verplichting voor de piloten van elke categorie om in het begin van het seizoen aan te geven met welke banden zij zullen rijden, waarna zij tijdens het seizoen slechts éénmaal van banden mogen wisselen, stelt het Korps Verslaggevers zich de vraag of achter deze maatregel niet eerder economische motieven schuilgaan dan veiligheidsaspecten. Opnieuw merkt het Korps Verslaggevers op dat het onderzoek ten gronde zal moeten aantonen of veiligheid wel degelijk de drijfveer achter deze beslissing is. In het kader van deze procedure gaat het Korps Verslaggevers echter evenwel uit Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 315 van de stelling dat er op het eerste zicht geen objectieve verklaring bestaat voor deze maatregel en dat deze dus niet conform de Belgische mededingingsregels is. Het Korps Verslaggever is tenslotte de mening toegedaan dat de klagende partij onvoldoende bewijst dat zij door de vermeende restrictieve mededingingspraktijken een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel oploopt, waarbij het Korps aanstipt dat het verzoek tot voorlopige maatregelen slechts op het einde van het kartingseizoen werd neergelegd. Het Korps merkt hierbij op dat, op het ogenblik van de zitting voor de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging, slechts nog één wedstrijd te rijden blijft en het homologatiesysteem voor de competitie 2002 in ieder geval volledig zal gewijzigd worden. IV. Over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het verzoek Teneinde voorlopige maatregelen in de zin van artikel 35 van de W.B.E.M. te kunnen toekennen, dienen drie cumulatieve toepassingsvoorwaarden vervuld te zijn: - Het bestaan van een klacht ten gronde en daaraan verbonden het bestaan van een rechtstreeks en dadelijk belang van de klager. Het bestaan van een prima facie inbreuk op de W.B.E.M. Het vermoeden van een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel dat in verband staat met aangeklaagde praktijk en dat dringend moet vermeden worden (zie o.m. Brussel, 18 december 1996, N.V.Honda Belgium e.a. /Belgische Staat, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging, 1996, 836). Er dient thans onderzocht te worden of deze voorwaarden vervuld zijn.
  13. Een klacht ten gronde 1.
  14. De BVBA Daems Racing heeft op 21 augustus 2001 een klacht tegen de VZW VAS ingediend bij de Raad voor de Mededinging op grond van een schending van artikel 2 §1 van de W.B.E.M. Er bestaat derhalve een klacht ten gronde zodat aan deze vereiste voldaan is. 1.
  15. Wij dienen tevens te onderzoeken of er een rechtstreeks en dadelijk belang is in hoofde van de klager. Overeenkomstig artikel 23 §1c van de WBEM moet de klager aantonen dat hij een rechtstreeks en dadelijk belang heeft bij het indienen van de klacht. Als leverancier van kartingbanden heeft de BVBA Daems Racing wel degelijk aangetoond een rechtstreeks en dadelijk belang te hebben bij de klacht ingediend tegen de reglementen die door de VZW VAS worden opgelegd.
  16. Het bestaan van een prima facie inbreuk op de W.B.E.M. In het kader van artikel 35 van de W.B.E.M. volstaat het dat de aangeklaagde inbreuk een waarschijnlijk karakter vertoont, zonder dat het noodzakelijk is het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen met dezelfde graad van zekerheid als voor een eindbeslissing (zie o.m. Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 14 januari 1998, Daube/Nationale Loterij, zaak nr. 98-VMP-1; Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 30 augustus 2000, zaak MEDE-V/M-27, VZW Radio Tienen, e.a./CVBA Sabam, B.S., 9 januari 2001; Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 10 januari 2001, zaak nr.2001 – V/M/02, BBUSO/LCM en Regionale Christelijke Ziekenfondsen, B.S., 5 mei 2001; Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 9 maart 2001, zaak nr. 2001 – V/M 12, BVBA Incine /N.V. Rendac, B.S., 28 september 2001). Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 316 Wij dienen thans te onderzoeken of de toepassingsvoorwaarden van artikel 2 van de W.B.E.M. vervuld zijn. 2.
  17. De VZW VAS dient als een ondernemingsvereniging in de zin van artikel 2 § 1 van de W.B.E.M. beschouwd te worden. De VZW VAS en de provinciale comités staan immers (net als de Waalse tegenhanger, de ASBL ASAF) in voor de organisatie en de ontwikkeling van de autosport zodat zij op duurzame wijze een economisch doel nastreven, nu zij o.m. ook sportcompetities organiseren. Overigens is de rechtsvorm van de ondernemingsvereniging zonder belang (in casu een VZW). In een vorige beslissing van de Voorzitter van de Raad (Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 6 december 2000, reeds geciteerd) werd eveneens reeds geoordeeld dat de Waalse tegenhanger van de VZW VAS als een ondernemingsvereniging diende beschouwd te worden. Het door de VZW VAS uitgevaardigde Kartingreglement 2001 dient voorts als een besluit van een ondernemingsvereniging aanzien te worden. Besluiten van ondernemingsverenigingen nemen dikwijls de vorm aan van reglementen opgesteld door de daartoe bevoegde organen van de vereniging en zijn hierdoor kenmerkend dat zij bindend zijn voor alle leden of door hun inhoud omdat zij in dwingende bewoordingen zijn opgesteld. Door in het Kartingreglement 2001 een bepaling op te nemen waardoor voor de categorie junioren /kadetten de hardheid van de banden op 65 ° shore (in plaats van 60 ° shore voorheen) en door de verplichting op te leggen aan de piloten om slechts éénmaal per seizoen van bandenmerk te wisselen, en dit voor alle categorieën, heeft het Kartingreglement een rechtstreekse impact op de economische activiteit van alle invoerders van kartingbanden. Het Kartingreglement 2001 van de VZW VAS dient derhalve als een besluit van een ondernemingsvereniging in de zin van artikel 2 §1 van de W.B.E.M. beschouwd te worden. 2.
  18. Er dient vervolgens onderzocht te worden of het besluit (in casu het Kartingreglement 2001) van de ondernemingsvereniging, VZW VAS, ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging op de Belgische betrokken markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst. 2.2.
  19. De relevante productmarkt is de markt van banden voor kartingwedstrijden in competitieverband. Deze marktafbakening werd reeds weerhouden in de beslissing van de Voorzitter voor de Raad van Mededinging dd.6 december 2000 en werd tevens door de Verslaggever voorgesteld. Wij zijn van oordeel dat er binnen deze markt geen verdere opsplitsing moet worden gemaakt naargelang van de verschillende bestaande categorieën. 2.2.
  20. De relevante geografische markt bestrijkt de Vlaamse Gemeenschap, welke een substantieel deel uitmaakt van het Belgisch grondgebied. Deze geografische marktafbakening werd eveneens door de verslaggever voorgesteld en is in overeenstemming met de reeds geciteerde Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging dd.6 december 2000, waarin geoordeeld werd dat de relevante geografische markt de Franse en Duitstalige gemeenschap betrof. Hoger werd reeds opgemerkt dat de VZW VAS bevoegdheid heeft om in de Vlaamse Gemeenschap de wedstrijden in autosport te reglementeren en te coördineren. Partijen betwisten overigens de omschrijving van de relevante product – en geografische markt als zodanig niet. 2.
  21. Er dient thans onderzocht te worden of er sprake is van een merkbare beperking van de mededinging. Hierbij dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de twee door de BVBA Daems Racing BVBA aangeklaagde besluiten: Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 317 a) De bepaling in het Kartingreglement van de VZW VAS, waardoor voor de categorie junioren /kadetten de hardheid van de banden op 65° shore gelegd wordt (in plaats van 60° shore, zoals voorheen) wordt door de VZW VAS verantwoord door te refereren aan de veiligheid. In de Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging dd.6 december 2000 werd aanvaard dat de ASAF de mogelijkheid mocht behouden om bepaalde normen op te leggen in verband met de grootte en hardheid van de banden, voor zover hierbij objectieve criteria worden gehanteerd. In casu wordt een objectief criterium, met name de veiligheid van jonge deelnemers aan kartingwedstrijden (junioren en kadetten) als objectief criterium door de VZW VAS naar voor geschoven teneinde de beslissing te rechtvaardigen, die de volledige uitsluiting van alle bandenproducenten, met uitzondering van één bandenmerk, op een deel van de markt voor kartingbanden voor competitiewedstrijden, voor gevolg heeft. Wij stellen vast dat de BVBA Daems Racing de objectiviteit van het gehanteerde criterium betwist. Wij stellen echter vast dat in de Beslissing van de Voorzitter van 6 december 2000 reeds werd aanvaard dat de hardheid van de banden een invloed heeft op de snelheid van de voertuigen en derhalve van belang kan zijn voor de veiligheid van de kartingrijders. Bovendien blijkt uit de door de BVBA Daems Racing bijgebrachte verklaringen van de BV Harm Schuurman dd.18 oktober 2001 en de verklaring van de Manager Customer Belux dd.23 oktober 2001 dat de hardheid van de banden (de shore) weldegelijk een invloed heeft op de veiligheid van het rijden, zij het dat in deze verklaringen gesteld wordt dat nog andere factoren van belang zijn. De VZW VAS brengt bovendien een uittreksel van het technisch reglement bij betreffende de klasse miniemen, waaruit blijkt dat de shore/hardheid voor deze categorie van jongste kartingrijders slechts 70° bedraagt. De nog hogere vereiste shore voor deze categorie van zeer jonge kartingrijders, wordt eveneens verantwoord door het criterium van de veiligheid. Gelet op de hogervermelde elementen zijn Wij van oordeel dat in het kader van huidige procedure van voorlopige maatregelen geen prima facie inbreuk op artikel 2 §1 van de W.B.E.M. dient vastgesteld te worden door de beslissing van de VZW VAS om de shore van 60° op 65° te brengen voor de categorie junioren en cadetten. De VZW VAS heeft immers prima facie op voldoende wijze aannemelijk gemaakt dat deze beslissing gestoeld is op objectieve criteria. b) Anders is het echter gesteld met de beslissing opgenomen in het Kartingreglement van de VZW VAS, om de piloten van elke categorie te verplichten om in het begin van het seizoen aan te geven met welke banden zij zullen rijden en hen vervolgens te verplichten tijdens het seizoen slechts eenmaal van band te wisselen. Wij sluiten ons aan bij het standpunt van de verslaggever, die van oordeel is dat voor dit besluit op het eerste gezicht geen objectieve verklaring bestaat, gezien de VZW VAS niet aantoont dat dit besluit gerechtvaardigd kan worden op grond van het objectief criterium van de veiligheid. Integendeel kunnen vragen gesteld worden bij de verplichting voor een piloot om slechts éénmaal per seizoen van banden te wisselen. In het bijzonder indien deze tweede keuze van de kartingpiloten niet de meest veilige blijkt te zijn, komt het Ons voor dat de kartingpiloten steeds de mogelijkheid moeten hebben om zoveel als nodig van banden te ruilen. Dit onderdeel van het kartingreglement heeft bovendien een vele grotere impact op de markt van de kartingbanden voor competitiewedstrijden, gezien zij betrekking heeft op alle categorieën. Wij zijn derhalve van oordeel dat het besluit van de VZW VAS om de kartingpiloten van elke categorie te verplichten in het begin van het seizoen aan te geven met welke banden zij zullen rijden en hen vervolgens te verplichten om tijdens het seizoen slechts éénmaal van banden te wisselen, als een prima facie inbreuk op artikel 2 § 1 van de W.B.E.M. dient aanzien te worden.
  22. Het bestaan van een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel dat in verband staat met de aangeklaagde praktijk en dat dringend moet worden vermeden. Deze voorwaarden zijn cumulatief, in die zin dat het ontbreken van één van deze voorwaarden de gegrondheid van het verzoek tenietdoet. (Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 318 Mededinging van 12 september 1994, zaak nr. 94–VMP–4, S.A. Ets. Delhaize Frères et Cie. Le Lion / S.A. Dior). Voorlopige maatregelen mogen slechts genomen worden als het bestaan van een nadeel in verband met de aangeklaagde praktijk prima facie bewezen is. Dit nadeel moet van concurrentiele aard zijn, hetgeen impliceert dat niet alleen de situatie van de klager, maar ook die van de gehele betrokken markt in aanmerking dient genomen te worden (Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 27 september 1995, zaak nr.95 VMP-1, Intermosane). Het nadeel is ernstig van zodra een relevant onderdeel van de activiteit van de onderneming erdoor getroffen wordt. Het nadeel is onmiddellijk wanneer de uitwerking ervan op het ogenblik van het verzoek reëel of eminent is. Het nadeel is onherstelbaar wanneer de toestand zoals hij zou evolueren zonder de voorlopige maatregelen niet meer kan ongedaan gemaakt worden door de beslissing ten gronde van de Raad. De hoogdringendheidsvereiste impliceert dat aan de hand van nieuwe feiten wordt aangetoond dat de situatie in vergelijking tot deze op het ogenblik van het indienen van de klacht, verergerd is (Brussel, 18 december 1996, N.V. Honda Belgium e.a. t. Belgische Staat, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging, 1996, 836, nrs.7.
  23. en 7.
  24. Er dient thans onderzocht te worden of deze voorwaarden in casu vervuld zijn. 3.
  25. Uit de hoger uiteengezette feiten blijkt dat het Kartingreglement 2001 pas definitief goedgekeurd werd door de Raad van Bestuur van 13 maart
  26. Dit Kartingreglement 2001 werd slechts gepubliceerd in het tijdschrift van de VZW VAS, VAS Dynamiek, van juni
  27. De VZW VAS stelt dat de klagende partij reeds vroeger kennis zou gehad hebben van het nieuwe Kartingreglement van
  28. Zij bewijst echter niet dat zij dit Kartingreglement 2001 aan de BVBA Daems Racing heeft opgestuurd, noch toont zij aan dat zij het reglement reeds vroeger op haar website heeft ter kennis gebracht. Er dient derhalve aangenomen te worden, bij gebrek aan bewijs van het tegendeel, dat de BVBA Daems Racing slechts kennis heeft gekregen van het nieuwe Kartingreglement 2001 in het tijdschrift VAS Dynamiek van juni
  29. De klagende partij heeft vervolgens op 6 september 2001 een verzoek tot het nemen van voorlopige maatregelen neergelegd, zodat vastgesteld dient te worden dat zij +/- 2 ½ maand na de kennisname van het nieuwe Kartingreglement 2001 haar verzoek heeft neergelegd. Wij zijn van oordeel dat hierdoor aan de vereiste van hoogdringendheid wordt voldaan. Overigens heeft de Voorzitter van de Raad in het verleden de vereiste van hoogdringendheid in het kader van artikel 35 van de W.B.E.M. reeds soepel geïnterpreteerd (zie o.m. Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging nr. 2001-V/M-12 van 9 maart 2001,reeds geciteerd; Beslissing van de Voorzitter van de Raad van de Mededinging nr. 2001 V/M-02 van 10 januari 2001, reeds geciteerd; Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging van 4 april 1996, zaak nr.96-VMP-2, Occasiemarkt De Arend BVBA e.a./Honda Belgium N.V. e.a.). 3.
  30. Het nadeel dat de BVBA Daems Racing lijdt door het besluit van de VZW VAS om de piloten te verplichten om voor elke categorie in het begin van het seizoen aan te geven met welke banden zij zullen rijden en vervolgens de verplichting op te leggen tijdens het seizoen slechts éénmaal van band te wisselen, is ernstig, nu dit een aanzienlijke beperking op concurrentieel vlak inhoudt voor de leveranciers van kartingbanden. Zoals hoger reeds werd aangestipt, geldt dit besluit immers voor alle categorieën voor kartingrijders. Wij dienen bovendien op te merken dat uit stuk 16 van de VZW VAS blijkt dat dit besluit uit het kartingreglement 2001 integraal wordt overgenomen in het VAS-reglement van
  31. In het verslag van de vergadering Karting dd.1 oktober 2001 wordt immers gesteld dat het VAS-reglement in 2002 integraal wordt overgenomen met uitzondering van de banden. Het nadeel dat de BVBA Racing Daems lijdt zal bijgevolg ook in de toekomst, met name in het seizoen 2002, voortduren. Wij stellen bovendien vast dat, op het ogenblik van het neerleggen van het verzoek tot voorlopige maatregelen op 6 september 2001, nog vier kartingwedstrijden zouden plaatsvinden, zodat het nadeel van de BVBA Daems Racing, op het ogenblik van het neerleggen van het verzoek, reëel en derhalve onmiddellijk was. Het nadeel zal bovendien in de toekomst voortduren, zodat het nog steeds relevant is. Gezien de VZW VAS reeds beslist heeft om het reglement op dit punt te handhaven in het kartingseizoen 2002, is het nadeel voor de BVBA Daems Racing tevens onherstelbaar. In de Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 319 Beslissing van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging dd.6 december 2000 werd terecht reeds aangenomen dat het vergrendelen van de markt voor één jaar, ontegensprekelijk een financieel nadeel impliceert. Wij zijn derhalve van oordeel dat ook aan deze derde vereiste voldaan is. Het past dan ook een voorlopige maatregel te bevelen, zoals omschreven in het beschikkend gedeelte van deze beslissing. Om deze redenen, Wij, Béatrice Ponet, Voorzitter van de Raad voor de Mededinging, Verklaren het verzoek tot nemen van voorlopige maatregelen ontvankelijk en deels gegrond. Schorsen, tot aan de uitspraak door de Raad voor de Mededinging ten gronde, ieder kartingreglement van de VZW VAS in de mate dat hierin vereist wordt dat de piloten van elke categorie in het begin van het seizoen dienen aan te geven met welke banden zij zullen rijden en waarbij de verplichting wordt opgelegd dat zij tijdens het seizoen slechts éénmaal van band mogen wisselen. Bevelen aan de VZW VAS om op haar kosten het beschikkend gedeelte van deze beslissing te publiceren in het tijdschrift VAS Dynamiek en bevelen tevens aan de VZW VAS om het beschikkend gedeelte van deze beslissing op haar website mede te delen. Aldus beslist op 13 november 2001 door Béatrice Ponet, Voorzitter van de Raad voor de Mededinging. Jaarverslag - Bijlagen - 2001 - Annexes - Rapport annuel 320

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.