Beslissing nr. 2002-P/K-27 van 3 april 2002 Inzake : Boekhandel Degheldere, met zetel te 8000 Brugge, Leemputstraat 2-4, en De NV Brugs Agentschap, met zetel te 8200 Sint-Andries-Brugge, Peter Benoîtlaan 23 ontbonden bij notariële akte van 29 september 2001, gepubliceerd in het B.S. van 25 oktober
- Gelet op de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging (W.B.E.M.); Gelet op de klacht gekend onder PRA-93/13 die door de heer Willy Degheldere op 5 november 1993 aan de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging werd toegestuurd, en die op 9 november 1993 aan de Dienst voor de Mededinging werd overgemaakt; Gelet op het Verslag van de Dienst voor de Mededinging dd.4 september 1996, die volgens artikel 24 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de Economische Mededinging, aan de Raad voor de Mededinging werd overgemaakt op 5 september 1996; Gelet op de betekening van het Verslag van de Dienst voor de Mededinging aan de klager, de heer Willy Degheldere; Gelet op de betekening van het Verslag van de Dienst voor de Mededinging aan de NV Brugs Persagentschap; Gelet op de oproeping van partijen voor de hoorzitting van 3 april 2002; Gelet op het schrijven van de NV Brugs Persagentschap dd 12 maart 2002, waarbij deze meldt dat de NV Brugs Persagentschap ontbonden werd op 29 september 2001, zoals gepubliceerd in het B.S. van 25 oktober 2001 en waarin gesteld wordt dat alle waarborgen aan de klanten, dus ook aan de heer Degheldere, werden terugbetaald; Gehoord ter zitting van 3 april 2002: - De heer Johan Isselée, verslaggever, namens de Dienst voor de Mededinging, die ter zitting opmerkt dat de zaak inmiddels verjaard is.
- De feiten en de procedure
- De klagende partij is de heer Willy Degheldere, die een boekhandel Degheldere uitbaat. De boekhandel Degheldere is een kleinhandel in de verkoop van kranten, tijdschriften, persartikelen, tabak en rookwaren, tevens boekhandel en antiquariaat. De heer Willy Degheldere is de zaakvoerder. De klacht is gericht tegen: De NV Brugs Persagentschap die een distributiebedrijf van persartikelen (kranten en tijdschriften) is met als activiteitsterrein het noorden van de provincie West-Vlaanderen. De NV Brugs Persagentschap werd ontbonden bij akte dd. 29 september 2001, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25 oktober
- De betrokken partijen zijn derhalve ondernemingen in de zin van artikel 1 van de wet van de wet van 5 augustus
- De heer Degheldere is de exploitant van de Boekhandel Degheldere, een verkooppunt van boeken, kranten, tijdschriften, papierwaren e.d. De kranten, tijdschriften, e.d. die hij verkoopt in zijn winkel worden hem geleverd door het Brugs Persagentschap, dat het enige verdelingsbedrijf is voor dergelijke artikelen in het noorden van WestVlaanderen, met uitzondering van de kuststreek. Andere persdistributeurs komen daar niet leveren. In die zin is de klager verplicht zich voor zijn bevoorrading tot het Brugs Persagentschap te wenden. Aan dit Brugs Persagentschap verwijt de klager misbruik te maken van zijn machtspositie om hem : - onredelijke voorwaarden op te leggen inzake waarborg en gespreide betaling (voorschotten) - en om deze voorwaarden niet aan elke wederverkoper op te leggen. De klager heeft bijgevolg een rechtstreeks en dadelijk belang bij de klacht.
- Klager beoogt met zijn klacht te bekomen dat het systeem van de waarborgen veroordeeld wordt gezien volgens hem alle leveringen steeds gedekt worden door de voorschotten die betaald worden driemaal per maand en die zijn volledige levering dekken. Klager meent dat het eisen van een waarborg en het opleggen van de betaling van deze voorschotten door het Brugs Persagentschap een misbruik van machtspositie uitmaakt. De klager verwijst hierbij naar artikel 2 en 3 van de wet van 5 augustus 1991, waarbij hij stelt dat door het Brugs Persagentschap een discriminerende houding wordt aangenomen die erin bestaat dat alle klanten van het Brugs Persagentschap een waarborg hebben moeten stellen en dat de leveringen afhankelijk worden gesteld van het aanvaarden van de betaling van deze voorschotten.
- In zijn klachtbrief van 5 november 1993 heeft de klagende partij tevens een vraag om voorlopige maatregelen gericht aan de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging, op grond van artikel 35 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de Economische Mededinging. Bij beslissing van 4 februari 1994 oordeelde de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging dat de vordering van de heer Willy Degheldere ontvankelijk doch ongegrond was, gezien er geen aanleiding tot voorlopige maatregelen op basis van artikel 35 van de wet van 5 augustus 1991 bestond. De Voorzitter van de Raad voor de Mededinging oordeelde hierbij dat "vastgesteld moest worden dat de oorsprong van de toestand die de heer Degheldere vreesde, nl. het faillissement van zijn cocontractant, en die de voorlopige maatregelen z.i. zou moeten verantwoorden, uit de economische situatie van het Brugs Persagentschap voortspruitte doch geen verband vertoonde met een misbruik van mededingingspraktijken in de zin van de wet van 1991 ter bescherming van de economische mededinging".
- Het standpunt van de Dienst voor de Mededinging. De Dienst voor de Mededinging is van oordeel dat het Brugs Persagentschap weliswaar een machtspositie bekleedt voor dit deel van het grondgebied waar het zijn activiteiten uitoefent, waardoor het over een machtspositie op een wezenlijk deel van de Belgische markt beschikt, doch de Dienst voor de Mededinging is van oordeel dat er geen misbruik van machtspositie aangetoond wordt. In haar voorstel tot beslissing stelt de Dienst voor de Mededinging dat zij van oordeel is dat het vragen van een borgstelling of waarborg door het Brugs Persagentschap noch de gevraagde betaling via voorschotten en afrekening achteraf een misbruik uitmaken van haar machtspositie. De Dienst is bovendien eveneens van mening dat het Brugs Persagentschap geen discriminerende houding aanneemt ten opzichte van de heer Degheldere. Daarom stelt de Dienst aan de Raad voor de Mededinging voor om te beslissen dat de klacht wel ontvankelijk doch ongegrond is.
- De toepasselijke wet. Huidige klacht werd op 5 november 1993 neergelegd. Het verslag van de Dienst voor de Mededinging werd op 5 september 1996 aan de Raad voor de Mededinging overgemaakt. De gewijzigde wet tot bescherming van de Economische Mededinging, zoals gecoördineerd bij K.B. van 1 juli 1999 bepaalt dat deze gewijzigde wet niet van toepassing is op de procedures die hangende zijn bij de Raad voor de Mededinging of bij het Hof van Beroep te Brussel op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze gewijzigde wet (artikel 47 van de Wet van 26 april 1999 (II)), zijnde 1 oktober
- De Raad beschouwt een procedure bij hem als hangende wanneer een verslag bij hem werd voorgelegd door de Dienst voor de Mededinging vóór 1 oktober
- In casu dient de Raad voor de Mededinging vast te stellen dat het verslag van de Dienst voor de Mededinging dateert van 4 september 1996 en op 5 september 1996 aan de Raad voor de Mededinging werd overgemaakt, zodat de oude wet van 5 augustus 1991 van toepassing is.
- De verjaring. Artikel 48 §1 van de (oude) wet van 5 augustus 1991 bepaalt :"Het onderzoek bedoeld in artikel 23 mag slechts betrekking hebben op feiten die zich niet langer dan vijf jaar geleden voordeden. De termijn wordt berekend vanaf de datum van de beslissing van de Dienst voor de Mededinging om ambtshalve een onderzoek in te stellen of vanaf de datum van het aanhangig maken van de zaak bij de Dienst overeenkomstig artikel 23 §1". Artikel 48 §2 van de (oude) Wet van 5 augustus 1991 bepaalt voorts: "De verjaringstermijn met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing is vijf jaar te rekenen vanaf de datum bedoeld bij §
- De verjaring wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of daden van beslissing verricht binnen de termijn bepaald in het vorige lid; met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen." De Raad voor de Mededinging dient vast te stellen dat er in dit dossier gedurende meer dan 5 jaar geen verdere onderzoeksdaden werden gesteld, nl. sinds 5 september 1996, datum waarop het verslag van de Dienst voor de Mededinging aan de Raad voor de Mededinging werd overgemaakt, zodat de verjaringstermijn voorzien in artikel 48 §2 van de Wet van 5 augustus 1991 is ingetreden. Het Brugs Persagentschap werd ontbonden op 29 september 2001 (B.S. 25 oktober 2001). Een vennootschap wordt na haar ontbinding geacht voort te bestaan voor haar vereffening (artikel 183 W. Venn.). Een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die in vereffening wordt gesteld, behoudt de rechtspersoonlijkheid (Cass., 17 mei 1906, Pas, 1906, I, 249). De Raad kan bijgevolg nog steeds een beslissing opzichtens deze vennootschap nemen. (zie in dezelfde zin: Cass. Fr., 20 november 2001, Contrats-Concurrence-Consommation, Ed. du Jurisclasseur, februari 2002, p. 14, dat oordeelde dat, zolang een onderneming haar rechtspersoonlijkheid behoudt, los van een overdracht van activa, zij nog steeds gesanctioneerd kan worden door de Raad voor de Mededinging wegens misbruik van machtspositie of kartelafspraken). Voor zover als nodig merkt de Raad voor de Mededinging op dat, zodra de afsluiting van de vereffening van een vennootschap is gepubliceerd, de rechtspersoon ophoudt te bestaan. Desalniettemin blijft een zekere passieve rechtsbekwaamheid bestaan (Cass., 22 maart 1962, Pas., 1962, I, 807; Cass., 17 juni 1965, Pas., 1965, I, 1134). Dat de N.V.Brugs Persagentschap ontbonden is, verhindert derhalve niet dat thans de verjaring wordt vastgesteld door de Raad voor de Mededinging. OM DEZE REDENEN De Raad voor de Mededinging: Verklaart dat de zaak gekend onder nr. PRA-93/0013 verjaard is. Aldus uitgesproken op 3 april 2002 door de Kamer van de Raad voor de Mededinging, samengesteld uit: Mevrouw Béatrice Ponet, Kamervoorzitter; De heer Peter Poma, De heer Geert Zonnekeyn, en De heer Robert Vanosselaer, leden.