← België

2002PK08

Beslissing nr. 2002-P/K-08 van 8 februari 2002 INZAKE : Van Nieuwenhuysen N., (B.V.B.A. Van Nieuwenhuysen & Co), Parfumerie BO, 1730 ASSE, Velm 2, tegen : Diacosmo Belgique N.V, 3940 Hechtel, Hasseltsebaan 147, Gelet op de brief van 4 oktober 1993 van klager mevrouw N. Van Nieuwenhuysen, door de Dienst voor de Mededinging geregistreerd op 6 oktober 1993 onder nummer PRA - 93/0012F, waarbij de klager de Dienst verzoekt een onderzoek te verrichten met betrekking tot de verkoopsweigering van de cosmetica leverancier Diacosmo Belgique N.V. aan Parfumerie Bo. Gezien het onderzoekverslag van de verslaggever dd 26 november 2001 dat aan de Raad voor de Mededinging werd overgemaakt in toepassing van artikel 24, § 2, van de Wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit van 1 juli 1999 (verder : W.B.E.M.) en dat het verslag op 6 december 2001 aan de klager in toepassing van artikel 24, §2, W.B.E.M. werd overgemaakt. Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Overwegende dat de verslaggever in zijn verslag van 26 november 2001 aan de Raad een gemotiveerd voorstel tot sepot op grond van artikel 24, § 2, van de W.B.E.M. heeft voorgelegd. Overwegende dat de klager ter zitting vertegenwoordigd werd door de heer Van Nieuwenhuysen. Gehoord ter zitting van 1 februari 2002 : - de verslaggever, de heer B. Stulens. Over het voorwerp van de klacht en over de proceduriële voorgaanden Overwegende dat mevrouw N. Van Nieuwenhuysen blijkens schrijven dd 4 oktober 1993 gericht aan de Dienst voor de Mededinging, de Dienst verzoekt een onderzoek in te stellen met betrekking tot de verkoopsweigering van de cosmetica leverancier Diacosmo Belgique N.V. aan parfumerie Bo. Dat dit schrijven op 6 oktober 1993 als klacht werd geregistreerd door de Dienst onder het nummer PRA-93/0012F. Dat aan de klacht, na het verkrijgen van beklaagde van inlichtingen op 7 maart 1994, geen verder gevolg werd gegeven. Dat klager in een schrijven dd 19 oktober 1994 de klacht heeft ingetrokken en in een schrijven dd 21 augustus 1996 de klacht heeft hernieuwd. Dat aan de hernieuwde klacht geen gevolg is gegeven. Over de toepasselijke wet in verband met de verjaring Overwegende dat huidige procedure op 4 oktober 1993 werd ingeleid onder toepassing van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging. Dat de gewijzigde wet tot bescherming van de economische mededinging, zoals gecoördineerd bij K.B. van 1 juli 1999 bepaalt dat deze gewijzigde wet niet van toepassing is op de procedures die hangende zijn bij de Raad voor de Mededinging of bij het Hof van Beroep te Brussel op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze gewijzigde wet (art.47 van de Wet van 26 april 1999 (II)), nl. 1 oktober

  1. Dat de tekst in verband met de verjaring overigens zowel in de oude als in de nieuwe wet dezelfde is. Dat de Raad slechts een procedure bij hem als hangende beschouwt wanneer een verslag bij hem werd voorgelegd door de Dienst voor 1 oktober
  2. Dat in casu het verslag van de verslaggever bij de Raad werd neergelegd op 26 november 2001, zodat de nieuwe wet dan ook van toepassing is. Dat artikel 48 § 1 van de W.B.E.M. bepaalt : "Het onderzoek bedoeld in artikel 23 mag slechts betrekking hebben op feiten die zich niet langer dan vijf jaar geleden voordeden. De termijn wordt berekend vanaf de datum van de beslissing van de Dienst voor de Mededinging om ambtshalve een onderzoek in te stellen of vanaf de datum van het aanhangig maken van de zaak bij de Dienst overeenkomstig artikel 23 § 1". Dat artikel 48 § 2 van de W.B.E.M. bepaalt : "De verjaringstermijn met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing is vijf jaar te rekenen vanaf de datum bedoeld bij §
  3. De verjaring wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of daden van beslissing verricht binnen de termijn bepaald in het vorige lid; met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen". Dat wij moeten vaststellen dat er sinds meer dan vijf jaar geen onderzoeksdaden werden gesteld, zodat onderhavige zaak verjaard is. Dat het dossier om die reden moet worden geseponeerd. Dat voor zoveel als nodig moet opgemerkt worden dat inzake selectieve distributiecontracten de toen geldende Europese regelgeving niet meer van toepassing is en dat de inwerkingtreding van Verordening 2790/1999 inzake groepsvrijstelling verticale overeenkomsten met zich brengt dat alle selectieve distributiecontracten op 1 januari 2002 aangepast en in regel moeten zijn met deze nieuwe Verordering verticale afspraken. OM DEZE REDENEN, De Raad voor de Mededinging, Verklaart de zaak gekend onder nr. PRA 93/0012F verjaard en seponeert het dossier in toepassing van artikel 24, § 2, W.B.E.M. Aldus uitgesproken op 1 februari 2002, door de Kamer van de Raad voor de Mededinging samengesteld uit : de heer Peter Poma, kamervoorzitter, mevrouw Béatrice Ponet, Voorzitter Raad voor de Mededinging, de heren Geert Zonnekeyn en Robert Van Osselaer, leden.

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.